ECLI:NL:TADRSGR:2026:247 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-309/DH/DH/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:247 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 20-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-309/DH/DH/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar over kwaliteit en kantoororganisatie. Gedurende een aantal jaren zijn verschillende zorgwekkende signalen over verweerster door de deken ontvangen. Herhaalde gesprekken daarover hebben niet voorkomen dat er in 2026 toch weer een vergelijkbaar signaal over verweerster is ontvangen. Zij heeft zittingen gemist en cliënten niet altijd gesproken. Uit het kantooronderzoek blijkt dat de schriftelijke vastlegging ernstig tekortschiet. Verweerster staat onvoldoende open voor reflectie. Gelet op het hardnekkige karakter, de eerst en aard van het gedrag en het tuchtrechtelijk verleden van verweerster, volgt een schorsing van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde een coachingstraject. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 oktober 2026 in de zaak 26-309/DH/DH/D naar aanleiding van de klacht van:
de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
de deken
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 april 2026 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) een dekenbezwaar ingediend over verweerster.
1.2 Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 31 augustus 2026.
Daarbij waren de deken, met haar stafjurist mr. T.R. de Boer, en verweerster aanwezig.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van het dekenbezwaar (met bijlagen), het verweerschrift
(met bijlage) van 26 mei 2026, de brief (met bijlage) van de deken van 31 juli 2026
en de e-mail (met bijlage) van verweerster van 19 augustus 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van het dekenbezwaar gaat de raad, gelet op het dossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerster is sinds 2001 advocaat. Haar praktijk bestaat uit zaken op het
gebied van familierecht, strafrecht, Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
en Wet zorg en dwang (Wzd).
Tuchtrechtelijke voorgeschiedenis
2.3 Op 12 augustus 2019 heeft de raad aan verweerster een waarschuwing opgelegd
voor het spreken met twee (minderjarige) kinderen zonder voorafgaande toestemming
van en overleg met (de advocaat van) de moeder (ECLI:NL:TADRSGR:2019:173).
2.4 Op 16 maart 2020 heeft de raad aan verweerster een berisping opgelegd (ECLI:NL:TADRSGR:2020:61),
onder meer omdat zij cruciale informatie achterwege had gelaten bij de aanvraag van
een toevoeging voor een cliënte, waarbij de fout is veroorzaakt door een gebrek aan
kennis bij verweerster over de toepasselijke wet- en regelgeving. De raad heeft overwogen
dat verweerster daardoor niet alleen haar cliënte heeft benadeeld, maar dat zij ook
de kernwaarde deskundigheid heeft geschonden. Ook ligt aan de berisping ten grondslag
dat verweerster haar cliënte niet in de PI heeft bezocht en nooit persoonlijk kennis
met haar heeft gemaakt, dat zij de afspraken over de betaling van de zaak met de echtgenoot
van haar cliënte (en niet met cliënte) heeft gemaakt, dat zij de afspraken vervolgens
ook niet schriftelijk aan haar cliënte kenbaar heeft gemaakt, dat zij aan haar cliënte
geen schriftelijke analyse van de zaak heeft verstrekt en dat zij haar cliënte niet
schriftelijk heeft geadviseerd over de goede en de kwade kansen van de zaak. De raad
heeft overwogen dat dit alles een zorgelijk beeld geeft over de handelwijze van verweerster.
2.5 Op 6 april 2020 heeft de raad een voorwaardelijke schorsing (met bijzondere
voorwaarde) aan verweerster opgelegd (ECLI:NLTADRSGR:2020:79) voor het door verweerster
op haar website plaatsen van negatieve uitlatingen over een deurwaarder, op een wijze
waardoor de identiteit van de deurwaarder achterhaald kon worden, terwijl de uitlatingen
bovendien onvoldoende feitelijke grondslag hadden.
Klachten
2.6 In de afgelopen jaren heeft de deken (daarnaast) meerdere klachten en signalen
ontvangen over het handelen c.q. de dienstverlening van verweerster.
2.7 Op 4 november 2019 heeft mevrouw A een klacht ingediend tegen verweerster
(bij de Orde bekend als K219 2019). Bij brief van 14 mei 2020 heeft de (voormalig)
deken zijn visie op de klacht gegeven, waaruit volgt dat verweerster heeft gesteld
dat zij mevrouw A over bepaalde zaken heeft geïnformeerd, maar dat zij daarover niets
schriftelijk heeft vastgelegd. Deze klacht is niet voorgelegd aan de raad.
2.8 Op 19 augustus 2022 heeft de heer T een klacht ingediend tegen verweerster
(bij de Orde bekend als K182 2022). Bij brief van 20 juni 2023 heeft de deken haar
visie op de klacht gegeven, waaruit volgt dat verweerster heeft gesteld dat het door
haar ingediende verzoek de letterlijke tekst van de cliënt is geweest. De raad heeft
geen oordeel gegeven over deze klacht, omdat de heer T en verweerster de zaak in der
minne hebben geschikt.
Signaal rechtbank 2024
2.9 In 2024 heeft de deken een signaal van de rechtbank gekregen over de bereikbaarheid
en deskundigheid van verweerster. Op 7 mei 2024 heeft de deken daarover een gesprek
gehad met verweerster. Verweerster gaf aan zich niet te herkennen in het signaal.
2.10 Op 20 augustus 2024 heeft nogmaals een gesprek plaatsgevonden tussen de
deken, vergezeld van haar stafjurist, en verweerster, over de toonzetting van verweerster
in de contacten met de Orde en haar cliënten. In dit gesprek is onder meer besproken
dat slachtofferhulp had aangegeven dat verweerster niet goed bereikbaar was. Verweerster
heeft aangegeven dat zij zich hier absoluut niet in kon vinden, dat haar waarneming
goed was geregeld, dat zij gewoon per e-mail bereikbaar was en dat zij via WhatsApp
contact met haar vervangers heeft gehad. Verweerster heeft in het gesprek aangegeven
dat zij het contact met de Orde juist altijd als onaangenaam en beschuldigend ervaart.
De deken heeft verweerster erop gewezen dat haar wijze van communiceren zal moeten
veranderen, omdat haar toonzetting onaangenaam is. De deken heeft daarbij gerefereerd
aan een e-mail van verweerster aan haar cliënte, die de deken zeer onaangenaam acht
(zie hierna). De deken geeft aan dat verweerster na afloop van het gesprek is vertrokken
zonder een hand te geven of iets te zeggen.
