ECLI:NL:TADRSGR:2026:243 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-859/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:243
Datum uitspraak: 12-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 25-859/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Overige gronden
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet tegen een voorzittersbeslissing te laat ingediend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Verzet niet-ontvankelijk.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 oktober 2026 in de zaak 25-859/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 25 maart 2026 op de klacht van:


klaagster


over:


verweerder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 21 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 15 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K125 2025 van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 25 maart 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 25 maart 2026 verzonden aan partijen.
1.4    Op 29 april 2026 heeft klaagster per e-mail verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op die datum ontvangen.
1.5    De ontvankelijkheid van het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 24 augustus 2026. Daarbij was klaagster aanwezig. 
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.


2    BEOORDELING

2.1    Voordat de raad kan beoordelen of sprake is van een gegrond verzet, moet de raad beoordelen of het verzet tijdig is ingesteld. 
2.2    De termijn voor het indienen van verzet is 30 dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing. De voorzittersbeslissing is op 25 maart 2026 naar partijen verzonden. Dit betekent dat klaagster tot en met 24 april 2026 de tijd had om verzet in te stellen. Het verzet is op 29 april 2026 ingediend en dus te laat. 
2.3    Klaagster heeft ook erkend dat zij te laat was. In haar verzet heeft klaagster het volgende geschreven:
“(…) Ik realiseer mij dat mijn reactie mogelijk buiten de termijn is ingediend. Door mijn medische situatie en concentratieproblemen heb ik mij vergist in de uiterste datum en was ik in de veronderstelling dat ik tot 30 april 2026 de tijd had om verzet in te dienen. (…)”
2.4    De raad overweegt dat een termijnoverschrijding alleen verschoonbaar is als “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener (klaagster) in verzuim is geweest” (Hof van Discipline 16 mei 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:88. De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. 
2.5    Klaagster heeft aannemelijk gemaakt dat zij op het moment dat zij bekend werd met de beslissing van de voorzitter veel aan haar hoofd had. Dat klaagster min of meer tegelijkertijd werd geconfronteerd met meerdere procedures, waardoor zij zich in de termijn had vergist levert echter geen grond op om de termijnoverschrijding als verschoonbaar aan te merken. 
2.6    De stelling van klaagster dat zij  kampte met medische klachten die haar op dat moment hebben belet om tijdig verzet in te stellen heeft klaagster niet voldoende onderbouwd. Uit het dossier blijkt dat klaagster begin 2024 uitviel vanwege een burn out. Ter zitting heeft klaagster verklaard dat het begin 2026 een stuk beter ging met haar; in januari 2026 heeft zij de zorg voor haar moeder die zij in verband met de burn out aan haar zus had overgedragen, weer voor haar rekening genomen. Verder heeft klaagster verklaard dat zij graag volledig goedgekeurd wil worden, omdat zij weer aan het werk wil. Een en ander staat op gespannen voet met de stelling dat medische en concentratieproblemen het klaagster op het moment van ontvangst van de voorzittersbeslissing nog steeds zouden hebben belet om tijdig verzet in te stellen.
2.7    De raad verklaart het verzet gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk. 

 
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. F.G.L. van Ardenne en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2026.