ECLI:NL:TADRSGR:2026:233 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-830/DH/A/W

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:233
Datum uitspraak: 30-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-830/DH/A/W
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking
Beslissingen: Wraking
Inhoudsindicatie: Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond.

Beslissing van de wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag als plaatsvervanger van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 30 september 2026 in de zaak 26-830/DH/A/W
naar aanleiding van het verzoek tot wraking van na te noemen tuchtrechter, ingediend door:

verzoeker

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Verzoeker heeft een klacht ingediend tegen [naam beklaagde advocaat] (zaaknummer 26 222/A/A). De zaak is behandeld op de zitting van 21 september 2026, met als voorzitter mr. S.D. Arnold. Verzoeker heeft ter zitting een wrakingsverzoek ingediend over de voorzitter.
1.2    Bij brief van 23 september 2026 heeft de voorzitter een verweerschrift ingediend, waarin hij heeft medegedeeld niet te berusten in de wraking.

2    GRONDEN VAN HET WRAKINGSVERZOEK
2.1    Verzoeker heeft erop gewezen dat de voorzitter eerder heeft geoordeeld over een bestuursrechtelijke (voorlopigevoorzieningen)procedure tussen verzoeker en de burgemeester van zijn gemeente. Verzoeker acht het oordeel van de voorzitter in die zaak onbegrijpelijk. Verzoeker heeft opgemerkt dat ook de naam van zijn vrouw in de bestuursrechtelijke uitspraak is opgenomen, terwijl zij niets met de zaak te maken heeft. Verzoeker beschouwt dit als een provocatie die zijn eer en mannelijkheid aantast en die hij niet onbeantwoord kan laten.

3    BEOORDELING
Toetsingskader
3.1    Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wrakingskamer zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.
3.2    Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoeker, althans dat de vrees daarvoor bij verzoeker objectief gerechtvaardigd is.
Beoordeling
3.3    De omstandigheid dat een tuchtrechter in een eerdere zaak van een betrokkene een (voor die betrokkene onwelgevallige) beslissing heeft genomen, kan, naar vaste rechtspraak, niet worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (zie bijvoorbeeld HvD 13 maart 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:50 en RvD Den Haag 8 april 2021, ECLI:NL:TADRSGR:2021:92). Dat de voorzitter een uitspraak heeft gedaan in een bestuursrechtelijke procedure waar verzoeker het niet mee eens is, kan dus niet leiden tot een toewijzing van het wrakingsverzoek. Datzelfde geldt voor zover de voorzitter in die bestuursrechtelijke uitspraak de naam van verzoekers vrouw heeft opgenomen, waarover de voorzitter bovendien heeft toegelicht dat dit is gedaan omdat zij ter zitting aanwezig was en ook vragen zijn gesteld aan de vrouw.
3.4    Het wrakingsverzoek bevat verder geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de voorzitter schade zou kunnen lijden. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De wrakingskamer zal, gelet op artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline, het verzoek enkelvoudig en zonder behandeling ter zitting afwijzen.

BESLISSING
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
    
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.