2.11 De mail waar de deken aan refereert betreft een e-mail van 5 juni 2024 van
verweerster, waarin staat:
“Ik begrijp dat je naar de orde hebt gebeld en hebt gezegd dat ik niet bereikbaar
ben? Klopt dat? Als ik de dagvaarding niet heb kan ik niet meteen voor vervanging
zorgen, begrijpt je dat? Ik heb mr. […] gevraagd om de dagvaarding via de mail te
versturen aan mij, maar dat heeft hij niet gedaan. Pas na bemiddeling van de orde
heeft hij de stukken 1 uur geleden aan mij verstuurd. Ik wil wel dat je bij de orde
van advocaten rectificeert dat ik niet bereikbaar ben, terwijl ik al je mails heb
beantwoord.”
De cliënt heeft diezelfde dag aan verweerster laten weten dat niet zij, maar slachtofferhulp
de Orde had ingeschakeld en dat zij niet weet wat er is besproken.
Signaal rechtbank 2025
2.12 In oktober 2025 heeft de deken opnieuw een signaal van de rechtbank Den
Haag ontvangen over verweerster. De rechtbank heeft zorgen geuit over de bijstand
van verweerster aan de overwegend kwetsbare cliënten in zorgrechtzaken. Bij de rechtbank
bestaat het beeld dat verweerster haar cliënten voor de zitting niet (altijd) spreekt.
Ook werd gesignaleerd dat verweerster wederom niet was verschenen op zitting. Het
betrof een zitting op een maandag die de vrijdag ervoor was gepland. De rechtbank
heeft in het signaal een voorbeeld genoemd waarin verweerster een zaak had overgenomen,
maar dat zij dit vervolgens was vergeten en ook geen contact heeft gehad met haar
cliënt. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat het niet de eerste keer is dat verweerster
niet op zitting is verschenen. Ook ervaart de rechtbank het contact van verweerster
met de administratie als “uitermate onvriendelijk”.
2.13 Naar aanleiding van dit signaal is verweerster uitgenodigd voor een gesprek
op het Ordebureau op 15 december 2025, met mrs. Van Gorkum en Van der Eerden (portfeuillehouders
voor Familie- en Jeugdrecht en Wvggz). In het gespreksverslag is onder meer het volgende
opgenomen:
“Verweerster herkent zich niet in het signaal dat zij cliënt(en) niet altijd voor
de zitting heeft gesproken. Met uitzondering van één keer, spreekt zij cliënten altijd
voorafgaand aan de zitting. Verweerster begrijpt niet waar dit vandaag komt en zou
graag zien op welke specifieke zaken het betrekking heeft. Afgesproken is dat verweerster
haar best gaat doen om dit beeld bij de rechtbank weg te nemen door alle cliënten
te bezoeken en richting de rechtbank te benoemen wanneer zij haar cliënt heeft bezocht.
Verweerster erkent dat het drie keer is voorgekomen dat zij niet ter zitting is
verschenen. Het missen van zittingen hield verband met een zeer drukke periode in
verweersters leven en het onvoldoende tijdig controleren van e-mail. Het is voorgekomen
dat verweerster op maandagochtend haar e-mail controleerde terwijl op vrijdag een
zitting voor de maandag aan haar was doorgegeven. In het gesprek zijn de zorgen hierover
uitgesproken, zeker nu het gaat om een zeer kwetsbare groep mensen. Ook is aangegeven
dat een dergelijk signaal eerder is besproken en al bij een volgend signaal een kantooronderzoek
zal volgen. Verweerster heeft benadrukt dat het missen van zittingen niet meer voor
zal komen.
Verweerster herkent zich niet in het signaal dat zij onvriendelijk zou zijn in het
contact met de rechtbank. Zij vindt dat het contact met de administratie goed verloopt.
Wel is een medewerker van de rechtbank in het verleden zeer onbeleefd naar verweerster
geweest.”
Signaal rechtbank 2026
2.14 Eind februari 2026 heeft de deken opnieuw een signaal ontvangen van de rechtbank
Den Haag. Aanleiding voor het signaal was een zitting van 20 februari 2026, met de
toevoeging dat er ook “een aantal eerdere ervaringen met [verweerster]” was. Uit het
signaal werd duidelijk dat verweerster niet was verschenen op een zitting, terwijl
haar (kwetsbare) cliënt wel aanwezig was. Deze cliënt gaf aan dat hij verweerster
na de laatste zitting niet meer had gesproken. Deze zitting betrof een zorgmachtiging
voor een jaar, wat betekent dat verweerster haar cliënt al een jaar niet had gesproken.
De cliënt heeft ook aangegeven dat de zitting van 20 februari 2026 niet was voorbesproken
met verweerster.
In het signaal werd herhaald dat het niet de eerste keer is dat verweerster niet
op zittingen is verschenen. De rechter die het signaal heeft gegeven heeft een ambulante
zitting met verweerster gehad. Deze zitting zou eigenlijk op een eerder moment plaatsvinden,
maar werd destijds aangehouden, omdat verweerster niet was verschenen en niet telefonisch
bereikbaar was.
De rechtbank heeft verder haar zorgen geuit over het feit dat verweerster tijdens
een ambulante zitting continu op haar telefoon aan het kijken was en dat zij dat in
andere zaken ook heeft gedaan. Ook zou verweerster regelmatig te laat komen en dus
niet de tijd nemen om een zitting met haar cliënten voor te bespreken. In het signaal
werd geschreven dat wanneer de rechtbank verweerster hierop probeert te wijzen, zij
niet aanspreekbaar is, arrogant reageert en haar gedrag onveranderd blijft voortzetten.
In het signaal wordt opgemerkt dat andere collega’s van de rechtbank soortgelijke
ervaringen hebben met verweerster. Daarom geeft de rechtbank aan dat er sprake lijkt
te zijn van een patroon.
Kantoorbezoek 5 maart 2026
2.15 Naar aanleiding van dit laatste signaal heeft de deken, samen met een stafjurist,
verweersters kantoor bezocht op 5 maart 2026. Tijdens het bezoek is het signaal van
de rechtbank besproken. Verweerster heeft aangegeven dat zij 20 februari 2026 als
verhinderdatum had doorgegeven, in verband met een geplande medische ingreep. De deken
noemt het opvallend dat in de oproep voor de zitting niet is vermeld dat verhinderdata
van verweerster zijn gezien en/of ontvangen, noch dat daarmee rekening is gehouden.
