ECLI:NL:TADRSGR:2026:239 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-504/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:239
Datum uitspraak: 09-09-2026
Datum publicatie: 08-10-2026
Zaaknummer(s): 26-504/DH/DH
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing over de advocaat van de wederpartij van klager in een familierechtelijk geschil. Als partijdige belangenbehartiger van haar cliënte heeft verweerster in haar stukken de standpunten van haar cliënte verwoord, zonder daarbij de gerechtvaardigde belangen van klager uit het oog te verliezen. De door verweerster gebruikte bewoordingen zijn binnen de context van het al jaren gevoerde debat tussen partijen en de opstelling van klager daarbij, naar het oordeel van de voorzitter functioneel en niet grievend geweest. Dat klager dat wel zo heeft ervaren, maakt dat nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Van schending van de gedragsregels 26 en 27 is de voorzitter niet gebleken. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 9 september 2026
in de zaak 26-504/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster
gemachtigde: mr. A. van der Bent

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 17 juni 2026 met kenmerk K236 2025 ia/ak en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is op 21 maart 2014 gescheiden van zijn toenmalige echtgenote (hierna: de ex-partner). Uit hun relatie zijn twee kinderen geboren.
1.2    Bij vonnis in kort geding van 13 augustus 2015 heeft de rechtbank Den Haag bepaald dat en wanneer er omgang tussen klager en de kinderen zal zijn en daaraan een dwangsom verbonden.  
1.3    Vanaf 2017 heeft verweerster de ex-partner bijgestaan. 
1.4    Bij beschikking van 9 oktober 2017 heeft de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) het verzoek van de ex-partner toegewezen en tussen de kinderen en klager een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld en daaraan een dwangsom verbonden. 
1.5    Bij tussenbeschikking van 12 juni 2018 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling tussen klager en de kinderen bepaald en partijen naar het omgangshuis Cardea Jeugdzorg verwezen voor oudergesprekken. De verzoeken tot opheffing van de dwangsom van klager zijn door de rechtbank afgewezen. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verzoeken van de ex-partner om vervangende toestemming voor het reizen met de kinderen naar het buitenland en de aanvraag van de paspoorten van de kinderen, alsmede de definitieve zorgregeling zijn aangehouden. 
1.6    Op 20 maart 2019 heeft de ex-partner aan de rechtbank laten weten dat de ouders tot overeenstemming zijn gekomen en zij daarom de procedure wil intrekken. Klager heeft dit bevestigd. Daarop is door de rechtbank bij beschikking van 9 april 2019 vastgesteld dat niets meer te beslissen valt. 
1.7    Tussen klager en zijn ex-partner is na overleg een ouderschapsplan met alimentatieovereenkomst gesloten. Zij hebben onder meer afgesproken dat zodra de gezondheid van klager het toelaat, de schoolvakanties gedeeld worden vanaf 2020 en de jaren daaropvolgend. Omdat klager de afspraken niet na kwam, heeft de ex-partner op 5 september 2022 een procedure tot onder meer de vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen en tot vastlegging van de overeengekomen zorgregeling aanhangig gemaakt en verzocht om de omgang de schoolvakanties bij helfte te verdelen. 
1.8    In deze procedure is namens klager in het aanvullend verweerschrift van 14 mei 2023 onder punt 41 geschreven:
De huidige zorgregeling, waar de kinderen heel duidelijk in zijn, is in het belang van de kinderen en vormt geen bedreiging voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Deze regeling heeft er juist voor gezorgd dat er sprake is van voorspelbaarheid, stabiliteit, rust, een emotionele evenwicht, een goede relatie met beide ouders. De huidige zorgregeling is juist wederom een verandering in het leven van de kinderen. Er dient voorkomen te worden dat de kinderen het als vermoeiend gaan ervaren, stress ervaren door het ontbreken van een duidelijke hoofdbasis en discontinuïteit in hun vriendschapsnetwerk.
