ECLI:NL:TADRSGR:2026:249 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-509/DH/DH/D

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:249
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 26-509/DH/DH/D
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Dekenbezwaar. Verweerder heeft zich langdurig onttrokken aan het toezicht door de deken. Nadat er eindelijk contact was, is hij zijn toezeggingen om de gevraagde informatie alsnog aan te leveren niet nagekomen. Ook voor veel van zijn cliënten is verweerder niet bereikbaar geweest, wat heeft geleid tot een stroom aan tuchtklachten tegen verweerder, waarbij hij ook niet meewerkt aan het onderzoek van de deken. Verweerder is inmiddels geschorst op grond van artikel 60b Advocatenwet. Ook daarna is  hij onbereikbaar gebleken voor de deken, maar hij heeft wel de tijd gehad om werkzaamheden te verrichten, in strijd met de aan hem opgelegde schorsing. Verweerder blijkt ook niet een (verplichte) beroepsaansprakelijkheidsverzekering te hebben. Verweerder ziet nog steeds niet in het dat niet verantwoord is dat hij in zijn huidige staat rechtszoekenden bijstaat. De raad heeft niet het vertrouwen gekregen dat verweerder doordringen is van de ernst van de situatie. Schrapping. 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 oktober 2026 in de zaak 26-509/DH/DH/D naar aanleiding van de klacht van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
deken

over:

verweerder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 17 juni 2026 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder.
1.2    Verweerder is in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. Van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 7 september 2026. Daarbij waren de deken, bijgestaan door haar stafjuristen, en verweerder aanwezig.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
Informatieverzoeken van de deken
2.2    Verweerder is op 19 november 2025 een eigen kantoor gestart, nadat hij diverse jaren aangesloten is geweest in een kantoorverband in dit arrondissement. Op 2 december 2025 heeft de deken hem verzocht om een Opgave Nieuw Kantoor (hierna: ONK) in te vullen binnen 14 dagen. Op 25 februari 2026 is een rappel verstuurd. Diezelfde dag heeft de deken verweerder verzocht om uiterlijk 25 maart 2026 een vragenlijst in te vullen in het kader van een kantooronderzoek (hierna: de vragenlijst). Op 15 april 2026, 5 mei 2026 en 18 mei 2026 zijn rappels verzonden. Op 29 mei 2026 heeft de deken aangekondigd een dekenbezwaar te zullen indienen. Ook hierop is door verweerder niet gereageerd.
2.3    Op 3 juni 2026 heeft een stafjurist van de deken telefonisch contact gehad met verweerder over het niet reageren op de verzoeken. Verweerder heeft kenbaar gemaakt dat de verzoeken in de spam zouden zijn beland en dat hij ze niet heeft gezien. Verweerder heeft toegezegd de ONK en de vragenlijst uiterlijk 5 juni 2026 in te vullen.
2.4    Op 8 juni 2026 heeft de deken verweerder verzocht om de ONK en de vragenlijst uiterlijk 9 juni 2026 om 12.00 uur in te hebben gevuld.
2.5    Op 12 juni 2026 heeft verweerder de vragenlijst ingevuld. De ONK is tot op heden niet ingevuld.
