ECLI:NL:TADRSGR:2026:240 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-678/DH/DH 26-680/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:240 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-10-2026 |
| Datum publicatie: | 12-10-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een civielrechtelijk geschil. Niet gebleken dat verweerder zich onnodig kwetsend heeft uitgelaten over klager of bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. Klachten kennelijk ongegrond. Misbruik van recht-bepaling. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Den Haag
van 7 oktober 2026
in de zaken 26-678/DH/DH en 26-680/DH/DH
naar aanleiding van de klachten van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brieven van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 30 juli 2026 met kenmerken K098 2026 en K017 2026 en van de op de inventarissen genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klachten gaat de voorzitter, gelet op de klachtdossiers,
uit van de volgende feiten.
Zaaknummer 26-678/DH/DH
1.1 Op 12 juni 2023 heeft een zitting plaatsgevonden in een procedure van klager
tegen het bedrijf [naam], dat wordt bijgestaan door verweerder. Namens [het bedrijf]
was ook een medewerker van hen, de heer [P], aanwezig.
1.2 Na de zitting heeft klager een e-mail aan verweerder gestuurd. Daarin staat:
“Ik was in de veronderstelling dat u namens [bedrijf] een tolk nodig had voor de
zitting van hedenmorgen, maar tot mijn verbazing brengt u de Spaans sprekende pornoacteur
Jordi El Ninjõ mee,
[weblink met foto en bijschrift van Jordi ‘El Ninõ Polla’]
mogelijk is dat omdat hij een expert is in copuleren en [het bedrijf] mij en miljoenen
andere gebruikers op permanente basis tracht te naaien (…)
1.3 Op 9 oktober 2025 heeft een zitting bij het gerechtshof plaatsgevonden. In
het proces-verbaal staat voor zover relevant:
“De voorzitter stelt daarnaast vast dat namens [het bedrijf], anders dan de advocaten,
niemand is verschenen. Tijdens de zitting in eerste aanleg was de heer [P] aanwezig.
[Verweerder] antwoordt daarop dat er niemand van [het bedrijf] aanwezig is omdat
elke naam die terecht komt bij de wederpartij, wordt genoemd in allerlei correspondentie.
Dhr. [P] is porno acteur genoemd door de wederpartij.
(…)
Vervolgens voert [verweerder] het woord. Hij verklaart, zakelijk weergegeven, het
volgende. Ik moet mijn opmerking die ik in het begin van deze zitting heb gemaakt
over dhr. [P] corrigeren. [Klager] heeft al twee klachten tegen mij ingediend. Ik
wil dat het daarom precies duidelijk is wat ik zeg. [Klager] heeft na afloop van de
zitting bij de kantonrechter een brief aan mij geschreven, waarin hij schreef, “ik
was in de veronderstelling dat u een tolk bij zich had, maar u neemt een Spaans sprekende
porno acteur mee.”
Daarmee heeft hij niet direct dhr. [P] een porno acteur genoemd, maar afleidend
uit de foto die erbij staat, ging ik er vanuit dat hij op dhr. [P] doelde. (…)”
1.4 Op 1 maart 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
Zaaknummer 26-680/DH/DH
1.5 Tussen klager en mevrouw [I] (klaagster in de zaak met zaaknummer 26-681/DH/DH,
hierna: klaagster) enerzijds en het bedrijf [naam], dat door verweerder wordt bijgestaan,
anderzijds loopt een procedure. Verweerder heeft bij akte van 27 augustus 2024 een
bewijs van betaling door [het bedrijf] aan klaagster in het geding gebracht. De juistheid
van die betaling is door klager betwist, omdat het rekeningnummer van klaagster niet
meer in gebruik was en was opgeheven door de bank na een Wwft-onderzoek. Bij akte
van 5 november 2024 heeft verweerder namens [het bedrijf] bevestigd dat de opdracht
tot betaling was gegeven, maar inderdaad niet was voltooid.
1.6 Op 12 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHTEN
2.1 De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
Zaaknummer 26-678/DH/DH
a) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 7, door klager te beschuldigen
van smaad en laster;
b) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door informatie te
verstrekken waarvan hij weet of behoort te weten dat die onjuist is ten aanzien van
klager inzake het non existente porno acteur beroep van de heer [P]
c) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door de valse stelling
in te nemen dat de heer [P] een vertegenwoordiger was van [het bedrijf] en zodanige
juridische bevoegdheden had, alsmede dat klager refereerde aan de ter zitting aanwezige
zogenaamd tekenbevoegde [naam bedrijf] vertegenwoordiger;
d) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 22. Verweerder heeft
gesteld dat de getuige niet is wat hij is, namelijk een rechtsgeldige vertegenwoordiger
van [het bedrijf].
