ECLI:NL:TADRSGR:2026:244 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-145/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:244 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-10-2026 |
| Datum publicatie: | 20-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-145/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 oktober 2026 in de zaak 26-145/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 29 april 2026 op de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 20 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 25 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K283 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 29 april 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 29 april 2026 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 31 augustus 2026. Daarbij
waren klaagster en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klaagster
zich met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan
verenigen. Klaagster voert aan dat sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag
aan de beslissing, de onjuiste toepassing van het juridisch toetsingskader en het
nalaten om essentiële rechtsvragen inhoudelijk te beoordelen. Zij stelt dat de kern
van het geschil betrekking had op de inzage en herbeoordeling van toetsen en dat de
vernietiging van de toetsen tijdens een lopende procedure een zelfstandig juridisch
aanknopingspunt vormt voor rechtsbescherming. Klaagster verwijt verweerder dat hij
heeft nagelaten zorg te dragen voor effectieve rechtsbescherming en dat hij onvoldoende
regie heeft gevoerd. Klaagster stelt verder dat de voorzitter artikel 32 van de Wet
op de rechtsbijstand onjuist heeft toegepast en dat de voorzitter het beginsel van
equality of arms (artikel 6 EVRM) volledig onbesproken heeft gelaten. Klaagster vindt
de beslissing in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet
niet (concreet) op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Klaagster
is het in de kern niet eens met de door de voorzitter genomen beslissing, maar heeft
geen gronden aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van die beslissing.
4.3 Met betrekking tot klachtonderdeel a) geldt dat geen sprake is van een onjuiste
toepassing van artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand. Anders dan klaagster stelt
wordt een toevoeging niet verleend voor één samenhangend rechtsbelang, maar voor één
procedure of instantie. De raad heeft daarom in redelijkheid geen twijfel aan de juistheid
van de beslissing van de voorzitter.
4.4 Met betrekking tot klachtonderdeel b) geldt dat verweerder – als dominus
litis – tot het oordeel mocht komen dat (door de vernietiging van de toetsen) het
doel niet langer realiseerbaar was. De raad is met de voorzitter van oordeel dat van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken.
4.5 Voor zover klaagster nog stelt dat de voorzitter het beginsel van equality
of arms onbesproken heeft gelaten, geldt dat zij dit beginsel voor het eerst in verzet
naar voren heeft gebracht. Waar klaagster stelt dat zij de beslissing in strijd vindt
met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, geldt dat zij dit niet verder heeft
onderbouwd en dat dit vooral lijkt voort te komen uit het feit dat zij het niet eens
is met de beslissing van de voorzitter. De raad heeft ook hier in redelijkheid geen
twijfel over de juistheid van de voorzitter.
4.6 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, A.N.
Kampherbeek, D.M. de Knijff en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. C.M. van
de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2026.