ECLI:NL:TADRSGR:2026:232 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-730/DH/NH/W

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:232
Datum uitspraak: 11-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-730/DH/NH/W
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking
Beslissingen: Wraking
Inhoudsindicatie: Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond.

Beslissing van de wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag als plaatsvervanger van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 11 september 2026 in de zaak 26-730/DH/NH/W naar aanleiding van het verzoek tot wraking van na te noemen tuchtrechter, ingediend door:

verzoeker


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Verzoeker heeft verzet ingesteld tegen een voorzittersbeslissing in de klachtzaak 26 077/A/NH. Het verzet is behandeld op de zitting van 14 augustus 2026.
1.2    Na de zitting heeft verweerder een wrakingsverzoek ingediend over de voorzitter, mr. C.S. Schoorl (hierna: de voorzitter).
1.3    De voorzitter heeft niet berust in de wraking.
1.4    Bij brief van 24 augustus 2026, door de wrakingskamer ontvangen op 28 augustus 2026, heeft verzoeker een aanvullende reactie ingediend, met bijlagen.
1.5    Bij brief van 26 augustus 2026, door de wrakingskamer ontvangen op 27 augustus 2026, heeft de voorzitter verweer gevoerd tegen het wrakingsverzoek.

2    GRONDEN VAN HET WRAKINGSVERZOEK
2.1    Verzoeker heeft als ‘hoofdredenen’ voor zijn wrakingsverzoek het volgende aangevoerd:
“Er is niet in het juiste toetsingskader geoordeeld/(vele) relevante feiten en omstandigheden zijn niet in aanmerking genomen. De (vermeende) voorzitter hield zich niet aan de aangegeven ruimte voor hoor(recht)mogelijkheden. Het (mogelijk) voorlezen en bespreken van de redenen was (ernstig) vooringenomen/partijdig. Niet gericht op het (open/onbevooroordeeld) ontvangen van een ander perspectief/beeld/standpunt.”
2.2    Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek als volgt toegelicht:
“Er was (zoals al met zoveel woorden aangegeven) sprake zijn van (terechte) vrees voorvooringenomenheid (partijdigheid), gebaseerd op feiten of omstandigheden die de persoon van de tuchtrechter betreffen (o.a. een persoonlijke relatie of eerdere uitlatingen wat betreft tijdsbeleving). Tijd is elastisch/meer rekkelijk/precies afhankelijk van bekende benoemingsconstructies/woorden/gedrag. Zie ook de (vormen van) onverenigbaarheid van karakter tussen verschillende delen van de natuur/rechts-/vakgebieden. Veel (drukke) juristen hebben een vooringenomen (gewoonte) werk/rechtsgang. De vooringenomen rechtsgang van het bepalen van het proces/de baas willen spelen ter zitting (volgens bekende verwachtingen/zonder zich eerst geheel te doen laten informeren) onder (uitsluitend) haar (partijdige) voorwaarden. Immers er zijn vele frequenties en mogelijkheden van (perceptief' perspectivisch) communiceren. Zie de verschillende natuurlijke levensvormen in alle gegeven hoedanigheden. Zie ook dat nieuwe ontdekkingen (waar het gebouw Parnassus op anticipeert met terugwerkende kracht een en ander (onbekend) herzien. Door die nu geheel (nadat al door mw. Ulrici zonder open en eerlijk aanzien des persoons is gehoord/geoordeeld in een voor de (vermeende) voorzitter gecontroleerde omgeving te willen beheersen, is tegen de voorwaarden eerlijk proces (veel) relevante informatie buiten gesloten. Waardoor geneigd is het vorige oordeel te bevestigen.
Zo is wordt steeds dezelfde blinde vlek/dwaling/fout (tussen vrouwen) herhaald (als eerste vrouw). Zie ook het boek van Harry Mulisch over (de belangenverstrengeling van) "twee vrouwen". Zie tevens dat ondergetekende zo min mogelijk gebruik maakt van digitale media (hij ziet die als (verder) geestdodend/scheidend en) ziet/zag allang met de totale variatie van de geest van God/dat veel (lokale) rechtspraak steeds meer (ook commercieel/digitaal) partijdig is. (…) 
De mogelijke wraking is voorafgaand/preliminair aangegeven en tijdens en na de zitting herhaald. Ondergetekende is niet onderhevig aan dezelfde (tuchtrecht) normen als (vermeende) advocaten (er zijn ook hele andere belangen/standpunten te verdedigen dan die van de orde). Vermeende advocaten/juristen dienen niet elkaar onderling in een construct van nepotisme/vriendjespolitiek en beroepsdeformatie (corruptie) automatisch/stilzwijgend te bevestigen. De zitting was ook direct na een vorige (verlate) behandeling waar iemand met een rood hoofd de zaal verliet. Meermaals is gepoogd de (reeds ver beperkt ingekaderde voorwaarden voor) pleitnotitie van 2 A4 pagina's (in het beperkte tijdbestek) in eigen (toelichtende) bewoordingen voor te lezen. Er mocht slechts 1 exemplaar aan de griffie overhandigd worden. De vermeende voorzitter gaf aanvankelijk aan dat de hele productie voorgelezen kon worden/wisselde echter later haar standpunt, waardoor de hele eerste pagina niet voorgelezen kon worden en de tweede pagina in het geheel niet. (…) Ook begroette zij bij aanvang meteen [de verwerende advocaat] (vermeende advocaat waartegen de klacht is gericht) in vaktermen. Zo kun je gemakkelijk vooringenomen de positie van de voorzitter (in eerdere (soortgelijke) zaken, die de redenen voor de klacht ondermijnen) over-/innemen als vooroordeel voor de gehele behandeling. Ze sloot ook het onderzoek zonder dat er een behoorlijke reactie mogelijk was op wederpartij. Ook werd het onderzoek plotseling gesloten. Dat (alles) was/is zeer partijdig te noemen.
Direct na de zitting zei ondergetekende dat hij wilde weten hoe hij haar kon wraken. De (vermeende) voorzitter, mw. C.S. Schoorl, zei dat dat niet kon (dat is onjuist) en dat hij hem nooit meer zou spreken. Er zijn uitspraken waar (bijna) de gehele raad van discipline gegrond is gewraakt. (…)
Tucht (als ander woord voor zelfdiscipline) is een belangrijk Christelijk beginsel zoals ook in de pleitnota en mondeling (deugden) voornoemd. Voornoemde uitlatingen wekken de objectieve schijn dat de (vermeende) tuchtrechter al een definitief oordeel had/heeft gevormd over de zaak, nog voordat alle standpunten volledig konden worden/zijn behandeld. De rechterlijke onpartijdigheid heeft schade geleden. De tuchtrechter had/heeft (qua mimiek/toga gedrag etc.) reeds een persoonlijke/zakelijke relatie met de wederpartij, te weten soortgelijke eerdere vooringenomen (vervrouwelijkte) behandelomstandigheden (van meerdere zittingen achter elkaar).
Hierdoor is er sprake van een belangenverstrengeling die de schijn van partijdigheid wekt. Conclusie: bovengenoemde feiten rechtvaardigen de objectieve vrees dat het de tuchtrechter ontbreekt aan de vereiste onpartijdigheid om voornoemde/mijn zaak (waarmee meer/anders gemoeid is dan gewend) onbevooroordeeld te beoordelen. Om die reden verzoek ik de wrakingskamer dit wrakingsverzoek gegrond te verklaren en te bepalen dat mw. C.S. Schoorl wordt vervangen door een ander lid van de Raad van Discipline. In afwachting van uw beslissing/een betere volgende zitting "des gehele levens".”
2.3    Verzoeker heeft er in zijn aanvullende stukken op gewezen dat er een overmatige kleingeestige controle is bij betaalde personen/vrouwen in (vervrouwelijkte) dominante sectoren. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoeker gewezen op zijn eenendertig pagina tellende betoog getiteld ‘Waarom de toename van vrouwen in de advocatuur/(lagere) rechtspraak/onderwijs regionen toenemend levensgevaarlijk is voor de vader-man en het (christelijk) gezin’. 

