ECLI:NL:TADRSGR:2026:238 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-643/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:238 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-09-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-643/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een kort geding. De klacht ziet op verweerders stellingname in de (concept) kort geding dagvaarding. De (grotendeels) feitelijke discussie is ter beoordeling aan de civiele rechter. Niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verschaft. Kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
23 september 2026
in de zaak 26-643/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: [S]
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 23 juli 2026 met kenmerk R 2026/074 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 18. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van de gemachtigde van klager van 24 augustus 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager verricht architectuur- en ingenieurswerkzaamheden. BNM Vastgoed B.V.
(hierna: BNM) heeft klager opdracht gegeven tot het opstellen van ontwerpen.
1.2 Verweerder is advocaat van Robusta B.V. en BNM.
1.3 Bij brief van 12 september 2025 heeft verweerder zich, namens BNM, tot klager
gewend. Verweerder heeft klager gesommeerd de verplichtingen uit de overeenkomst na
te komen, de door klager vervaardigde bouwtekeningen ter beschikking te stellen en
het definitieve ontwerp, na goedkeuring door BNM, voor te leggen aan de welstandscommissie.
1.4 Bij brief van 13 oktober 2025 heeft verweerder, namens BNM, klager aangeschreven
en klager gesommeerd de verplichtingen uit de overeenkomst na te komen en de meest
recente versie van de door klager vervaardigde bouwtekeningen aan BNM ter beschikking
te stellen. Verweerder heeft aangekondigd dat een kortgedingprocedure aanhangig zal
worden gemaakt, als klager geen gehoor geeft aan de sommatie.
1.5 Bij brief van 21 oktober 2025 heeft verweerder, namens Robusta, [S] c.s.
(hierna: S) aangeschreven en de ontwikkelovereenkomst tussen Robusta en S ontbonden.
1.6 Op 31 oktober 2025 heeft mr. M, namens S, gereageerd op verweerders brief
van 21 oktober 2025 en geschreven dat wordt berust in de ontbinding en dat tussen
partijen (voor zover dat het geval is geweest) geen overeenkomst bestaat.
1.7 Op 12 november 2025 heeft verweerder een kort geding jegens klager aangevraagd.
De (ongedateerde) conceptdagvaarding van BNM gericht tegen klager maakt onderdeel
uit van het klachtdossier.
1.8 De zitting in het kort geding is bepaald op 12 december 2025. Op 9 december
2025 heeft verweerder het kort geding ingetrokken.
1.9 Op 12 december 2025 heeft (de gemachtigde van) klager bij de deken een klacht
ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft een spoedeisend belang gebaseerd op een door hemzelf ontbonden
en daarmee niet (langer) bestaande overeenkomst. Verweerder heeft die ontbinding opzettelijk
verzwegen in de kortgedingdagvaarding en daarmee de rechtbank misleid.
2.2 Klager heeft toegelicht dat verweerder het gestelde spoedeisend belang heeft
gebaseerd op een keten van verplichtingen c.q. rechtsverhoudingen waarvan hij wist,
althans behoorde te weten, dat die niet (meer) bestonden dan wel niet rechtsgeldig
tot stand waren gekomen. Verweerder was bekend met deze feiten. Klager stelt dat verweerder
heeft gehandeld in strijd met onder meer gedragsregel 8.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft toegelicht dat
sprake is van een andere rechtsverhouding. De buitengerechtelijke ontbinding van de
ontwikkelovereenkomst tussen Robusta en S laat onverlet dat tussen BNM en klager een
overeenkomst van opdracht bestond, op grond waarvan klager gehouden was de ontwerpen
te verstrekken. Deze verplichting staat los van de vraag of en op welke wijze de ontwikkelovereenkomst
met S is ontbonden. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de ingestelde vordering:
een vordering tot afgifte van ontwerpen die door klager in opdracht van BNM zijn vervaardigd
en waarvoor klager volledig is betaald. De ontwerpen waren bovendien noodzakelijk
voor de schadebegroting in de al aanhangige procedure tussen Robusta en S.
3.2 Verweerder heeft verder toegelicht dat het uitsluitend gaat om een conceptdagvaarding
en dat deze nog kan worden aangepast voorafgaand aan betekening. In de conceptdagvaarding
is duidelijk te zien dat de feiten eindigen op 15 oktober 2025. Dat valt samen met
het moment waarop aanvankelijk een datum voor het kort geding zou worden aangevraagd.
Tot betekening van de dagvaarding is het overigens niet gekomen, omdat klager te kennen
had gegeven vrijwillig te verschijnen.
3.3 Nadat de advocaat van S had aangegeven op te staan voor het onderzoeken van
een minnelijke regeling, is direct geschakeld met Robusta en BNM. In het licht van
deze ontwikkeling en met het oog op het voorkomen van verdere proceskosten, is in
overleg met BNM besloten het kort geding in te trekken.
3.4 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
4.2 De voorzitter overweegt dat de klacht ziet op verweerders stellingname in
de (concept) kort geding dagvaarding. Verweerder heeft daarin het standpunt van zijn
cliënt verwoord. Het is duidelijk dat klager het daar niet mee eens is en een geheel
andere visie heeft op de kwestie. Deze (grotendeels) feitelijke discussie is niet
ter boordeling aan de tuchtrechter, maar aan de civiele rechter. De civiele rechter
kan een oordeel geven over het spoedeisend belang en (de geldigheid van) de verschillende
overeenkomsten. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder in de concept dagvaarding
bewust onjuiste informatie heeft verschaft of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Zelfs al zou er informatie ontbreken in de concept kort geding dagvaarding,
dan is deze door de intrekking uiteindelijk nooit aan de rechter voorgelegd. Dat het
kort geding is ingetrokken, zegt bovendien niets over het al dan niet bestaan van
een spoedeisend belang. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.