De deken heeft niets aangetroffen waaruit blijkt dat verweerster haar verhinderdata
heeft doorgegeven voor de zitting. De deken kon ook niet vaststellen dat verweerster
haar cliënt had gesproken voorafgaand aan de zitting of dat zij haar cliënt überhaupt
op de hoogte had gesteld van de zitting van 20 februari 2026.
2.16 Tijdens het kantoorbezoek heeft de deken tien dossiers ingezien. Hierover
heeft de deken het volgende uitgewerkt:
“1. Dossier 1. de heer H.
Bovengenoemd dossier betreft een Wzd-zaak (Wet Zorg en Dwang). Er heeft een thuiszitting
plaatsgevonden. [Verweerster] heeft aangegeven dat haar cliënt de Nederlandse taal
niet machtig is en dat zij daarom niet zomaar kan langsgaan. [Verweerster] licht toe
dat zij hierover contact heeft gehad met de begeleider. Ik heb [verweerster] daarom
gevraagd hoe dit te herleiden is uit het dossier. [Verweerster] antwoordde dat zij
geen aantekeningen maakt en dat dat de werkwijze is die zij hanteert.
2. Tijdens de inzage in het dossier viel het mij op dat het verzoek voor het verlenen
van een rechterlijke machtiging op 28 januari 2026 is binnengekomen, dat cliënt thuis
woont en dat de communicatie met cliënt in het Nederlands plaatsvindt. Ook trof ik
een telefoonnummer van cliënt en de naam en het telefoonnummer van de partner van
cliënt. De naam van de begeleider stond – voor zover ik kon inzien – niet genoteerd
in het dossier. [Verweerster] heeft toegelicht dat de begeleider heeft aangegeven
dat er een tolk moest komen. Voor zover [verweerster] zich kon herinneren, was deze
tolk ook aanwezig op zitting.
3. Verder is gebleken dat [verweerster] haar cliënt geen briefje heeft gestuurd
met de mededeling dat er een verzoek was ontvangen, dat het wenselijk is om voor de
zitting het verzoek te bespreken en [verweerster] dan ook graag verneemt wanneer of
hoe zij met hem in contact kan komen.
4. Voorts is gebleken dat cliënt uiteindelijk is bijgestaan door de waarnemer van
[verweerster], namelijk mr. [K]. Dat er contact is opgenomen met de familie van cliënt
door [verweerster] of mr. [K], kon op basis van het dossier niet worden vastgesteld.
5. Dossier 2: de heer M.
Dit betreft een Wvggz-zaak met een crisismaatregel. In het dossier heb ik een bericht
aangetroffen van 2 januari 2026 dat de zaak op 5 januari 2026 op zitting kwam bij
Leidschendam GGZ. Echter, uit het dossier kon niet worden afgeleid wanneer de piketmelding
is binnengekomen, noch dat cliënt is bezocht. Er zijn geen (gespreks)aantekeningen
gemaakt, ook niet van het piketbezoek.
6. [Verweerster] is erop geattendeerd dat het noodzakelijk is om cliënten vooraf
te bezoeken, omdat het van belang is om bijvoorbeeld de medische verklaring te checken,
telefoonnummer(s) van familie krijgen voor achtergrondinformatie en te weten of cliënt
in een separeer zit of niet. In reactie hierop heeft [verweerster] herhaald dat zij
geen aantekeningen maakt. Zij geeft aan dit niet zo geleerd te hebben en dat het haar
nooit verteld is dat zij aantekeningen dient te maken. Voorts licht [verweerster]
toe haar cliënten altijd kort voor de zitting te bezoeken en dat zij – “als de deken
dat zegt” – “best” aantekeningen wil maken.
7. Dossier 3: de heer W.
In onderhavig dossier is op 5 maart 2026 een verzoekschrift voor het verlenen van
een zorgmachtiging ontvangen. De zorgmachtiging is een jaar geldig en loopt tot en
met 4 april 2026.
8. Omdat dit niet uit het dossier blijkt, heb ik [verweerster] gevraagd wat de gebruikelijke
stappen zijn die worden gezet wanneer een dergelijk verzoek wordt ontvangen. [Verweerster]
heeft aangegeven dat zij kijkt of ze informatie kan vinden en vervolgens haar cliënt
belt. Zij vraagt telefonisch hoe het gaat en bespreekt dan gelijk de zaak. [Verweerster]
heeft ook bij de inzage in dit dossier herhaalt dat zij geen aantekeningen maakt.
9. [Verweerster] is gevraagd wat er gebeurt wanneer haar cliënt aangeeft dat hij/zij
het op zitting aan wil laten komen en hoe zij zich dan voorbereidt op de zitting als
er geen aantekeningen worden gemaakt. [Verweerster] heeft hierop aangegeven dat als
ze cliënt heeft gesproken, dan “weet” ze “wat cliënt wil”. (…)
11. Dossier 4: de heer R.
Bovenstaand dossier betreft wederom een Wvggz-zaak. Ik heb [verweerster] gevraagd
of ik ergens uit kon opmaken dat zij de zaak heeft besproken met de cliënt. [Verweerster]
heeft ontkennend geantwoord en stelt de cliënt wel gebeld te hebben. Echter, hiervan
zijn geen aantekeningen gemaakt.
12. Dossier 5: de heer P.
In bovengenoemde Wvggz-zaak heeft [verweerster] aangegeven dat zij de heer P. de
dag voor de zitting heeft bezocht, maar niet op de dag zelf. De zitting vond plaats
op 23 december 2025. In het dossier is een declaratieformulier aangetroffen waarop
is geschreven dat [verweerster] cliënt op 19 december 2025 heeft bezocht. Deze data
corresponderen dus niet met elkaar.
13. Dossier 6: mevrouw E.
De zaak van mevrouw E. betrof de voortzetting van een crisismaatregel. Op 9 februari
2026 is een beschikking gegeven. Enige aantekeningen of (proces-)stukken van [verweerster]
zijn niet in het dossier aangetroffen.
