ECLI:NL:TADRSGR:2026:248 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-438/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:248
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 26-438/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een geschil met een makelaar. Dossier via rechtsbijstandsverzekeraar bij verweerder gekomen. Verweerder had niet de verplichting om daadwerkelijk een procedure te starten. Hij mocht, na bestudering van de stukken, tot een oordeel komen over de (on)haalbaarheid van de zaak. Niet gebleken dat het door verweerder gegeven advies onjuist is. Verweerder heeft (wellicht te) lang geprobeerd om klagers zaak ‘rond’ te krijgen, maar heeft daarbij steeds klagers belangen op het oog gehad. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet gebleken. Ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 oktober 2026 in de zaak 26-438/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 18 december 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 21 mei 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K377 2025 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 31 augustus 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 10 juni 2026. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager heeft in 2022 zijn interesse getoond in (de aankoop van) een nieuwbouwwoning. Klager heeft voorafgaand aan de koop van de woning contact gehad met (kandidaat-) makelaar [W] van [B] Makelaardij B.V. (hierna: de makelaar). De makelaar heeft mondeling aan de geïnteresseerden, onder wie klager, meegedeeld dat de oplevering van de nieuwbouwwoning in januari 2024 zou zijn. Op 1 december 2022 heeft klager een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten voor zijn nieuwbouwwoning. 
2.3    Begin 2023 heeft klager zijn bestaande woning via dezelfde makelaar te koop aangeboden. Op 6 april 2023 heeft klager de (ver)koopovereenkomst voor deze woning ondertekend. 
2.4    Op 24 april 2023 heeft klager de akte van levering voor de nieuwbouwwoning bij de notaris ondertekend. 
2.5    Op 2 mei 2023 heeft de aannemer van het nieuwbouwproject per e-mail aan klager gemeld dat voor de prognose voor oplevering van de nieuwbouwwoning het vierde kwartaal van 2024 zal worden aangehouden. 
2.6    Op 3 mei 2023 heeft klager aan de makelaar om duidelijkheid gevraagd, waarbij hij schrijft dat de geschatte oplevering vorig jaar januari/februari 2024 was. Op 4 mei 2023 heeft de makelaar aan klager laten weten dat wat zij heeft gecommuniceerd in november 2022 tijdens het eerste gesprek de opleveringsprognose was die zij van de aannemer had gekregen. De makelaar heeft klager erop gewezen dat de aannemer contractueel een maximaal aantal werkbare dagen heeft waarbinnen hij moet opleveren en dat hier vooralsnog aan wordt voldaan, zij het dat de planning voor haar als een verrassing komt. 
2.7    Bij akte van 1 augustus 2023 is klagers bestaande woning geleverd aan de kopers, per die dag. Klager is verhuisd naar een (tijdelijke) (vakantie)woning, waar hij tot uiterlijk 31 juli 2024 kon blijven. De nieuwbouwwoning is in december 2024 opgeleverd. 
2.8    Op 15 september 2023 heeft klager een klacht over de makelaar ingediend bij de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals. 
2.9    Op 28 februari 2024 heeft de Tuchtcommissie Vastgoedprofessionals over de opleveringsdatum als volgt geoordeeld: 
“Het is de projectontwikkelaar/aannemer geweest die de aanvankelijk geprognosticeerde opleveringsdatum van de woning van klager heeft verschoven naar het vierde kwartaal 2024. De prognose van een latere dan de oorspronkelijke opleveringsdatum is een aangelegenheid die buiten de invloedsfeer van beklaagde ligt. Tuchtrechtelijk noch anderszins kan beklaagde van die verschuiving een verwijt worden gemaakt. De commissie acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.”
2.10    Klager is verzekerd bij DAS en heeft zijn geschil met de makelaar aangemeld bij DAS. Bij brief van 2 mei 2024 heeft DAS de makelaar aansprakelijk gesteld. 
2.11    Op 4 oktober 2024 heeft DAS het geschil tussen klager en de makelaar uitbesteed aan het kantoor van verweerder. In de mail van DAS aan verweerders kantoor staat onder meer: 
“Verzekerde heeft schade geleden door foute adviezen van zijn makelaar bij de koop van zijn nieuwbouwappartement. Aan u de opdracht om middels een procedure de makelaar aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. (…) Makelaar is aangeschreven maar wijst aansprakelijkheid volledig af. Aan u dus de opdracht om een dagvaardingsprocedure namens verzekerde te starten.”
