ECLI:NL:TADRSGR:2026:237 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-636/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:237
Datum uitspraak: 23-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-636/DH/RO
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een civiele procedure. Het stond verweerder vrij om namens zijn cliënt een ontvankelijkheidsverweer (exceptio plurium consortium) te voeren. Niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 23 september 2026
in de zaak 26-636/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager

en

klaagster
hierna samen: klagers

over:

verweerder


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mail van 21 juli 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk R 2026/073 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 19. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de op 10 augustus 2026 nagezonden stukken van klagers. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klagers verhuren een winkelruimte aan de vennootschap onder firma (hierna: VOF) van de cliënt van verweerder en zijn medevennoot. Er is een conflict ontstaan, dat ertoe heeft geleid dat klagers de cliënt van verweerder hebben gedagvaard tot ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van een huurachterstand.
1.2    Verweerder heeft de kantonrechter in incident verzocht om de andere vennoot in vrijwaring op te roepen. Bij vonnis van 29 december 2023 heeft de kantonrechter deze toestemming verleend. Daarbij is geoordeeld dat het arbitragebeding in de VOF-overeenkomst niet in de weg staat aan het verlenen van die toestemming en dat niet vooruitgelopen kan worden op een (mogelijk) beroep op dat beding door de medevennoot. 
1.3    Op 5 januari 2024 heeft verweerder namens zijn cliënt een conclusie van antwoord ingediend. Verweerder heeft daarin een beroep gedaan op de ondeelbaarheid van de rechtsverhouding en dat is verzuimd om de andere bij de rechtsverhouding betrokken partijen in rechte te betrekken (exceptio plurium litis consortium). Verweerder heeft toegelicht dat de huurovereenkomst met de VOF is gesloten. Klagers hadden volgens verweerder ook de VOF en de medevennoot moeten dagvaarden. Verweerder heeft betoogd dat klagers om die reden niet-ontvankelijk behoren te worden verklaard. Ook heeft verweerder betoogd dat klagers misbruik maken van het procesrecht door alleen klager en niet de VOF of de medevennoot te dagvaarden. Datzelfde geldt volgens verweerder ook omdat klagers geen enkel redelijk in rechte te respecteren belang zouden hebben bij hun keuze om alleen zijn cliënt in rechte te betrekken. Dit zou leiden tot onnodige kosten voor van zijn cliënt, zonder dat daar enig voordeel voor klagers tegenover zou staan.
Verweerder heeft daarnaast ook inhoudelijke verweren gevoerd tegen klagers vorderingen.
1.4    Op 30 april 2024 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daar is afgesproken de huurovereenkomst per 30 april 2024 te beëindigen en is een datum voor de eindoplevering afgesproken. 
1.5    Op 23 augustus 2024 heeft de kantonrechter vonnis gewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de cliënt van verweerder en zijn medevennoot hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst zijn en dat er dus geen sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Ook is volgens de kantonrechter niet voldoende onderbouwd dat sprake zou zijn van misbruik van procesrecht. Verweerders cliënt is vervolgens in het ongelijk gesteld.
1.6    Op 2 februari 2026 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende. 
a)    verweerder heeft een zwaar processueel niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd zonder deugdelijke feitelijke en juridische grondslag;
b)    verweerder heeft een disproportionele proceshouding aangenomen, door ondanks door de kantonrechter verworpen verweren voort te procederen en de vennoot in vrijwaring op te roepen wat heeft geleid tot onnodige vertraging en extra kosten voor klagers;
c)    verweerder heeft juridisch onjuiste feitelijke stellingen ingenomen, waaronder de stelling dat de politie een huurovereenkomst zou hebben ontbonden.