1.9    Bij beschikking van 22 juni 2023 heeft de rechtbank de zorgregeling tussen klager en de kinderen vastgelegd en bepaald dat klager met ingang van 25 maart 2019 een kinderalimentatie aan de ex-partner moet betalen van in totaal € 450,- per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen. Voor zover relevant heeft de rechtbank overwogen:
Nu partijen het daar over eens zijn, zal de rechtbank de huidige reguliere regeling waarbij de kinderen (…) bij de vader zijn, vastleggen. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de kinderen in aanvulling op de huidige vakantieregeling ook in de herfstvakantie bij de vader zullen zijn (en in de voorjaarsvakantie bij de moeder). Partijen kunnen het niet eens worden over de verdeling van de zomervakantie, zodat de rechtbank daarover een beslissing zal nemen. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen in de zomervakantie in plaats van de huidige twee weken drie weken bij de vader zullen zijn. De kinderen hebben aangegeven dat zij graag de helft van de vakanties bij hun vader willen doorbrengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader onvoldoende onderbouwd dat dit in verband met zijn gezondheid niet mogelijk is.
1.10    Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen wat in de beschikking van 22 juni 2023 is beslist ten aanzien van de kinderalimentatie en tegen de uitbreiding van de zorgregeling tijdens de zomervakantie van twee naar drie weken. In het beroepschrift heeft klager onder meer aangevoerd dat de nieuwe uitgebreide zorgregeling niet in het belang van de kinderen is. Daarnaast heeft klager daarin gesteld dat die wijziging dan wel uitgebreide zorgregeling voor hem niet haalbaar is vanwege zijn gezondheid en de zorg voor zijn moeder alsmede vanwege zijn werkzaamheden.
1.11    Op 2 februari 2024 heeft klager aan de ex-partner bericht dat hij naar Dubai gaat emigreren met zijn aanstaande echtgenote. 
1.12    Klager is op 14 februari 2024 gehuwd met zijn huidige partner die in Dubai woont en werkt.
1.13    In de periode hierna is tussen de advocaat van klager en verweerster namens haar cliënte gecorrespondeerd over het voorgenomen vertrek van klager uit Nederland en de gevolgen daarvan voor de zorgregeling met de kinderen. 
1.14    Op 1 maart 2024 heeft verweerster namens haar cliënte aan de advocaat van klager, mr. G, een aantal niet onderhandelbare voorwaarden gesteld om met elkaar in gesprek te kunnen gaan.  
1.15    Op 22 maart 2024 heeft de advocaat van klager gereageerd op een e-mail van verweerster van 1 maart 2024. De advocaat van klager merkt op dat de vermeende achterstand in alimentatiebetalingen door klager ter beoordeling voorligt bij het gerechtshof. Omdat klager naar een algehele oplossing voor partijen streeft en om nieuwe procedures te voorkomen, heeft zijn advocaat een voorstel gedaan. Aan verweerster is verzocht om te laten weten of haar cliënte op basis van dat voorstel openstaat voor een digitaal viergesprek. Een viergesprek heeft niet plaatsgevonden. 
1.16    Op 5 juli 2024 is klager een procedure gestart voor wijziging van de zorgregeling in die zin dat de reguliere zorgregeling komt te vervallen en de kinderen in plaats daarvan een groot deel van de vakanties bij hem (in Dubai of elders) verblijven. De ex-partner heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij heeft op haar beurt primair verzocht om klager te verbieden om naar Dubai te verhuizen dan wel te gebieden om terug te verhuizen naar Nederland. Subsidiair heeft de ex-partner verzocht om de in rechte geldende zorgregeling te wijzigen, op straffe van een dwangsom. 