Bemiddelingsverzoek
2.6    Op 12 mei 2026 heeft de deken een bemiddelingsverzoek ontvangen van een (voormalig) cliënt van verweerder bij de overdracht van zijn dossier, omdat hij daarom al sinds 6 maart 2026 vraagt maar geen contact krijgt met verweerder. De deken heeft verweerder diezelfde dag verzocht om binnen een week te reageren op het bemiddelingsverzoek. Op 22 mei 2026 is een rappel verstuurd en verzocht om uiterlijk 12 juni 2026 te reageren. Verweerder heeft tot op heden niet op het bemiddelingsverzoek gereageerd.
Gebeurtenissen sinds de procedure bij de raad
2.7    Op 17 juni 2026 heeft de deken dit dekenbezwaar ingediend.
2.8    Op 29 juli 2026 heeft de deken een verzoek op grond van artikel 60ab dan wel 60b van de Advocatenwet ingediend over verweerder. Bij beslissing van 7 augustus 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:191) is het verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet toegewezen en is verweerder met onmiddellijke ingang en voor onbepaalde tijd geschorst in de uitoefening van de praktijk. Ook zijn de voorzieningen getroffen dat verweerder verplicht is om een coachingstraject te doorlopen en dat de deken bevoegd is om een waarnemer voor zijn praktijk aan te wijzen. Verweerder had aangegeven dat zijn oud-kantoorgenoten wel voor hem zouden willen waarnemen, maar het is de deken gebleken dat de oud-kantoorgenoten dat vanwege een hoogopgelopen conflict met verweerder niet (meer) wilden. 
2.9    Op 10 augustus 2026, dus na zijn schorsing, heeft verweerder per e-mail een brief van de Sociale Verzekeringsbank van 3 augustus 2026 doorgestuurd naar de wederpartij van zijn cliënte. In de e-mail heeft verweerder zich uitgegeven als advocaat.
2.10    Op 10 augustus 2026 heeft de deken verweerder aangeschreven over het aanwijzen van een waarnemer en het inleveren van zijn advocatenpas. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. Op 11 augustus 2026 heeft de deken een waarnemer aangesteld. Op 12 augustus 2026 is de deken, bij uitblijven van een reactie van verweerder, naar zijn kantoor gegaan. De deken heeft verweerder daar niet aangetroffen. Wel heeft zij de toegang gekregen tot zijn kantoorruimte, waar zij vele onuitgepakte verhuisdozen, vele ordners en losse papieren op de grond en een grote stapel ongeopende post – onder meer afkomstig van de Rechtspraak – heeft aangetroffen. De deken is vervolgens naar het laatst bekende woonadres van verweerder gegaan, waar zij hem ook niet heeft aangetroffen. De deken heeft door de opeenstapeling van verschillende signalen diezelfde dag een zorgmelding gedaan bij de GGD over verweerder.
2.11    Op 17 augustus 2026 heeft de deken haar zorgen over verweerder aan hem kenbaar gemaakt, hem verzocht om zijn advocatenpas in te leveren en om de gevraagde informatie te verstrekken. 
2.12    Op 31 augustus 2026 hebben verweerder en de waarnemer elkaar gesproken over de waarneming en de vragen die de waarnemer had over de dossiers. 
2.13    Op 4 september 2026 heeft verweerder zich uitgeschreven van het Tableau. 
2.14    Tot en met 7 september 2026 zijn er in totaal 24 tuchtklachten ingediend over verweerder.