2.12    Op 10 oktober 2024 heeft verweerder de van DAS ontvangen stukken naar klager gestuurd, met het verzoek aan klager om eventueel verder noodzakelijke stukken aan verweerder te verstrekken. Verweerder heeft daarbij gevraagd wat klager ziet als oplossing voor het geschil.
2.13    Klager heeft diezelfde dag gereageerd en geschreven dat verweerder heel weinig uit het dossier heeft ontvangen. Klager heeft een aantal documenten bij zijn bericht gevoegd en gevraagd om een gesprek om alles toe te lichten. Klager heeft in zijn bericht verder een gemotiveerde toelichting op de kwestie gegeven.
2.14    Op 17 oktober 2024 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven:
“Na een eerste bestudering van uw stukken blijf ik bij de vraag welk belang u nu precies heeft bij het starten van een procedure tegen de makelaar. (…) 
U stelt dat er voldoende informatie is waaruit blijkt dat de vertraging voorzienbaar was. Ik heb vooralsnog geen duidelijk bewijs gezien ter staving van deze stelling. U kunt deze stelling staven door mij te voorzien van een stuk waaruit blijkt dat de parkeerplaats moest worden opgeleverd alvorens u kon intrekken. 
Aangegeven is dat de algemene voorwaarden wel een regeling bevatten om verkoper aan te spreken. In dat kader kunt u een verzoek bij DAS indienen om mijn opdracht te geven om verkoper aan te spreken. Dit is een nieuwe zaak.”
Verweerder heeft klager verzocht om een overzicht met onder meer de gemaakte afspraken, op welke wijze deze niet zijn nagekomen en bewijzen daarvan. 
2.15    Op 21 oktober 2024 heeft klager een overzicht met bijlagen naar verweerder gestuurd. 
2.16    Op 5 december 2024 om 22:21 uur heeft verweerder aan klager geschreven dat hij klagers stelling over de geleden schade niet kan volgen en vooralsnog neigt naar een negatief procesadvies. Verweerder schrijft onder meer:
“U was in mei 2023 bekend met de vertraging. U stelt schade te hebben geleden, onder meer omdat u uw woning heeft verkocht terwijl u nog in de wetenschap verkeerde dat de nieuwe woning in januari 2024 zou worden opgeleverd. 
U heeft uw nieuwe woning op 24 april 2023 gekocht. Op 2 mei 2023 wist u van de vertraging. De akte van uw oude woning is op 2 augustus 2023 gepasseerd.
Kortom: de akte van uw oude woning is gepasseerd terwijl u al wist van de vertraging. Mij is niet duidelijk wanneer uw woning in de verkoop is gegaan, maar uitgaande van de gemiddelde verkooptijd, is uw woning na 2 mei 2023 pas in de verkoop gegaan en ook nadien pas verkocht. Ik verneem hier graag meer over.”
2.17    Op 5 december 2024 om 23:07 uur heeft klager gereageerd en aan verweerder geschreven dat de koopakte op 6 december 2022 door hem is getekend, dat hij op 24 april 2023 bij de notaris heeft getekend voor de nieuwe woning, dat zijn (bestaande) woning op 4 april 2023 onder voorbehoud van financiering was verkocht en dat op 1 augustus 2023 de overdracht bij de notaris was. Klager schrijft gemotiveerd dat er geen sprake was van vertraging, maar van verkeerde informatie die is verstrekt en dat er alleen mondelinge communicatie was.  