1.17    Bij beschikking van 5 juli 2024 heeft de rechtbank het verzoek van klager afgewezen. De rechtbank heeft in dit kader onder meer overwogen:
Beide ouders zijn het erover eens dat de regeling die is vastgelegd in de beschikking van 22 juni 2023, naar tevredenheid verliep. De kinderen waren blij met deze regeling en dat gold ook voor de ouders. Desondanks heeft de vader een half jaar later besloten om zich in Dubai te vestigen. Niet gebleken is dat hij zich enige rekenschap heeft gegeven van wat dat voor de kinderen zou betekenen. Er heeft geen overleg plaatsgevonden met de moeder. Dat de moeder overleg weigerde omdat de vader zijn betalingsverplichtingen niet nakwam, komt voor zijn rekening en risico en is bovendien door de vrouw betwist. (…)
Ook heeft de vader geen enkel begrip getoond voor de zorgen van de moeder met betrekking tot het reizen van de kinderen naar Dubai. De moeder wilde dat de kinderen de reis tenminste één maal met vader samen zouden maken. Daartoe was de vader niet bereid. Bovendien legt hij alle lasten van het halen en brengen naar het vliegveld, inclusief alle wachttijd, ook bij de moeder. Zijn standpunt dat het halen en brengen van de kinderen voor hem financieel niet haalbaar is, staat bovendien in schril contrast met de reizen die hij afgelopen zomer met de kinderen heeft gemaakt naar Londen, Keulen en Turkije. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat de partner van de vader niet in Nederland kan wonen en werken.
De rechtbank heeft het verzoek van de ex-partner tot wijziging van de zorgregeling toegewezen en daaraan een dwangsom verbonden. De overige verzoeken zijn afgewezen. 
1.18    Bij vonnis in kort geding van 25 september 2024 heeft de rechtbank de vordering van de ex-partner tot het verlenen van verlof voor lijfsdwang en gijzeling van klager totdat hij zijn achterstallige alimentatiebetalingen van ruim € 18.000,- heeft voldaan, afgewezen. Voor de rechtbank is niet komen vast te staan dat bij klager sprake is van betalingsonwil in plaats van betalingsonmacht. De rechtbank heeft de vordering van klager in reconventie om de beschikking van 22 juni 2023 te schorsen, dan wel de executie op te schorten ten aanzien van de opgelegde onderhoudsverplichtingen, afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat klager de nadelige gevolgen van zijn vertrek naar Dubai niet (langdurig) kan afwentelen op de ex-partner en kinderen. 
1.19    Bij beschikking van 30 april 2025 heeft het gerechtshof Den Haag de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling vernietigd en daarover bepaald dat de zorgregeling met ingang van 30 april 2025 voor onbepaalde tijd wordt stopgezet. Daarnaast heeft het gerechtshof de bestreden beschikking bekrachtigd ten aan aanzien van de kinderalimentatie. Overige verzoeken zijn afgewezen. Ten aanzien van de zorgregeling heeft het gerechtshof onder meer overwogen:
5.6 De man heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat zijn gezondheid zodanig verslechterd is dat niet alleen een vakantieverdeling bij helfte onhaalbaar is, maar dat de gehele zorgregeling dient te worden stopgezet. Het hof begrijpt hieruit dat de man stelt dat hij (…) ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang met de kinderen. Ter onderbouwing hiervan heeft de man een medische verklaring van zijn psychiater overgelegd [van 7 februari 2025; toevoeging voorzitter], waaruit onder meer gezondheidsklachten en angsten blijken waar de man mee te maken heeft. (…). De vrouw betwist de betrouwbaarheid van deze verklaring. Zij stelt dat zulke verklaringen makkelijk te verkrijgen zijn en dat de verklaring een opmerkelijke inhoud heeft. In de verklaring staat immers dat de man al een jaar onder behandeling is bij de desbetreffende kliniek. De man heeft echter zowel in de kortgedingprocedure tussen partijen als bij de rechtbank een gezonde indruk gemaakt. Bovendien heeft de man in deze procedures aangegeven op zoek te zijn naar werk en heeft hij nimmer aangevoerd dat hij onder behandeling is bij een psychiater. (…). Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om de zorgregeling stop te zetten uitsluitend vanwege de verslechterde gezondheid van de man. (…)
5.8 Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat de kinderen de intrinsieke wens hebben om weer contact te hebben met hun vader. Zij hebben moeite om te accepteren dat dit contact op dit moment ontbreekt. (…). Naar het oordeel van het hof is duidelijk geworden dat de man zich uit het leven van de kinderen heeft teruggetrokken. De afgelopen jaren is een patroon zichtbaar geworden waarin de man bij herhaling geen uitvoering gaf aan geplande contactmomenten met de kinderen. (…). Het is in het belang van de kinderen om hen te behoeden voor deze teleurstelling en dat zij, hoe spijtig ook, duidelijkheid krijgen dat op dit moment niet wordt bepaald wanneer zij contact zullen hebben met hun vader. Het hof acht het afdwingen van nakoming van de zorgregeling door de man dan ook in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen en zal de zorgregeling voor onbepaalde tijd stopzetten.