14. Dossier 7: de heer U.
[Verweerster] heeft de heer U. bijgestaan inzake een verzoek om een rechterlijke
machtiging van 2 november 2025. In het dossier zit een stuk waarin wordt aangegeven
dat de zitting op 11 februari 2026 wordt voortgezet. Uit het proces verbaal van de
eerste zitting blijkt dat de huisarts bij cliënt langs is geweest om deze te informeren.
[Verweerster] heeft hierover geen brief aan cliënt gestuurd. Deze zaak is later overgedragen
aan een andere advocaat. Dit schijnt telefonisch te zijn besproken.
15. Dossier 8: mevrouw N.
Bovengenoemd dossier betrof een advies in het kader van een omgang- en gezagsregeling.
In dit dossier is enkel een kopie van het intakegesprek aangetroffen. [Verweerster]
heeft mevrouw N. eerder bijgestaan inzake een echtscheiding, maar heeft de zaak niet
verder behandeld. De mail waarin dit is medegedeeld aan cliënt kon [verweerster] tijdens
het kantoorbezoek niet terugvinden.
16. [Verweerster] heeft desgevraagd aangegeven dat zij nooit de urenspecificaties
meestuurt indien minder dan vijf à zes uur aan de zaak is besteed. Indien de Raad
voor Rechtsbijstand daar om vraagt, stuurt zij de urenspecificatie wel. Ik heb [verweerster]
gevraagd waaruit kan worden opgemaakt dat sprake is van advieswerkzaamheden. Naast
het intakeformulier en een e-mail van cliënte dat cliënte op zoek gaat naar “verder
bewijs” kon [verweerster] geen mail of andere schriftelijke vastlegging terugvinden.
In dit dossier ontbrak eveneens een afsluitbrief.
17. Dossier 9: mevrouw N.
Dit betreft een familiezaak die eveneens besproken is tijdens een eerder signaalgesprek
met [verweerster] d.d. 7 mei 2024. (…)
18. In het dossier is geen opdrachtbevestiging aangetroffen. Er is verweer gevoerd
in de bodemprocedure. Echter, uit een beschikking d.d. 19 maart 2024 is gebleken dat
het verweer pas de avond voor de zitting (om 20:29 uur) is ingediend door [verweerster],
zodat dit buiten beschouwing is gelaten door de rechtbank. Cliënte heeft uiteindelijk
mondeling verweer mogen voeren. De gespreksaantekeningen tussen cliënte en [verweerster]
kon [verweerster] niet vinden.
19. [Verweerster] heeft cliënte geen brief gestuurd waarin zij heeft gewezen op
de mogelijkheid van hoger beroep en de hoger beroepstermijn. Ik heb geconstateerd
dat de beschikking zonder enige toelichting is gestuurd naar cliënte.
20. Op 18 juni 2024 is hoger beroep ingesteld, maar enige vastlegging dat het hoger
beroep is besproken met cliënte ontbrak.
21. Er is geen afsluitbrief gestuurd met een bewaartermijn, omdat [verweerster]
“de cliënt nog heeft”. Deze zaak is nog niet gedeclareerd en er is wederom geen urenspecificatie
opgemaakt. [Verweerster] heeft opgemerkt dat zij de cliënt niet op de hoogte houdt
van het aantal uren dat zij aan een zaak heeft besteed, ook niet in het geval van
een toevoeging. Dit ondanks dat zij hiertoe wel verplicht is op grond van gedragsregel
17.
22. Dossier 10: mevrouw T.M.
[Verweerster] heeft mevrouw T. bijgestaan in een kinderalimentatiezaak uit 2024.
Uit de beschikking die in het dossier zat, kon niet worden opgemaakt hoe [verweerster]
de behoefte van cliënte in die procedure heeft onderbouwd. In dit dossier zijn ook
geen gegevens omtrent het intakegesprek, een opdrachtbevestiging, een brief aan de
wederpartij dat er een verzoek wordt ingediend of een urenspecificatie aangetroffen.”
2.17 Na de inzage van de dossiers heeft de stafjurist verweerster erop geattendeerd
dat haar website niet conform de geldende regelgeving is. Zo ontbreekt de informatie
over de waarneming, de beroepsaansprakelijkheidsverzekering, zijn de rechtsgebieden
niet conform het model van de NOvA gepubliceerd en ontbreekt de klachtenregeling.
Verweerster heeft hierop gereageerd met de opmerking dat zij niet inziet waarom zij
haar website zou moeten aanpassen omdat zij dergelijke informatie ook niet op de websites
van collega’s ziet. Verweerster heeft verder aangegeven dat zij haar website best
wil aanpassen als de deken dat graag wil. Bij brief van 27 maart 2026 is verweerster
in de gelegenheid gesteld om de genoemde gebreken uiterlijk op 24 april 2026 te herstellen.
Deze termijn liep nog op het moment dat het dekenbezwaar werd ingediend.
2.18 Na afloop van het kantoorbezoek heeft de stafjurist verweerster nog verzocht
om een overzicht van haar strafzaken. Dit bleken vier zaken te zijn. Op 18 maart 2026
heeft de deken een fysieke kopie van deze dossiers ontvangen, terwijl de afspraak
was dat deze uiterlijk 17 maart 2026 voor 12:00 uur fysiek zouden worden aangeleverd
en verweerster op 17 maart 2026 om 13:04 uur liet weten dat ze de dossiers de volgende
dag zou bezorgen.
Over de strafdossiers heeft de deken het volgende uitgewerkt:
“2. De heer N.
De heer N. is minderjarig. Uit de stukken leid ik af dat [verweerster] heeft opgetreden
als piketadvocaat. De piketmelding zelf ontbreekt.
3. Uit de stukken leid ik eveneens af dat [verweerster] aanwezig was tijdens een
politieverhoor d.d. 9 augustus 2025. Echter, hierover zijn geen aantekeningen aangetroffen.
Op 17 oktober 2025 heeft cliënt een oproep gekregen voor een OM hoorzitting d.d. 18
november 2025. Uit het dossier kan niet worden afgeleid of [verweerster] aanwezig
was bij deze zitting, noch of zij überhaupt contact heeft gehad omtrent de OM-hoorzitting
met cliënt. De zaak is uiteindelijk voorwaardelijk geseponeerd, maar een (afsluit)brief
aan cliënt ontbreekt.