2.18    Op 5 december 2024 om 23:07 uur heeft verweerder zijn definitieve negatieve procesadvies naar klager gestuurd. In het procesadvies schrijft verweerder onder meer: 
“In november 2022 heeft de makelaar herhaaldelijk gezegd dat de nieuwe woning zou worden opgeleverd in januari 2024. U heeft gesteld dat de makelaar op dit moment wist of had moeten weten, vanwege de afhankelijkheid met andere projecten met een latere opleveringsdatum, dat deze opleverdatum nooit realistisch was. U heeft mij niet voorzien van concreet bewijs om uw stelling te staven. U stelt dat de makelaar dit had moeten weten, omdat zij ook de andere projecten verkocht. Deze gedachte kan ik op zich wel begrijpen en volgen, maar het is de vraag of het in rechte afdoende is om enkel deze redenatie aan te voeren. (…)
Dan moet alleen nog wel blijken dat u dientengevolge schade heeft geleden, opdat u deze schade eventueel op de makelaar kan verhalen. U heeft daarbij onder meer gewezen op de lagere prijs voor de verkoop van uw oude woning: had u deze later verkocht, dan had u waarschijnlijk een hogere prijs kunnen ontvangen. (…) Deze gedachte gaat alleen niet op, nu u er eenmaal voor gekozen heeft uw woning ruim voor de initiële opleverdatum te verkopen. Dit terwijl u in november 2022 al wist dat de nieuwe woning ook pas in februari 2024 kon worden opgeleverd. (…)
Vervolgens heeft u uw oude woning op 2 augustus 2023 geleverd aan de nieuwe eigenaren, drie maanden nadat dus bij u bekend was dat uw nieuwe woning pas eind 2024 zou worden opgeleverd. (…) Met andere woorden: u wist ten tijde van de verkoop – althans in ieder geval tijdens de levering – van uw oude woning dus van de latere oplevering en u heeft dit dus aanvaard. Althans, u had na 2 mei 2023 ook al het mogelijke kunnen doen om de koop op dat moment te ontbinden. (…)
Naast het voormelde geldt dat ik vermoed dat hoe dan ook zal worden geoordeeld dat u welbewust het risico heeft genomen c.q. aanvaard dat de nieuwe woning pas later kon worden opgeleverd, omdat dit met het aantal werkbare dagen nu eenmaal is opgenomen in de koop-aannemingsovereenkomst. Daarnaast kan worden betwist of u nu daadwerkelijke nadeel heeft geleden, omdat u sinds het verkopen van uw oude woning ook geen dubbele lasten heeft geleden.”
2.19    Op 5 december 2024 om 23:22 heeft klager met verbazing gereageerd op het procesadvies, onder meer omdat het kantoor recent telefonisch heeft gemeld dat verweerder de zaak in behandeling zou nemen en omdat verweerder vragen heeft gesteld aan klager, maar de antwoorden niet heeft afgewacht. Klager schrijft verder:  
“Overigens heb ik u advies opgevolgd om de aannemer aansprakelijk te stellen, en hiervoor een nieuwe zaak aan te melden bij DAS, wat ik ook gedaan heb, maar Das zag hier geen zaak in, zonde van mijn eigen bijdrage hiervoor.
2.20    Op 9 januari 2025 heeft klager bij het kantoor van verweerder aangekondigd dat hij een klacht gaat indienen. Vervolgens heeft er telefonisch contact plaatsgevonden tussen klager en verweerder. 
2.21    Op 10 januari 2025 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven dat hij klager er van meet af aan voor heeft gewaarschuwd dat hij vermoedelijk tot een negatief procesadvies zou komen. Verweerder schrijft verder: 
“Met u heb ik besproken dat ik aan DAS kan vragen of DAS ermee instemt dat ik alsnog een procedure voor u start, waarin een verklaring voor recht kan worden gevorderd dat de makelaar verkeerd gehandeld heeft en aansprakelijk is voor uw schade, waarna die schade in een schadestaatprocedure concreet kan worden gemaakt. (…)
Ik herhaal richting u, [klager], dat het voormelde mij vooralsnog niet verstandig lijkt omdat ik er vooralsnog niet van overtuigd ben dat u schade heeft geleden ten gevolge van het handelen van [makelaar]. 
Dat u kosten heeft gemaakt, is duidelijk, maar ik vermoed dat wordt geoordeeld dat u daar zelf voor heeft gekozen. Door voormelde procedure te starten, bent u misschien nog wel een jaar bezig met deze procedure om dan na afloop te vernemen dat u geen recht heeft op enige schadevergoeding. Dat vormt voor u dan een grote teleurstelling, waarvoor ik u wil behouden. (…)
Als DAS instemt met het voormelde, dien ik als nog na te gaan of het mij lukt het voormelde in een dagvaarding te gieten. Ook dan kan ik nog tot de conclusie komen dat ik uw zaak niet rond krijg en dus niet kan voeren. Houd daar ook rekening mee.”
2.22    Na reactie van klager heeft verweerder op 10 januari 2025 onder meer nog aan klager geschreven dat hij dient te beoordelen of de zaak haalbaar is, Zo ja, dan gaat hij daarmee verder en, zo nee, dan krijgt klager geen verzekerde rechtsbijstand. Verweerder heeft herhaald dat hij ook nu nog tot de conclusie kan komen dat de zaak niet haalbaar is en dat klager hem eigenlijk nog altijd moet overtuigen. 
