ECLI:NL:TADRSGR:2026:241 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-681/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:241 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-10-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-681/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht vormt deels een herhaling van een klacht van een derde, van wie klaagster de assistente is. De klacht is in zoverre kennelijk ongegrond en kennelijk niet-ontvankelijk onder verwijzing naar dat eerdere oordeel. Geen sprake van een schending van gedragsregel 7. Ook in zoverre is de klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Den Haag
van 7 oktober 2026
in de zaak 26-681/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 30 juli 2026 met kenmerk K309 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
Procedureel
1.1 Op 9 september 2024 heeft de heer [F] bij de deken een klacht ingediend over
verweerder naar aanleiding van een geschil dat hij had met het bedrijf [naam], dat
wordt bijgestaan door verweerder (zaaknummer 25-711/DH/DH).
1.2 Op 7 november 2025 heeft klaagster de onderhavige klacht ingediend, die gelijk
luidt aan de klacht in voornoemde zaak van de heer [F].
1.3 Op 17 december 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:267) heeft de raad de klacht van
de heer [F] bij voorzittersbeslissing deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk
ongegrond verklaard. Het verzet tegen deze beslissing is ongegrond verklaard op 13
april 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:83).
Inhoudelijk
1.4 Verweerder heeft ten behoeve van de rolzitting van 30 juli 2024 namens [het
bedrijf] een memorie van antwoord geschreven, onder meer inhoudende:
“26 [Klaagster] heeft het bedrag na ontvangst aan [het bedrijf] geretourneerd, veinzende
dat zij niet wist waarop het betrekking had. (…)
43 [F] stelt dat [klaagster] de “onbekende” betaling van [het bedrijf] op grond
van de Wwft niet mocht accepteren. De redenering is onwaarachtig. [Klaagster] heeft
de vordering tot betaling immers zelf ingesteld (althans: [F] namens haar; [klaagster]
is tot nu toe niet verschenen bij de twee mondelinge behandelingen die in dit geschil
hebben plaatsgevonden) en [het bedrijf] heeft deze toegezegd. (…)
(…)
45 [F] c.s. schermen met de beperkte taalvaardigheid van [klaagster]. Zij laten
echter na te verklaren waarom [klaagster], bij haar retournering van het ontvangen
bedrag aan [het bedrijf] een Roemeense tekst toevoegde, daar waar zij eerder bleek
te kunnen communiceren in het Engels. Van de vrouw die in de inleidende dagvaarding
werd gepresenteerd als assistente van [F] die “communicatie uitvoert” zou men verwachten
dat zij meer dan geen Nederlands en nauwelijks Engels spreekt. (…)
46 Bij memorie van grieven onder 6.6. maken [F] c.s. een opmerkelijke wending waar
zij stellen: “[Klaagster] kwam geen enkel bedrag toe, behoudens de (terug)betaling
van de geannuleerde boeking bij [het bedrijf]”. Hetzelfde geldt voor de daaropvolgende
toelichting. [Het bedrijf] vraagt hiervan akte; uit de stelling blijkt immers dat
de aanspraak op [het bedrijf] volgens [F] niet groter is – en in eerste aanleg: was
– dan het bedrag van de oorspronkelijke boeking, te weten EUR 665,52. Dat bedrag,
ook wanneer het met de gevorderde rente wordt vermeerderd, blijft onder de appelgrens.
(…)”
2 KLACHT
2.1 Klaagster heeft bevestigd dat haar klacht gelijkluidend is aan de klacht
die door de heer [F] is ingediend. De voorzitter sluit om die reden aan bij de klachtomschrijving
zoals die in de beslissing van 17 december 2025 is opgenomen.