2.2    In de aanvullende stukken van 10 augustus 2026 hebben klagers een nieuw klachtonderdeel en twee ‘verzwaringen’ van bestaande klachtonderdelen aangevoerd. Het is niet meer mogelijk om nieuwe klachtonderdelen aan te voeren of bestaande klachtonderdelen wezenlijk uit te breiden (de ‘verzwaringen’) op het moment dat een tuchtklacht is doorgezonden aan de raad. Op grond van artikel 46c lid 1 Advocatenwet moeten nieuwe klachtonderdelen namelijk bij de deken worden ingediend. De voorzitter zal dus alleen een oordeel geven over de klachtonderdelen zoals die oorspronkelijk zijn ingediend bij de deken, weergegeven hierboven onder 2.1.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Is de klacht tijdig ingediend?
4.1    Verweerder heeft betoogd dat de klacht tardief is ingediend, omdat klagers op het klachtformulier hebben aangegeven dat het klachtwaardig handelen zou hebben plaatsgevonden op 1 juni 2025, terwijl de gewraakte conclusie van antwoord op 31 januari 2024 is genomen en het eindvonnis is gewezen op 23 augustus 2024.
4.2    De voorzitter ziet geen reden om klagers niet-ontvankelijk te verklaren in hun klacht. Uit artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet volgt dat er een termijn van drie jaar is om klachten in te dienen. De verweten gedragingen hebben plaatsgevonden vanaf 5 januari 2024. De klacht is ingediend op 2 februari 2026. Er is dus binnen de termijn van drie jaar geklaagd.
Toetsingskader
4.3    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling klachtonderdelen a) en b)
4.4    Verweerder heeft toegelicht dat er op de comparitiezitting een schikking is getroffen over het ontbinden van de huurovereenkomst en het ontruimen van het gehuurde. Zijn ontvankelijkheidsverweren zagen juist op deze twee vorderingen. De kantonrechter heeft op deze vorderingen niet meer hoeven te beslissen, maar alleen nog over de gevorderde huurachterstand. Het ontvankelijkheidsverweren zagen daar volgens verweerder niet op. De afwijzing van de verweren door de kantonrechter maakt zijn handelen niet onrechtmatig of klachtwaardig. Op het moment dat hij de ontvankelijkheidsverweren heeft aangevoerd, was dit zinnig in het belang van zijn cliënt. De voorzitter is van oordeel dat verweerder met de hiervoor genoemde uitleg geen evident onpleitbaar standpunt heeft ingenomen door een beroep te doen op de ontvankelijkheidsverweren van exceptio plurium consortium en misbruik van recht. Verweerder heeft dit in het belang van zijn cliënt mogen doen. 
4.5    Datzelfde geldt ook voor zover verweerder de medevennoot in vrijwaring heeft willen oproepen. Dit stond hem ter behartiging van de belangen van zijn cliënt vrij om te doen. Hiervoor heeft hij ook toestemming gekregen van de kantonrechter.
4.6    Van onevenredige benadeling van de belangen van klagers of anderszins ondoelmatig handelen is niet gebleken. Klagers stellen extra kosten te hebben moeten maken, maar dat is niet nader onderbouwd. Zij hebben bovendien in persoon geprocedeerd. Voor zover er enige vertraging is ontstaan door de verzoeken die verweerder heeft gedaan en verweren die hij heeft opgeworpen, ziet de voorzitter niet in dat dit verweerder in tuchtrechtelijke zin is aan te rekenen. Verweerder heeft toestemming verkregen van de kantonrechter voor de vrijwaring en is verder gebleven binnen de door de kantonrechter gestelde termijnen voor het indienen van zijn stukken.
4.7    Klachtonderdelen a) en b) zijn kennelijk ongegrond.
Beoordeling klachtonderdeel c)
4.8    Volgens klagers heeft verweerder gesteld dat de politie de huurovereenkomst zou hebben ontbonden en dat daarmee bewust onjuiste informatie is verstrekt. Dat is niet onderbouwd met feiten en is ook door verweerder betwist. De voorzitter kan gelet daarop niet vaststellen of verweerder (bewust) onjuiste informatie naar voren heeft gebracht. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
 
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.


Aldus beslist door mr. S.M. Krans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.