4. Van [verweerster] had mogen worden verwacht dat zij de zaak – waaronder de voor-
en nadelen van een OM-hoorzitting – zou bespreken met cliënt en dat zij dit ook schriftelijk
vastlegt. Dit te meer nu de cliënt minderjarig is. Echter, dat zij hieraan heeft voldaan
is op geen enkele wijze gebleken.
5. De heer M.
[Verweerster] is de piketadvocaat van de heer M. Cliënt is minderjarig. De piketmelding
zit niet in het dossier. De heer M. is op 19 februari 2026 opgeroepen om op 11 mei
a.s. te verschijnen voor de rechter. Bij brief van 10 maart 2026 (dus na het kantoorbezoek)
is cliënt uitgenodigd op 4 mei a.s. op kantoor ter bespreking van de zitting.
6. Uit de stukken maak ik op dat [verweerster] aanwezig was bij een politieverhoor
d.d. 23 december 2025. Van dit verhoor zijn geen aantekeningen aangetroffen.
7. Op basis van het dossier kan ik niet afleiden dat er contact is geweest tussen
[verweerster] en cliënt in de periode van eind december tot de brief van 10 maart
2026. Dat er enig contact met de Officier van Justitie, familie of andere betrokken
partijen is geweest kan ook niet worden afgeleid uit het dossier.
8. De heer E.
In het dossier is een oproeping van 29 september 2025 aangetroffen voor een OM hoorzitting
op 30 december 2025. De piketmelding ontbreekt wederom.
9. In het dossier is enkel een e-mail van 13 november 2025 van [verweerster] aan
KCC (Arrondissementsparket Den Haag) aangetroffen met het verzoek om de aanwezigheid
van een tolk tijdens de OM-hoorzitting die de Syrisch-Arabische taal spreekt. Er is
geen correspondentie aangetroffen tussen [verweerster] en cliënt. Er is geen bericht
van [verweerster] aan de cliënt aangetroffen waarin [verweerster] cliënt geïnformeerd
heeft over de OM-hoorzitting, noch waarin cliënt wordt uitgenodigd om de zaak te bespreken.
Enige andere correspondentie of aantekeningen – op de e-mail van 13 november 2025
na – zijn niet aangetroffen.
10. De heer O.
Uit een proces-verbaal van inverzekeringstelling van de politie maak ik op dat [verweerster]
via een piketmelding bij de heer O. is gekomen. De piketmelding zelf ontbreekt.
11. De politierechter heeft d.d. 9 september 2025 een mondeling vonnis uitgebracht.
Er is hierna geen (afsluit)brief naar de heer O. gestuurd. Enige correspondentie tussen
cliënt of een andere partij (zoals de Officier van Justitie) met [verweerster] is
niet aangetroffen. Er zijn geen (persoonlijke) aantekeningen over cliënt aangetroffen,
noch een piketmelding.”
3 BEZWAAR
3.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken noemt
concreet het volgende:
a) Behoorlijke kantoororganisatie: verweerster voldoet niet aan haar verplichtingen
om informatie en afspraken vast te leggen. Opdrachtbevestigingen, gespreksverslagen
of voortgangsberichten zijn niet of onvoldoende aanwezig. Uit de dossiers blijkt op
geen enkele wijze dat verweerster haar cliënten schriftelijk heeft geïnformeerd of
dat zij de zaken met haar cliënten heeft besproken. Verweerster legt afspraken en
belangrijke informatie niet vast en maakt eveneens geen aantekeningen. Verder kan
niet worden vastgesteld dat verweerster kennismaakt met cliënten, dan wel afspreekt
voorafgaand aan zittingen. De dienstverlening van verweerster in de dossiers die de
deken heeft ingezien voldoet niet aan de in redelijkheid te stellen eisen. Verweerster
voldoet sinds 2019 niet aan haar verplichtingen op grond van gedragsregel 16, gelet
op de ontvangen klachten en signalen.
Verweerster heeft bovendien meermalen zittingen gemist. Zij heeft geen waarneming
geregeld voor haar vrije (vrij)dag, terwijl de vrijdag (ook) een dag is waarop oproepingen
voor zittingen worden gestuurd. Overigens is het de vraag in hoeverre waarneming mogelijk
is, gelet op de gebrekkige kantoororganisatie.
b) Gedragsregel 17: verweerster informeert haar cliënten niet tussentijds en
stuurt alleen een urenspecificatie naar de Raad voor Rechtsbijstand indient dit hoger
is dan vijf à zes uur. Bovendien heeft verweerster gesteld dat zij haar cliënten niet
op de hoogte houdt van het aantal uren dat zij aan een zaak heeft besteed, ook niet
in het geval van een toevoeging. Verweerster voldoet daarmee niet aan haar verplichtingen
op grond van gedragsregel 17.
c) Toonzetting: de rechtbank en het bureau van de Orde ervaren een onaangename
toonzetting van verweerster. Wanneer zij wordt aangesproken op haar gedrag, reageert
verweerster zeer verontwaardigd en geeft zij aan zich hier absoluut niet in te kennen.
Er lijkt geen sprake te zijn van enige vorm van zelfreflectie. De deken vraagt zich
af in hoeverre verweerster haar verantwoordelijkheden in haar hoedanigheid als advocaat
serieus neemt.
d) Voda: verweerster voldoet niet aan haar verplichtingen op grond van de artikelen
7.4, 7.5 en 7.11, tweede lid, van de Voda, nu zij geen kantoorklachtenregeling deelt,
haar wijze van waarneming niet deelt, geen opdrachtbevestiging opstelt, geen informatie
deelt over haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering en haar inschrijving op het rechtsgebiedenregister.
3.2 De deken stelt dat verweerster meermaals is aangesproken naar aanleiding
van de klachten en signalen, maar dat nog geen enkele vorm van verbetering is gebleken.
De deken maakt zich, na bestudering van de dossiers en de antwoorden van verweerster,
ernstig zorgen om de bijstand van verweerster aan haar cliënten, te meer nu de bijstand
in Wvggz-zaken een groep (extra) kwetsbare cliënten betreft. De reactie van verweerster
dat als de deken dat wil zij wel een notitie zal maken, miskent dat een goede verslaglegging
bijdraagt aan een kwalitatief goede bijstand. Het voorgaande betekent ook dat het
voor een vervanger van verweerster onmogelijk is om haar praktijk waar te nemen op
het moment dat verweerster daar niet toe in staat is. Het is volstrekt onduidelijk
wat de stand van zaken in dossiers is vanwege het gebrek aan schriftelijke vastlegging.