1.20    Bij beschikking van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank de ex-partner vervangende toestemming verleend om met de kinderen naar Marokko te verhuizen vanaf 1 september 2025 tot 1 juli 2026 en de kinderen voor die periode daar in te schrijven op een school. De rechtbank heeft onder meer overwogen:
De bezwaren/zorgen van de vader zijn met name gelegen in de beperkte mogelijkheden van contactherstel tussen hem en de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat dit bezwaar van de vader niet opweegt tegen de voormelde belangen van de kinderen en licht dit als volgt toe. De vader woont in Dubai. Het hof heeft op 30 april 2025 – nog geen vier maanden geleden – bepaald dat de zorgregeling voor onbepaalde tijd wordt stopgezet, nadat de man had aangevoerd dat dit gelet op zijn gezondheidssituatie noodzakelijk was. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat de vader onvoldoende onderbouwd dat hij op medische gronden niet in staat is tot contact met de kinderen. Het hof baseert het stopzetten van de zorgregeling daarom niet op de gestelde slechte (geestelijke) gezondheid van de vader. (…).
1.21    Op 20 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: 
a)    onnodig grievende uitlatingen te doen (waaronder “de man is kennelijk doof en blind (voor het andersluidende oordeel van het Hof)”; “de man heeft ieder recht van spreken verloren”; “de man heeft zich bewust uit het leven van de kinderen teruggetrokken”; “de man … ook in de jaren daarvoor geen enkel zicht gehad op hoe het met de kinderen gaat”);
b)    beschuldigingen als feiten te presenteren, niet als visie van de cliënte, om daarmee de suggestie te wekken van psychische mishandeling of verwaarlozing van de kinderen door klager,  
c)    zonder enige onderbouwing (waaronder: “de man veroorzaakte trauma’s bij de kinderen”; “hartverscheurende kreten van de kinderen …zijn stelselmatig genegeerd”; “zijn keuze om het contact met de kinderen abrupt te verbreken, heeft juist voor ontworteling, sociaal-emotionele ontwrichting en risico’s op schooluitval gezorgd”); 
d)    klager ten onrechte te beschuldigingen van fraude en misleiding (waaronder: klager heeft een medische verklaring “geregeld” om onder zijn verplichtingen uit te komen); 
e)    met haar emotioneel geladen taal te escaleren en te polariseren (waaronder “pure dwarsligger”; “misgunt alles”; “onaanvaardbaar”; “stuitend”), waardoor verweerster onvoldoende professionele distantie en extra zorgvuldigheid in familiezaken in acht heeft genomen;
f)    het ouderlijk gezag en betrokkenheid van klager bij de kinderen ten onrechte en grievend te diskwalificeren; 
g)    klager onnodig zwart te maken en onbewezen feiten zonder producties in te brengen;
h)    het inbrengen van irrelevante of onbewezen feiten, zoals vermeende alimentatieachterstanden en eerdere dwangsommen; 
i)    twijfel te zaaien over de ziekte van klager maar dat ook tegen klager te gebruiken wanneer dat uitkomt;
j)    het misleidend weergeven van rechterlijke uitspraken door te stellen dat het gerechtshof heeft vastgesteld dat klager zich bewust uit het leven van zijn kinderen heeft teruggetrokken; 
k)    een brief van de advocaat van klager van 22 maart 2024 als productie 6 zonder toestemming van klager in het geding te brengen, terwijl sprake was vertrouwelijke onderhandelingscorrespondentie.