2.23    Op 16 januari 2025 heeft DAS verweerder om een toelichting gevraagd op het gewijzigde procesadvies, gelet op het eerder gegeven negatieve procesadvies.
2.24    Op 22 januari 2025 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven: 
“Naar aanleiding van het bericht van de verzekeraar heb ik nog eens goed nagedacht. Het blijft voor mij bijzonder lastig om de door u gestelde schade op de wederpartij te verhalen. (…) 
Het voormelde betekent eigenlijk dat ik moet blijven bij mijn eerdere negatieve procesadvies. U kunt mij proberen te overtuigen van het causale verband: het handelen van de makelaar moet hebben geleid tot de door u geleden schade.”
2.25    Op 17 februari 2025 heeft verweerder aan klager geschreven dat hij na zijn laatste bericht niets meer heeft vernomen en gevraagd of hij ervan mag uitgaan dat klager berust in de zaak.  
2.26    Op 18 februari 2025 heeft klager in reactie laten weten dat hij niet berust en dat hij niet heeft gereageerd, omdat in verweerders laatste mail geen vraag stond.  
2.27    Op 21 februari 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat hij de zaak gewoon in behandeling heeft. Hij schrijft:
“Ik kan voor u een zaak voeren als duidelijk is:
-    we moeten bewijzen dat de makelaar wist dat de makelaar u verkeerd heeft geïnformeerd:
o    u geeft aan: het kan niet naders dan dat de makelaar dit wijst: de makelaar heeft het gehele project verkocht;
-    we moeten uw schade bewijzen:
o    uw schade moet het gevolg zijn van de verkeerde informatie van de makelaar.
Ik denk dat we in deze moeten beginnen met een sommatiebrief naar de makelaar. Op basis van een antwoord kunnen we dan verder.
Ik wil u vragen eerst nog over voormelde punten na te denken en mij te voorzien van al het bewijs, puntsgewijs, kort en bondig en concreet.” 
2.28    Op 23 februari 2025 heeft klager gemotiveerd, en onder verwijzing naar bijlagen, gereageerd op verweerders mail. 
2.29    Bij brief van 2 maart 2025 heeft verweerder de makelaar aansprakelijk gesteld voor (kortweg) het onjuist informeren van klager over de opleverdatum en vervolgens het verzwijgen dat de nieuwbouwwoning van klager absoluut niet in januari 2024 kon worden opgeleverd. 
2.30    Op 12 maart 2025 heeft de makelaar aan verweerder laten weten dat de aansprakelijkstelling zal worden overgenomen door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Op 10 april 2025 heeft deze verzekeraar de ontvangt van de aansprakelijkstelling aan verweerder bevestigd. Verweerder (c.q. zijn secretaresse) heeft daarna een aantal keer contact gezocht met de verzekeraar.  
2.31    Op 12 juni 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat er nog niets is vernomen en dat verweerder een dagvaarding zal gaan opmaken. 
2.32    Op 18 juni 2025 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de makelaar aan verweerder laten weten dat aansprakelijkheid wordt afgewezen. 
2.33    Verweerder heeft het bericht diezelfde dag doorgestuurd naar klager en daarbij geschreven: 
“Ook deze gedachte kan ik volgen. Het is aan u om aan te tonen dat de makelaar u bewust (…) op het verkeerde spoor heeft gezet. Daarvoor moeten we wel harder bewijs hebben dan ik vooralsnog heb.”
2.34    Op 18 en 19 juni 2025 heeft klager een gemotiveerde reactie naar verweerder gestuurd. Op 27 juni 2025 heeft klager aan verweerder laten weten dat hij de dagvaarding graag wil doorzetten. 
2.35    Op 1 juli 2025 heeft verweerder aan klager geschreven dat hij geen redelijke kans op succes in klagers zaak ziet en dat hij dus geen dagvaarding gaat opmaken. Verweerder schrijft onder meer: 
“U heeft sterke vermoedens en stelt dat de wederpartij had moeten weten dat zij u verkeerd geïnformeerd hebben. Daartegenover staat dat de weerpartij dus kan aantonen dat zij pas na levering geïnformeerd waren. Daarnaast merk ik op dat ik nog altijd twijfels heb over de schade die u tegen gevolge van het verkeerd informeren zou hebben geleden.” 