3    DEKENBEZWAAR
3.1    Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende.
a)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 29, door niet te reageren op verzoeken van de deken en door zijn toezeggingen om de ONK en vragenlijst uiterlijk 5 juni 2026 in te vullen.
3.2    De deken heeft toegelicht het onaanvaardbaar te achten dat verweerder niet reageert op haar verzoeken en er ook niet voor heeft gezorgd dat berichten van de deken niet (meer) in zijn spam belanden. Het is haar niet gebleken dat verweerder de ernst daarvan inziet. Het is voor de deken niet mogelijk om te beoordelen of verweerder voldoet aan de voor advocaten geldende verplichtingen.
3.3    Verder heeft de deken toegelicht wat er is gebeurd sinds verweerder door de raad met onmiddellijke ingang is geschorst. Zo is zij samen met haar stafjuristen, de waarnemend deken en de aangewezen waarnemer bijna fulltime bezig geweest om de puinhoop die verweerder ervan heeft gemaakt op te lossen, onder verwijzing naar de staat van zijn kantoor. Daar komt bij dat zij signalen heeft gekregen van rechtbanken dat verweerder sinds 19 november 2025 meermaals vonnissen, exploten en processen-verbaal heeft vervalst. De Rechtspraak heeft hiervan aangifte gedaan en de deken heeft bericht ontvangen dat deurwaarders ook aangifte willen doen. Verweerder heeft verder tegen cliënten gelogen dat er procedures aanhangig zouden zijn gemaakt, terwijl dat niet het geval was. Verweerder heeft deze cliënten vervolgens voorgehouden dat zittingen niet door zouden gaan omdat de rechter ziek zou zijn of omdat hij zelf (driemaal) een auto-ongeluk zou hebben gehad. Van één zaak weet de deken dat verweerder de hierin verkregen toevoeging heeft gedeclareerd en uitbetaald heeft gekregen, terwijl de zaak nog niet helemaal was afgerond. Het is de deken en de waarnemer niet duidelijk in welk van de 200 dossiers die verweerder op zijn kantoor had liggen daadwerkelijk sprake is van een lopende zaak. De deken heeft het gevoel dat verweerder zijn verantwoordelijkheid niet neemt en het probleem bij de Orde heeft willen neerleggen door zich uit te schrijven, zodat de Orde het mag oplossen. 
3.4    De deken heeft er ook op gewezen dat verweerder tweemaal de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden. Op 9 augustus 2026 heeft verweerder een bespreking gevoerd met een cliënt. Dat heeft hij gedaan in een McDonalds-filiaal, omdat hem de toegang tot zijn kantoorruimte toen reeds was ontzegd. Ook heeft hij (zie 2.9) op 10 augustus 2026 een e-mail gestuurd, waarin hij zich heeft uitgegeven als advocaat. Verder is het de deken gebleken dat verweerder in het geheel geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft. De advocatenpas van verweerder is bovendien nog steeds niet ingeleverd.
3.5    De deken verzoekt om de maatregel van schrapping uit te spreken.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft ter zitting verweer gevoerd. Hij heeft erkend niet adequaat te hebben gereageerd op het verzoek om de ONK in te vullen. Verweerder heeft toegelicht te maken te hebben met een burn-out, die is gediagnosticeerd door zijn psycholoog nadat hij is geschorst als advocaat. Zijn situatie is sinds februari 2026 verslechterd. Inmiddels heeft hij enkele weken de juiste hulp en begeleiding, waardoor het nu de betere kant op gaat. 
4.2    Hij heeft de vraag gesteld of hij de ONK nog moest invullen, aangezien hij was geschorst en zich inmiddels ook als advocaat heeft uitgeschreven. Ook kon hij niet bij zijn dossiers omdat zijn computer bij de waarnemer staat. Verweerder heeft toegelicht zich uit te hebben geschreven als advocaat, zodat hij niet meer gebonden was aan de regels rondom de schorsing en mogelijkheden wilde hebben om iets anders te doen in de periode dat hij aan zijn herstel werkt. Hij heeft verklaard zich er bewust van te zijn dat hij verantwoordelijk is voor de afwikkeling van zijn praktijk, ook nu hij zich als advocaat heeft uitgeschreven.
4.3    Verweerder betwist dat hij vonnissen, exploten en/of processen-verbaal heeft vervalst. De bespreking van 9 augustus 2026 in de McDonald’s heeft volgens hem op 2 augustus 2026 plaatsgevonden. Over de brief van 10 augustus 2026 heeft hij toegelicht dat het ging om het doorsturen van een brief die gedateerd was vóór de schorsing, maar dat het hem ter zitting is gebleken dat hij zich in zijn e-mail heeft uitgegeven als advocaat terwijl hij op het moment van sturen van de e-mail al geschorst was. Dat had hij zich niet eerder gerealiseerd. De advocatenpas zou volgens verweerder op zijn kantoor liggen, maar bevindt zich in elk geval niet bij hem. Door de uitschrijving is zijn advocatenpas onbruikbaar geworden.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemener belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting gezocht.
5.2    Gedragsregel 29 luidt: Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, is de betrokken advocaat verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.
Beoordeling
5.3    Verweerder heeft stelselmatig niet voldaan aan de (informatie)verzoeken van de deken. De ONK is tot op heden niet ingevuld. De vragenlijst is pas na meerdere rappels ingevuld en ook nog eens buiten de door de deken gestelde termijn. Ook ten aanzien van het bemiddelingsverzoek heeft verweerder niet adequaat gereageerd richting de deken. Daarmee is in strijd gehandeld met gedragsregel 29. Het dekenbezwaar is gegrond.