2.2    Volgens klager maakt verweerster zich in meerdere procedures als advocaat van zijn wederpartij schuldig aan een structureel en cumulatief patroon van grievend diskwalificerend taalgebruik met ongefundeerde ernstige beschuldigingen en aantasting van zijn integriteit, een misleidende weergave van rechterlijke uitspraken, schending van vertrouwelijkheid. Dit patroon getuigt van een structureel gebrek aan de vereiste professionele distantie en terughoudendheid die van verweerster mag worden verwacht, zeker in familiezaken waarin de belangen van kinderen centraal staan. 

3    VERWEER
3.1    Verweerster stelt dat uit de vele gevoerde procedures tussen haar cliënte en klager blijkt, zoals opgenomen onder de feiten hiervoor, dat haar cliënte er alles aan heeft gedaan om omgang en contact tussen de kinderen en klager mogelijk te maken. Zoals het gerechtshof in de beschikking van 30 april 2025 heeft geconstateerd heeft de man zich echter uit het leven van de kinderen teruggetrokken. Hij heeft tot verdriet van de kinderen geen uitvoering gegeven aan geplande contactmomenten met hen, die daarvoor nu ook therapie moeten volgen. 
3.2    Gelet op de lange procedurele voorgeschiedenis met klager, die volgens haar cliënte overbezorgd was maar haar ook telkens opnieuw tegenwerkte, waren de door verweerster gebruikte bewoordingen en uitlatingen noodzakelijk en niet grievend. Verweerster betwist dat zij het woord fraude heeft gebruikt. Haar cliënte heeft zelf tijdens de zitting bij het gerechtshof verklaard dat zij dacht dat klager de medische verklaring van februari 2025 alleen had ingediend om de zorgregeling stop te zetten en alimentatieverplichtingen te ontlopen. Ook betwist verweerster dat zij klager een ‘pure dwarsligger’ heeft genoemd. 
3.3    De in haar processtukken en tijdens zittingen ingenomen standpunten waren de standpunten van haar cliënte, niet van verweerster zelf. Verweerster mocht in het partijdig belang van haar cliënte verwijzen naar alle eerdere procedures tussen partijen en daarin vastgestelde feiten. Daarover heeft zij geen onwaarheden verkondigd.  
3.4    Na de uitspraak van het hof heeft verweerster in de procedure tot tijdelijke verhuizing van haar cliënte naar Marokko stevigere bewoordingen gebruikt. Zij heeft het handelen van klager ‘stuitend’ genoemd omdat dat in de context van de zaak feitelijk juist was. Van escalatie en polarisatie door het optreden van verweerster in de laatste procedure was geen sprake. Zij reageerde op stellingen en het handelen van klager richting zijn ex-partner. Het was bij uitstek relevant om tijdens die procedure naar voren te brengen dat klager een betalingsachterstand van de vastgestelde kinderalimentatie. Klager maakte zich in die procedure zorgen over de financiële situatie van haar cliënte als zij in Marokko zou zijn. In de voorafgaande periode heeft klager zich nooit bekommerd om haar financiële situatie en die van de kinderen. 
3.5    Verweerster betwist dat zij uit de school is geklapt over schikkingsonderhandelingen met de advocaat van klager. In maart 2024 werden standpunten uitgewisseld over de nakoming van de alimentatieverplichtingen, de invulling van de zorgregeling en verdeling van de vakanties. Mr. G heeft in haar e-mail van 22 maart 2024 namens klager gevraagd of de cliënte van verweerster op basis van de voorwaarden van klager openstond voor een viergesprek. Mr. G heeft geen voorstel gedaan om de zaak te beëindigen, zodat daarmee geen sprake was van schikkingsonderhandelingen in de zin van de gedragsregels.