2.36    Klager heeft diezelfde dag zijn verbazing uitgesproken over het bericht van verweerder en diverse vragen gesteld. 
2.37    Op 2 juli 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat zijn e-mails zijn ontvangen en in acht zijn genomen. Verweerder verwijst ook naar zijn eerdere voorlopige negatieve procesadvies en blijft bij zijn advies dat er geen redelijke kans op succes is. 
2.38    Klager heeft diezelfde dag gereageerd en gevraagd wat er is veranderd tussen verweerders e-mail dat hij een dagvaarding gaat opstellen en de e-mail die verweerder hierop terug ontving. Klager stelt dat er namelijk niets nieuws gemeld wordt.
2.39    Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd en geschreven dat hij van meet af aan heeft besproken dat hij problemen ziet als het gaat om een redelijke kans op succes. Verweerder heeft zijn oordeel nog eens gemotiveerd toegelicht en vervolgens geschreven: 
“Dit alles maakt dat ik in uw zaak simpelweg niet anders kan dan concluderen dat het niet zal lukken of zéér moeilijk zal worden om bepaalde hobbels te nemen, waarbij het nog maar de vraag is of, zelfs als de verweten gedragingen kunnen worden bewezen, u daar enig voordeel uit haalt, omdat de hobbels van schade en causaliteit niet of met zéér veel moeite worden behaald.”

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, omdat hij klagers dossier onzorgvuldig en niet conform de aan hem gegeven opdracht heeft behandeld.
3.2    Klager heeft toegelicht dat DAS aan verweerder de opdracht heeft gegeven om de makelaar via een procedure aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Verweerder heeft zich, in strijd met deze opdracht, terughoudend opgesteld en heeft op 5 december 2024 een negatief procesadvies gegeven. Verweerder is later op dit standpunt teruggekomen en heeft de makelaar op 2 maart 2025 toch aansprakelijk gesteld voor de door klager geleden schade. Toen daarop niet werd gereageerd, heeft verweerder op 12 juni 2025 aangegeven een dagvaarding op te zullen stellen. Vervolgens kwam er alsnog een reactie van de makelaar op de aansprakelijkstelling. Dat was voor verweerder ineens reden alsnog een negatief procesadvies te geven en de zaak niet voort te zetten. Inmiddels zijn er twee andere onafhankelijke advocaten die wel degelijk een redelijke kans van slagen zien in de zaak.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft aangevoerd dat klager geen belang heeft bij de behandeling van de klacht, omdat klager een second opinion heeft ingezet.
4.2    Verweerder heeft ook inhoudelijk tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat het aan hem als advocaat is, en niet aan klager of zijn rechtsbijstandsverzekeraar, om te bepalen of er een dagvaarding wordt opgesteld. De advocaat is immers dominus litis. Niet kan worden verwacht dat verweerder bij een negatief procesadvies het dossier had moeten weigeren. Verweerder moet immers eerst een eigen inschatting van de haalbaarheid kunnen maken. Verweerder heeft vanaf het begin duidelijk gemaakt dat hij twijfelde aan de haalbaarheid van de zaak. Hij is van meet af aan duidelijk geweest over zijn deskundige opvatting dat een causaal verband ontbreekt, dat er eigenlijk geen schade is geleden en dat klager zelf bewust een risico heeft genomen. Klagers continue aandringen heeft ertoe geleid dat verweerder zijn eerdere bevinden herhaaldelijk heeft heroverwogen en dat hij telkens naar mogelijkheden heeft gezocht om klager tegemoet te komen. Verweerder stelt klagers belangen met voldoende zorg te hebben behartigd en ook voldoende duidelijk te hebben gecommuniceerd. 
4.3    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Belang klager
5.1    Ten aanzien van de stelling dat klager geen belang heeft bij de behandeling van de klacht, overweegt de raad als volgt. Klagers klachten over verweerders (inhoudelijke) bijstand en communicatie staan los van een eventuele second opinion. Klager heeft een rechtstreeks eigen belang bij een klacht. Klager is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.
Toetsingskader
5.2    Bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
5.3    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 
Beoordeling
5.4    Klager is via DAS bij verweerder terechtgekomen, omdat DAS het dossier heeft uitbesteed aan verweerder. DAS heeft daarbij aan verweerder de opdracht gegeven om ‘middels een procedure de makelaar aansprakelijk te stellen voor de geleden schade’. DAS heeft kennelijk op dezelfde manier aan klager gecommuniceerd dat het dossier aan verweerder is overgedragen voor het opstarten van een procedure, waardoor bij klager de verwachting is gewekt dat (direct) een procedure zou worden gestart. 