De deken acht het noodzakelijk dat verweerster zich op korte termijn laat bijstaan
door een coach op het gebied van advocatuurlijke administratie en kantooradministratie
(zoals dossiervoering, schriftelijke vastlegging en soortgelijk).
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen het bezwaar verweer gevoerd. Zij betwist dat sprake
is van een structureel patroon van ontoereikende praktijkvoering. Het door de deken
gepresenteerde beeld is te algemeen, onvoldoende geconcretiseerd en doet onvoldoende
recht aan de feitelijke gang van zaken, de context van de betreffende dossiers en
de inmiddels doorgevoerde verbeteringen in verweersters praktijkvoering. Verweerster
heeft de verbeterpunten in haar dossiervorming en administratieve vastlegging serieus
genomen en daarop inmiddels concrete aanpassingen doorgevoerd. De verstrekkende conclusies
van de deken, dat verweerster structureel cliënten niet spreekt, dossiers onvoldoende
behandelt of onprofessioneel communiceert, zijn niet juist.
4.2 Verweerster stelt dat de deken de verwijten voldoende concreet moet maken;
op welke zaak, datum cliënt, medewerker of rechter ziet het precies? Zonder die concretisering
wordt een behoorlijke verdediging bemoeilijkt. Verweerster stelt dat dit in het bijzonder
geldt voor de verwijten dat zij cliënten niet voorafgaand aan de zitting zou spreken,
dat zij regelmatig te laat zou komen, onvriendelijk zou zijn geweest tegenover de
administratie, griffie of rechter en dat zij arrogant of niet aanspreekbaar zou zijn
geweest. Verweerster verzoekt de raad om niet geconcretiseerde verwijten terughoudend
te waarderen dan wel buiten beschouwing te laten.
4.3 Uit het ontbreken van een afzonderlijke schriftelijke notitie in een dossier
mag niet zonder meer worden afgeleid dat het onderliggende contact niet heeft plaatsgevonden.
Verweerster stelt dat zij haar cliënten altijd spreekt voor de zitting. Dat zij niet
steeds afzonderlijke gespreksaantekeningen heeft gemaakt, betekent niet dat die gesprekken
niet hebben plaatsgevonden. Verweersters werkwijze was in dit type zaken praktischer
en minder schriftelijk dan thans.
4.4 Verweerster ontkent niet dat het is voorgekomen dat zij niet op een zitting
is verschenen. Er is echter geen sprake van een structureel patroon. Een belangrijk
deel van die problematiek hing samen met het feit dat de zittingen op vrijdagmiddag
werden aangekondigd, terwijl de behandeling al op maandag plaatsvond. Dit terwijl
vrijdag voor verweerster geen gewone kantoordag is. Eén zaak betrof een overgenomen
zitting die verweerster door drukte heeft gemist. Het missen van een zitting vormt
op zichzelf ook geen bewijs voor de stelling dat verweerster haar cliënten niet spreekt.
Dat geldt in het bijzonder voor de zitting in februari 2026: de laatste operatie van
verweerster vond plaats op een donderdag in februari 2026. Op de vrijdag werd vervolgens
een zitting gepland voor de daaropvolgende maandag. Door die samenloop van omstandigheden
– een concrete medische situatie in combinatie met een uiterst korte oproepingstermijn
– heeft verweerster de zitting gemist. Verweerster stelt dat haar persoonlijke (medische)
situatie moet worden meegewogen bij de beoordeling. Zij heeft in 2025 acht operaties
ondergaan en de laatste operatie in februari 2026.
4.5 Verweerster herkent zich niet in het verwijt dat zij uitermate onvriendelijk
zou zijn tegenover de administratie van de rechtbank of de griffie. Zij herkent zich
evenmin in de kwalificatie dat zij arrogant of niet aanspreekbaar zou zijn. Verweerster
betwist dat zij regelmatig te laat zou komen op zittingen. Verweerster kan niet plaatsen
op welke concrete uitlatingen, data of contacten dit gebaseerd zou zijn. Verweerster
verzoekt ook hier om deze verwijten voldoende concreet te maken.
4.6 Verweerster heeft toegelicht dat zij tijdens ambulante zittingen werkt en
dossiers digitaal raadpleegt via haar telefoon. Inmiddels doet zij dat via haar iPad,
waarmee het voor derden duidelijk zichtbaar is dat zij haar dossiers gebruikt. Verweerster
maakt in bepaalde soorten zaken, met name in Wvggz-, Wzd- en eenvoudige strafzaken,
niet steeds afzonderlijke gespreksaantekeningen. Zij onderkent dat schriftelijke vastlegging
behulpzaam is en heeft haar praktijk daarop aangepast. Zij maakt nu wel gespreksaantekeningen.
Het ontbreken van aantekeningen in het dossier betekent niet dat gesprekken niet hebben
plaatsgevonden. Zij ziet inmiddels in dat het beter en duidelijker is om, naast het
door haar gebruikte intakeformulier, een afzonderlijke opdrachtbevestiging te gebruiken.
Ook verstuurt zij inmiddels nadrukkelijker een schriftelijke eindbevestiging of afsluitbrief.
4.7 Verweerster heeft haar website inmiddels aangepast. Voor zover het dekenbezwaar
op dit punt wordt gehandhaafd, zijn de genoemde gebreken hersteld.
4.8 Verweerster verzoekt het dekenbezwaar ongegrond te verklaren, althans zwaar
te laten meewegen dat zij de kernverwijten gemotiveerd betwist, dat veel verwijten
onvoldoende concreet zijn uitgewerkt en dat zij inmiddels aantoonbare verbetermaatregelen
heeft doorgevoerd.
4.9 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in
de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
5.2 De raad neemt bij de beoordeling van het dekenbezwaar verder als uitgangspunt
dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak
heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd.
Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die
de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met
de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan.
Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat
als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met
zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep
als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen
met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat
in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari
2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans
van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De
cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen
zijn en wat het kostenrisico is.
5.3 Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels, maar
dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet
ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met
de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat
zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken.
Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil,
schriftelijk aan de cliënt bevestigen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico
daaromtrent op hem of haar te rusten. Van een advocaat mag verder worden verwacht
dat hij of zij duidelijkheid verschaft over de afhandeling van de zaak en op zittingen
aanwezig is.
Kantoororganisatie en praktijkvoering
5.4 Het zwaartepunt van het dekenbezwaar ligt bij verweersters kantoororganisatie
en praktijkvoering. De raad stelt vast dat de rechtbank reden heeft gezien om zowel
in 2024, als in 2025 en in 2026 een signaal over verweerster af te geven. Dat geeft
te denken, omdat de rechtbank niet zomaar overgaat tot het afgeven van een signaal
over een advocaat aan de deken. Hoewel verweerster de signalen (te) weinig concreet
vindt en nadere concretisering wenst, blijkt uit haar verweer en ook ter zitting dat
zij in ieder geval een deel van de signalen wel kan herleiden tot een concrete zitting
of zaak. Verweerster heeft erkend dat zij een zaak had overgenomen en vervolgens de
zitting had gemist (signaal 2025). Ook heeft zij erkend dat zij de zitting van 20
februari 2026 heeft gemist (signaal 2026). De raad is van oordeel dat de signalen
voldoende concreet zijn en moeten worden gewogen in het licht van (de bevindingen
van) het kantoorbezoek dat naar aanleiding van de signalen heeft plaatsgevonden.
5.5 Dat kantoorbezoek bevestigt naar het oordeel van de raad de signalen over
verweersters praktijkvoering. Uit de dossiers die de deken heeft ingezien blijkt niet
dat verweerster haar cliënten heeft bezocht en/of gesproken. De dossiers die de deken
heeft ingezien voldoen – stuk voor stuk – niet aan de professionele standaard. Opdrachtbevestigingen,
gespreksaantekeningen, afsluitbrieven, eigenlijk alle schriftelijke vastlegging ontbreekt.
Dat geldt niet alleen voor de kortlopende (zorg)zaken, maar ook voor de familiezaken
die de deken heeft ingezien (dossiers 8, 9 en 10). Zelfs in een zaak waarin verweerster
de cliënt in eerste aanleg en in hoger beroep heeft bijstaan (zaak 9) ontbreekt (vrijwel)
alle schriftelijke vastlegging. Ook blijkt daaruit dat verweerster het verweer de
avond voor de zitting heeft ingediend, dat vervolgens om die reden door de rechtbank
buiten beschouwing is gelaten.
5.6 Verweerster zag aanvankelijk het nut van schriftelijke vastlegging niet in.
Het ‘was haar nooit geleerd’ en zij wilde dat wel doen ‘als de deken dat nodig vindt’.
Die nonchalante houding baart de raad zorgen. Verweerster is immers al in 2020 door
de raad aangesproken en berispt voor het gebrek aan schriftelijke vastlegging. Daar
heeft ze kennelijk geen lering uit getrokken. Pas na de indiening van het dekenbezwaar
erkent verweerster dat de vastlegging beter moet. Verweerster is dan ook op het punt
van de schriftelijke vastlegging ernstig tekort geschoten. Zij handelt al langere
tijd in strijd met gedragsregel 16. Dat zij inmiddels verbeteringen heeft doorgevoerd
(hetgeen overigens alleen volgt uit haar mededelingen), maakt dat niet anders. Verweerster
doet daarmee haar cliënten tekort en maakt het een eventuele waarnemer onmogelijk
haar praktijk waar te nemen.
5.7 De raad is op grond van de signalen en het kantoorbezoek ook van oordeel
dat niet gebleken is dat verweerster haar cliënten (bij aanvang of voor een zitting)
steeds spreekt. Verweerster stelt dat zij haar cliënten altijd spreekt en vindt dat
uit het ontbreken van gespreksaantekeningen niet blijkt dat zij haar cliënten niet
heeft gesproken. Deze enkele stelling van verweerster is onvoldoende om de raad te
overtuigen. Bij de rechtbank bestond de indruk dat verweerster cliënten niet vooraf
sprak. Concreet wordt in 2026 door de rechtbank genoemd de cliënt die op 20 februari
2026 vertelde dat de zitting niet was voorbesproken met verweerster en dat hij haar
sinds de laatste zitting niet meer had gesproken, wat een jaar eerder moet zijn geweest.
Uit de dossiers die door de deken zijn ingezien, blijkt niet dat verweerster haar
cliënten heeft gesproken. De raad is van oordeel dat minst genomen kan worden vastgesteld
dat verweerster haar cliënten niet altijd spreekt voor de zitting.
5.8 Verweerster heeft verder een aantal zittingen gemist, waaronder in ieder
geval op 20 februari 2026 en een eerder door haar overgenomen zitting. Zij heeft aangevoerd
dat het missen van zittingen moet worden gezien in het licht van drukte in haar praktijk
en haar medische omstandigheden. Hoewel de raad begrijpt dat verweerster vanwege haar
medische omstandigheden een zwaar jaar heeft gehad, lag het op haar weg om bij (dreigende)
afwezigheid te zorgen voor vervanging/waarneming. Verweerster wist dat er met regelmaat
op vrijdag oproepen voor (zorg)zaken binnenkwamen voor een zitting op maandag. Als
zij door een operatie of andere (al dan niet medische) omstandigheid haar praktijk
niet kan voeren, al is het wellicht maar kort, dan moet ze zorgen voor adequate waarneming.
Het was verweersters verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat zij de oproepingen
niet miste, hetzij door zelf te kijken, hetzij door te regelen dat iemand anders (een
waarnemer, secretariaat) dat voor haar deed. Verweerster is daarin ernstig tekortgeschoten.
5.9 De raad is dan ook van oordeel dat het bezwaar op het punt van kantoororganisatie
en praktijkvoering gegrond is. Verweersters praktijkvoering heeft gedurende langere
tijd niet voldaan aan de professionele standaard.
Gedragsregel 17
5.10 Ook het verwijt over het niet voldoen aan gedragsregel 17 acht de raad gegrond.
Verweerster heeft dit niet betwist. De raad ziet dit als onderdeel van de gebrekkige
kantoororganisatie en het ontbreken van schriftelijke vastlegging, zoals hiervoor
geconstateerd.