4    BEOORDELING
Toetsingsmaatstaf
4.1    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, het verloop van het geschil tot dan toe en de kans op succes van de procedure, afwegen.
4.3    De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

Klachtonderdelen a) tot en met j)
4.4    Deze klachtonderdelen lenen zich vanwege hun samenhang voor een gezamenlijke beoordeling. 
4.5    Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster met haar handelwijze niet de grenzen overschreden van de vrijheid die haar toekomt als advocaat van de wederpartij en overweegt daarover als volgt.
4.6    Als partijdige belangenbehartiger van haar cliënte heeft verweerster in haar stukken de standpunten van haar cliënte verwoord, zonder daarbij de gerechtvaardigde belangen van klager uit het oog te verliezen. Alhoewel verweerster in haar stukken wat meer afstand had kunnen creëren door aan de stellingen vaker toe te voegen dat die stellingen van haar cliënte afkomstig waren, was dat vanuit de context van het stuk voldoende af te leiden. De advocaat van klager heeft ook op de door verweerster namens haar cliënte ingenomen standpunten in de verschillende procedures kunnen reageren en zijn standpunten naar voren kunnen brengen. Het is daarna aan de rechter om te oordelen. Uit de gedane uitspraken is de voorzitter gebleken dat klager in veel van zijn standpunten niet is gevolgd. Het stond verweerster echter geheel vrij om in haar processtukken te verwijzen naar gedane uitspraken en de relevante overwegingen daaruit te citeren zoals gedaan. Dat zij daarover in haar stukken onjuistheden heeft vermeld, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken.
4.7    De door verweerster gebruikte bewoordingen zijn binnen de context van het al jaren gevoerde debat tussen partijen en de opstelling van klager daarbij, naar het oordeel van de voorzitter functioneel en niet grievend geweest. Dat klager dat wel zo heeft ervaren, maakt dat nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. 
4.8    De juistheid van het verdere verwijt van klager dat de opstelling van verweerster tot onnodige escalatie en polarisatie heeft geleid kan de voorzitter, tegenover de betwisting daarvan door verweerster, niet vaststellen. Uit de stukken volgt dat klager en zijn ex-partner al jarenlang geschillen hebben over beslissingen over hun kinderen en daarin ook vaak lijnrecht tegenover elkaar staan. Uit de uitspraak van het gerechtshof volgt bovendien dat klager zelf ook tegenstrijdig is geweest over zijn psychische toestand. Dat verweerster ook daarover namens haar cliënte een standpunt heeft ingenomen, kan klager haar dan ook niet tuchtrechtelijk verwijten. 
4.9    Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klachtonderdelen a) tot en met j) worden kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel k)
4.10    De voorzitter is uit de stukken niet gebleken dat de advocaat van klager vertrouwelijkheid heeft bedongen vóór de verzending van haar e-mail van 22 maart 2024 aan verweerster, zodat gedragsregel 26 niet van toepassing is. 
4.11    Gedragsregel 27, waaruit volgt dat tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen alleen met toestemming van de wederpartij in het geding mogen worden gebracht, is evenmin van toepassing. In de e-mail van 22 maart 2024 worden naar het oordeel van de voorzitter alleen standpunten uitgewisseld door mr. G namens klager met het verzoek aan verweerster of haar cliënte op basis daarvan openstaat voor een viergesprek. Hieruit volgt niet dat sprake is geweest van vertrouwelijke schikkingsonderhandelingen, zodat het verweerster vrij stond om die e-mail van mr. G in het geding te brengen. 
4.12    Voor zover klager verweerster ook verwijt dat zie die e-mail in de klachtprocedure heeft ingebracht, faalt dat verwijt. Klager heeft die e-mail immers zelf bij de deken overgelegd.
4.13    Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster in dezen niet tuchtrechtelijk heeft gehandeld. Ook klachtonderdeel k) wordt kennelijk ongegrond verklaard. 


BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
alle klachtonderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.