5.5    Deze opdracht brengt voor verweerder echter niet de verplichting met zich mee om ook daadwerkelijk een procedure te starten. Verweerder is – als dominus litis – verantwoordelijk voor de uitvoering van de opdracht: hij moet vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid bepalen met welke aanpak de belangen van de cliënt het best gediend zijn. De advocaat kan niet worden verplicht een opdracht te aanvaarden of voort te zetten (zie gedragsregel 14 en de bijbehorende toelichting). Verweerder mocht dan ook eerst tot een oordeel komen over de haalbaarheid van de zaak. Dat kon hij niet direct toen, maar pas na bestudering van de stukken. Aan verweerder kan op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.  
5.6    Verweerder heeft vanaf het begin zijn twijfels bij (de haalbaarheid van) de zaak met klager gedeeld. Hij heeft zich door klager laten informeren en de door DAS en klager verstrekte stukken bestudeerd en op basis daarvan op 5 december 2024 een negatief procesadvies gegeven. Klager is het daarmee niet eens. Dat mag, maar dat betekent niet dat het advies onjuist is, en evenmin dat verweerder gehouden is om een procedure te starten. Dat klager nu een advocaat heeft gevonden die wel een procedure gaat starten, maakt evenmin dat verweerders advies onjuist is. 
5.7    Dat verweerder de antwoorden van klager op kort daarvoor gestelde vragen niet heeft afgewacht en deze kennelijk achteraf toch niet relevant achtte, is niet chic, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. 
5.8    Klager heeft vervolgens in januari 2025 aangekondigd een klacht tegen verweerder te zullen indienen, waarop verweerder telefonisch contact met klager heeft opgenomen en een voorstel heeft gedaan om toch verder te gaan met de zaak. Verweerder heeft daarbij herhaald dat hij niet overtuigd is en dat het hem niet verstandig lijkt. Klager heeft uiteindelijk half februari 2025 laten weten dat hij de zaak toch wil doorzetten. Verweerder heeft daarop een sommatiebrief naar de makelaar gestuurd. Toen een reactie daarop uitbleef, heeft verweerder aan klager laten weten dat hij een dagvaarding zou gaan opmaken (12 juni 2025). Kort daarna volgde een reactie namens de makelaar waarin aansprakelijkheid werd afgewezen. Verweerder heeft dit naar klager doorgestuurd met de vermelding dat hij dit kan volgen en dat er harder bewijs nodig is. Verweerder is vervolgens op 1 en 2 juli 2025 bij zijn negatieve procesadvies gebleven. Hoewel verweerders toezegging dat hij een dagvaarding zou gaan opmaken, bij klager de indruk heeft gewekt dat nu daadwerkelijk een procedure zou worden gestart, acht de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder dat niet heeft gedaan. Verweerder heeft geprobeerd een dagvaarding op te stellen, maar stuitte daarbij kennelijk op te veel twijfels c.q. problemen. Dat heeft hij vervolgens ook aan klager gecommuniceerd door op 1 en 2 juli 2025 bij zijn negatieve procesadvies te blijven. Dat mocht verweerder doen.
5.9    De raad kan begrijpen dat klager wellicht het gevoel heeft ‘aan het lijntje te zijn gehouden’. Verweerder heeft ter zitting ook aangegeven dat de zaak qua communicatie wat ongelukkig is geweest. Hoewel een negatief procesadvies voor klager vervelend was, was het evenzeer vervelend om lang de verwachting te hebben dat verweerder een procedure zou starten, terwijl dat uiteindelijk toch niet gebeurde. Verweerder heeft (wellicht te) lang geprobeerd klagers zaak ‘rond’ te krijgen. Verweerder heeft daarbij wel steeds klagers belangen op het oog gehad. Van onvoldoende belangenbehartiging of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. 
5.10    Van een gebrek aan communicatie is de raad niet gebleken. Verweerder heeft steeds op berichten van klager gereageerd. Daarbij is geen sprake geweest van (veel) te laat reageren. 
5.11    De raad is dan ook van oordeel dat niet gebleken is van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder. De klacht van klager is daarom ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, A.N. Kampherbeek, D.M. de Knijff en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.