Toonzetting
5.11 Het bezwaar richt zich verder tegen verweersters toonzetting. De rechtbank
en slachtofferhulp hebben daarover een signaal afgegeven en ook de Orde ervaart verweersters
toon als onaangenaam. De raad heeft geen reden om te twijfelen aan de afgegeven signalen
op dit punt. De raad neemt daarbij ook de in het dossier aanwezige e-mail d.d. 5 juni
2024 van verweerster aan een cliënt in overweging, waarin verweerster zich bot en
kortaf opstelt tegenover een cliënt. Verweerster lijkt zich onvoldoende aan te trekken
van de signalen en laat niet zien dat ze het als vervelend ervaart of daar lering
uit wil trekken. Ze beantwoordt veel vragen met een wedervraag in plaats van te reflecteren
op haar eigen handelen. Verweerster lijkt zich niet te realiseren dat de manier waarop
ze zich opstelt minst genomen vervelend kan overkomen op anderen. Desondanks acht
de raad dit alles onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen. De raad kan onvoldoende vaststellen dat verweerster met haar
toonzetting daadwerkelijk de tuchtrechtelijke grens is overgegaan Het dekenbezwaar
is voor dit deel daarom ongegrond. De raad geeft verweerster evenwel mee dat het goed
zou zijn als zij nog eens kritisch reflecteert op haar toonzetting en houding in het
licht van alle genoemde signalen.
Website
5.12 Verweersters website voldeed op het moment van het kantoorbezoek en op het
moment van het indienen van het dekenbezwaar niet aan de door de deken genoemde artikelen
van de Voda, nu verweerster geen opdrachtbevestiging opstelde en haar website geen
kantoorklachtenregeling bevatte, geen informatie over de wijze van waarneming, beroepsaansprakelijkheidsverzekering
en inschrijving op het rechtsgebiedenregister. Verweerster heeft dit, na de indiening
van het dekenbezwaar op enig moment hersteld. Dit neemt niet weg dat verweerster daarvoor
niet aan de genoemde artikelen uit de Voda heeft voldaan. Het dekenbezwaar is in zoverre
gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Uit het dekenbezwaar blijkt dat gedurende een aantal jaren verschillende
zorgwekkende signalen over verweerster door de deken zijn ontvangen. Herhaalde gesprekken
daarover met verweerster hebben niet voorkomen dat er in 2026 toch weer een vergelijkbaar
signaal over verweerster is ontvangen. Zij heeft zittingen gemist en cliënten niet
altijd gesproken. Uit het daaropvolgende kantooronderzoek van de deken is naar voren
gekomen dat de schriftelijke vastlegging ernstig tekortschiet. Opdrachtbevestigingen,
gespreksaantekeningen, vrijwel alle schriftelijke vastlegging ontbreekt. Verweerster
schiet daarmee ernstig tekort in de bijstand aan haar cliënten.
6.2 Verweerster staat bovendien onvoldoende open voor reflectie op haar eigen
handelen. Het ‘was haar nooit geleerd’ en zij wilde dat (de schriftelijke vastlegging)
wel doen ‘als de deken dat nodig vindt’. Hoewel verweerster inmiddels erkent dat haar
dossiervorming en schriftelijke vastlegging beter moet, baart deze houding de raad
zorgen.
6.3 Gelet op het hardnekkige karakter, de ernst en aard van haar gedrag en het
tuchtrechtelijk verleden van verweerster, is de raad van oordeel dat niet kan worden
volstaan met een voorwaardelijke schorsing. Eerdere klachten over het tekortschieten
in de praktijkvoering van verweerster zijn (in 2019 en 2020) gegrond verklaard en
zij is vervolgens door de rechtbank en de deken aangesproken op haar gedrag, maar
zij heeft hier onvoldoende lering uit getrokken. De raad is van oordeel dat de oplegging
van een (deels) onvoorwaardelijke schorsing passend is. De raad legt aan verweerster
op een schorsing van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk.
6.4 De raad ziet gelet op de geconstateerde gebrekkige praktijkvoering aanleiding
om aan het voorwaardelijk deel van de schorsing ook de bijzondere voorwaarde van een
(op verweersters kosten) te volgen coachingstraject te verbinden. De coaching zal
betrekking moeten hebben op de inrichting van de praktijk, de schriftelijke vastlegging
en de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerster dient voorafgaand aan de coaching
een plan van aanpak van een door de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de
deken voor te leggen, waarbij als ingangsdatum van de coaching geldt de dag waarop
onderhavige beslissing onherroepelijk wordt. Uit dat plan van aanpak moet volgen dat
verweerster gedurende de gehele proeftijd een coachingstraject doorloopt. Ook dient
daarin te worden opgenomen op welke wijze zij de deken over het verloop van de coaching
en het eindresultaat op de hoogte stelt.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel
48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerster dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar deels gegrond en deels ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van acht weken
op;
- bepaalt dat een deel van deze maatregel, te weten vier weken, niet ten uitvoer
zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond
dat verweerster een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet
heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden
proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde
gedraging;
- stelt als bijzondere voorwaarde dat verweerster op haar eigen kosten een coachingstraject
volgt. Ten aanzien van deze coaching gelden de volgende voorwaarden:
1. de coaching zal betrekking moeten hebben op de inrichting van de praktijk, de
schriftelijke vastlegging en de kwaliteit van de dienstverlening,
2. verweerster dient voorafgaand aan de coaching een plan van aanpak van een door
de deken goedgekeurde coach ter goedkeuring aan de deken voor te leggen, waarbij als
ingangsdatum van de coaching geldt de dag waarop onderhavige beslissing onherroepelijk
wordt,
3. uit dat plan van aanpak moet volgen dat verweerster gedurende de gehele proeftijd
een coachingstraject doorloopt,
4. in het plan van aanpak dient te worden opgenomen op welke wijze verweerster de
deken over het verloop van de coaching en het eindresultaat op de hoogte stelt.
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze
beslissing onherroepelijk wordt.
- bepaalt dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de schorsing ingaat vier weken
na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat:
- de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden
schorsingen,
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd
maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat
- de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd
dat verweerster niet op het tableau staat ingeschreven];
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.2;
- bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort
tot vijf jaar.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, A.N. Kampherbeek,
D.M. de Knijff en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.