Zaaknummer 26-680/DH/DH
e) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregels 6 en 8, door namens
[het bedrijf] onjuiste informatie in de vorm van een vals document in te brengen in
de procedure.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreffen klachten over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Zaaknummer 26-678/DH/DH
Beoordeling klachtonderdelen a) en b)
4.2 Klachtonderdelen a) en b) gaan over de verklaring die verweerder ter zitting
heeft gegeven waarom er geen medewerker van [het bedrijf] aanwezig was op de zitting
bij het gerechtshof, waarbij hij heeft gezegd dat de heer [P] een pornoacteur is genoemd
door klager. De voorzitter stelt vast dat deze verklaring van verweerder overeenkomt
met wat klager in zijn e-mail van 12 juni 2023 heeft geschreven, namelijk dat verweerder
een Spaanse pornoacteur mee had genomen naar de zitting. Klagers betoog dat hij alleen
de veronderstelling had uitgesproken dat het een Spaanse pornoacteur was gaat niet
op, aangezien de veronderstelling ziet op zijn verwachting dat er een tolk aanwezig
zou zijn en niet op zijn stelling dat verweerder in plaats daarvan een Spaans sprekende
pornoacteur mee naar de zitting had genomen. Verweerder heeft dus geen onjuiste feiten
naar voren gebracht. Ook wordt niet ingezien waarom verweerder zich onnodig grievend,
dan wel smadelijk of lasterlijk over klager zou hebben uitgelaten door hem correct
te citeren. Klachtonderdelen a) en b) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen c) en d)
4.3 Klager heeft in zijn klacht toegelicht dat personen die geen Nederlands spreken
geen vertegenwoordiger kunnen zijn van [het bedrijf], naar analoge toepassing van
een standpunt dat verweerder zelf had ingenomen over klagers assistente die geen Engels
sprak en daarom ongeloofwaardig zou zijn. Zo zou deze persoon volgens klager dus ook
geen tekenbevoegdheid hebben en ook geen partijenovereenkomst kunnen lezen.
4.4 Verweerder heeft toegelicht over een volmacht van de heer [P] te beschikken
en dat de heer [P] niet als getuige is gehoord.
4.5 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder onjuiste informatie over
de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de heer [P] naar voren heeft gebracht. Dit blijkt
op geen enkele wijze uit het dossier. Ook wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen
aan de verklaring van verweerder dat hij wel degelijk beschikte over een volmacht.
Klager stelt dat ter discussie, maar onderbouwt dit niet terwijl het aan hem is om
zijn klacht dat verweerder bewust of redelijkerwijs had moeten weten dat hij onjuiste
informatie heeft verstrekt te onderbouwen.
4.6 Er bestaat verder geen aanleiding om de heer [P] als (potentiële) getuige
te beschouwen. Klachtonderdelen c) en d) zijn kennelijk ongegrond.
Zaaknummer 26-680/DH/DH
Klachtonderdeel e)
4.7 Verweerder heeft erkend dat hij onjuiste informatie heeft ingebracht in de
procedure. Hij heeft echter toegelicht uit te zijn gegaan van de informatie van zijn
cliënt en geen reden te hebben gehad om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Zodra
verweerder signalen ontving dat er niet betaald zou zijn, heeft hij navraag gedaan
bij zijn cliënte en bij eerst mogelijke gelegenheid aan het gerechtshof laten weten
dat de betaling niet was gelukt.
4.8 Het is de voorzitter gelet daarop niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste
informatie heeft verstrekt of op dat moment redelijkerwijs had moeten weten dat deze
onjuist was. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
Misbruik van recht
4.9 Verweerder heeft vier tuchtklachten ingediend over verweerder naar aanleiding
van de procedure tegen [het bedrijf]. Ook heeft hij zijn assistente geholpen bij het
indienen van een tuchtklacht tegen verweerder die ook gaat over de procedure tegen
[het bedrijf]. Al deze klachten zijn (kennelijk) ongegrond verklaard door de raad
(zie RvD 21 oktober 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:184, bekrachtigd door het Hof van Discipline
op 1 december 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:248; RvD 17 december 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:267,
deze twee klachtzaken en de beslissing van heden in de zaak 26-681/DH/DH waarin de
klacht van klagers assistente eveneens kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond
is verklaard).
4.10 Klager heeft in zijn klachten veel woorden gebruikt om de uitlatingen dat
de heer [P] een pornoacteur was in de schoenen te schuiven van verweerder. Dat verweerder
dit als diffamerend heeft aangemerkt, is door klager weggezet als ‘de petite bourgeoisie,
kleinburgerlijkheid en preutse weltanschauung’ van verweerder en dat hij een ‘bekrompen
betuttelende pruteinse moraal wegens gebrek aan ervaring’ heeft en dat hij samen met
de heer [P] ‘een live showtje opvoerde om iedereen maar wat op te naaien’. Verder
spreekt klager uit dat hij een lage dunk heeft van verweerder en zou verweerder volgens
hem ‘opscheppen over zijn eigen domheid’. Klager is er nog uitvoerig op ingegaan dat
verweerder een armzalig bedrag heeft gespaard in zijn pensioen-B.V. ten opzichte van
de inkomsten van de genoemde pornoacteur, en dat het een ‘dream job’ zou zijn voor
elke jonge man om pornoacteur te zijn en onder verwijzing naar een Russische literair
schrijver dat ‘wat deze te zeggen had over advocaten daar lusten de porno acteurs
geen brood van’.
4.11 Deze tuchtklachten staan in geen enkel verband met het doel daarvan – het
beschermen van het vertrouwen in de advocatuur – maar worden door klager alleen gebruikt
om zijn gram te halen jegens verweerder. Daarvoor is het tuchtrecht niet bedoeld.
Klager dient er rekening mee te houden dat nieuwe tuchtklachten over verweerder of
die anderszins raken aan de [naam bedrijf]-procedure niet meer in behandeling worden
genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht. Dit geldt ook voor
klachten waarin klager als gemachtigde namens anderen optreedt.
BESLISSING
De voorzitter verklaart beide klachten, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 oktober 2026