2.2 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 7, door te stellen dat:
i. klaagster heeft gelogen dat zij de betaling van [het bedrijf] op grond van
de Wwft niet mocht accepteren (randnummer 43);
ii. klaagster veinsde dat ze niet wist waar de betaling over ging (randnummers
26 en 46);
iii. klaagster beperkte taalvaardigheden heeft in het Engels, maar wel goed Roemeens
spreekt (randnummer 45).
b) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door:
i. te stellen dat de betaling van de accommodatie door klaagster niet bewijst
dat de accommodatie ook door haar is gehuurd, terwijl alleen een accounthouder een
boeking kan doen bij [het bedrijf] en alleen deze accounthouder daarvoor kan betalen
(randnummer 48);
ii. naar de zitting bij de kantonrechter een persoon mee te nemen als vertegenwoordiger
van [het bedrijf] terwijl deze geen band heeft met [het bedrijf] (randnummer 49).
c) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1, door te stellen dat
een onintrekbare toezegging wel degelijk intrekbaar was (randnummer 8).
d) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 29, door bij de tuchtrechter:
i. te eisen dat in het proces-verbaal werd opgenomen dat de heer [F] had verklaard
“[het bedrijf] (zijn cliënt) van de zaak af wilde”, terwijl de heer [F] citeerde uit
de memorie van grieven onder randnummer 40;
ii. te stellen dat hij pas tijdens de zitting bij het gerechtshof had vernomen
dat klaagster de betaling had teruggestort, terwijl hij daarvan al op de hoogte was
omdat klaagsters advocaat dat in de memorie van grieven had opgenomen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Niet in geschil is dat de klacht van klaagster identiek is aan de klacht
die eerder door de heer [F], waarvan klaagster de assistente is, is ingediend en waarop
onherroepelijk is beslist (zaaknummer 25-711/DH/DH ECLI:NL:TADRSGR:2025:267). Over
klachtonderdelen b) i, c) en d) is bij die uitspraak inhoudelijk beslist. De voorzitter
ziet geen aanleiding om deze klachtonderdelen opnieuw inhoudelijk te beoordelen en
verwijst naar de beoordeling in voornoemde uitspraak. Deze klachtonderdelen zijn kennelijk
ongegrond.
4.2 Over klachtonderdeel b) ii heeft de voorzitter in voornoemde uitspraak geoordeeld
dat dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk is, kort gezegd omdat de heer
[F] al eerder had geklaagd over de procedure en de zitting en het opnieuw klagen in
strijd is met het beginsel van een behoorlijke (tucht)procesorde. De eerdere klacht
op dit punt is bij uitspraak van 21 oktober 2024 (zaaknummer 24-176/DH/DH ECLI:NL:TADRSGR:2024:184)
door de raad ongegrond verklaard. De voorzitter is van oordeel dat klaagster op dezelfde
grond als de heer [F] kennelijk niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel. Dat zij
niet degene is die in de zaak met zaaknummer 24-176/DH/DH ECLI:NL:TADRSGR:2024:184,
waarin op het moment van het indienen van de onderhavige klacht al onherroepelijk
was beslist, had geklaagd maakt dit niet anders. Duidelijk is immers dat klaagster
en de heer [F] samen optrekken bij het indienen van klachten over deze procedure waarin
verweerder [het bedrijf] bijstaat. De klacht die zij heeft ingediend is ook één op
één gekopieerd van de heer [F].
4.3 Over klachtonderdeel a) is nog niet inhoudelijk geoordeeld. De voorzitter
zal hierna ingaan op dat klachtonderdeel.
Beoordeling klachtonderdeel a)
4.4 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.5 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder de aan hem toekomende (ruime)
vrijheid heeft overschreden bij het behartigen van de belangen van zijn cliënte. Verweerder
heeft namens zijn cliënte het standpunt ingenomen dat klaagster het geldbedrag wel
mocht accepteren en dat zij ook wist waarom zij dat bedrag ontving. Ook heeft hij
mogen opmerken dat klaagster eerst wel Engels leek te spreken, terwijl er later gedaan
zou worden alsof zij geen Engels sprak. Voor zover verweerders uitlatingen al als
grievend beschouwd kunnen worden, was het in ieder geval dienstig voor het verweer
dat hij namens zijn cliënte voerde en daarmee niet onnodig grievend. Van een schending
van gedragsregel 7 is geen sprake. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdelen a), b) i, c) en d) met toepassing van artikel 46j
van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) ii met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 oktober 2026