6    MAATREGEL
6.1    De raad is van oordeel dat er voor verweerder geen plaats is binnen de advocatuur. De raad legt dan ook de maatregel van schrapping op. Verweerder heeft zich langdurig onttrokken aan het toezicht door de deken. Hij heeft zich onbereikbaar gehouden voor de deken en is, nadat er eindelijk contact was gelegd, zijn toezeggingen om de gevraagde informatie alsnog aan te leveren niet nagekomen. Tot op heden ontbreekt nog steeds een groot deel van de gevraagde informatie. Ook het indienen van dit dekenbezwaar heeft verweerder niet kunnen aansporen alsnog te voldoen aan zijn verplichtingen. Dat staat niet op zichzelf. De deken heeft toegelicht dat verweerder ook voor veel van zijn cliënten niet bereikbaar is geweest. Dat heeft geleid tot een stroom aan klachten, inmiddels 24 stuks, waarbij verweerder ook niet meewerkt aan het onderzoek van de deken en inmiddels ook een spoedschorsing op basis van artikel 60b van de Advocatenwet. In de periode daarna heeft verweerder ook niet laten zien dat hij inziet hoe zorgwekkend de staat van zijn kantoor is. Ook toen is hij onbereikbaar gebleven voor de deken. Wel heeft hij kennelijk de tijd gehad om, in ieder geval op 10 augustus 2026, alsnog werkzaamheden te verrichten. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met de aan hem opgelegde schorsing. Pas na aandringen door de raad heeft verweerder dit onderkend. Ook zeer ernstig acht de raad het gegeven dat verweerder niet een (verplichte) beroepsaansprakelijkheidsverzekering blijkt te hebben gehad. Gelet op de grote zorgen rondom verweerders praktijkvoering, vreest de raad voor mogelijke aan verweerder te wijten schade bij zijn (voormalig) cliënten, terwijl hij daar niet (voldoende) verhaal voor kan bieden. 
6.2    De raad kan uit het voorgaande niet anders afleiden dan dat verweerder zich niets aantrekt van het tuchtrecht en de op hem rustende verplichtingen. Vervolgens is gebleken dat verweerder zich vlak voor de zitting heeft uitgeschreven als advocaat. Ook dit heeft verweerder niet zelf gemeld, maar heeft de deken richting de raad moeten opmerken. Verweerder heeft vervolgens toegelicht dit te hebben gedaan zodat hij weer werkzaamheden kan verrichten zonder dat hij gebonden is aan de schorsingsvoorwaarden. Hij heeft verteld dat hij nog in BaseNet bij dossiers en informatie kan. De raad leidt daaruit af dat verweerder nog steeds niet inziet dat het simpelweg niet verantwoord is dat hij in zijn huidige staat rechtszoekenden bijstaat. Net als de deken, bekruipt de raad het gevoel dat verweerder weg blijft duiken voor zijn verantwoordelijkheden. Hij dient echter onder ogen te zien dat hij verantwoordelijk is en blijft voor een zorgvuldige afbouw van zijn praktijk en dus ook zal moeten zorgen dat de dossiers die hij ten tijde van zijn schorsing had adequaat worden overgedragen. Dat verweerder eerst zijn dossiers wil inzien en bestuderen voordat hij in overleg gaat met zijn waarnemer is voor de raad een gepasseerd station. Verweerder is niet meer in de positie voorwaarden te stellen en is gehouden de deken en de waarnemer volledige medewerking te verlenen aan een zorgvuldige overdracht. Verweerder heeft ter zitting schoorvoetend gezegd dat hij zich daar bewust van is. De raad heeft niet het vertrouwen gekregen dat verweerder nu echt doordrongen is van de ernst van de situatie. Daarom acht de raad het noodzakelijk dit nog eens richting verweerder op te merken.
6.3    De deken heeft ter zitting ernstige verdenkingen jegens verweerder naar voren gebracht, onder meer over het vervalsen van vonnissen. Verweerder heeft dit ontkend. Omdat deze verdenkingen buiten de omvang van het dekenbezwaar vallen, kan en zal de raad hier niet nader op ingaan. Het is aan de deken om hierover desgewenst een nieuw dekenbezwaar in te dienen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.


 BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart het dekenbezwaar gegrond;
-    legt aan verweerder schrapping op, ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2.


Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.