3    BEOORDELING
Toetsingskader
3.1     Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de (tucht)rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 
3.2    Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechters in kwestie vooringenomen zijn tegen verzoeker, althans dat de vrees daarvoor bij verzoeker objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.
Wrakingsgrond over toetsingskader en relevante feiten en omstandigheden
3.3    De eerste wrakingsgrond, over het toetsingskader en de relevante feiten en omstandigheden, gaat niet over de persoon van de voorzitter, maar zien op de inhoudelijke beoordeling van het verzet. Om die reden kan deze wrakingsgrond al niet tot een wraking leiden. Het wrakingsverzoek slaagt in zoverre niet.
 
Resterende wrakingsgrond
3.4    De resterende wrakingsgrond, onder b, leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid bij de voorzitter. Verzoeker heeft eerst de gelegenheid gehad om zijn verzet via een verzetschrift toe te lichten en hem is tevoren aangekondigd hoeveel tijd voor de zitting was uitgetrokken en hoeveel spreekruimte hij daarbij kreeg. Het is aan de voorzitter van de raad om op een zitting orde te houden, waaronder ook het waken op de tijd. Uit het proces-verbaal volgt dat verzoeker ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen om zijn verzet aan de hand van een pleitnota toe te lichten. Zo heeft verzoeker zijn standpunt meer dan twintig minuten lang kunnen toelichten voordat hij door de voorzitter is onderbroken, terwijl voor de zitting ook slechts twintig minuten in totaal was uitgetrokken. Daaruit volgt naar oordeel van de wrakingskamer geen vrees voor (de schijn van) vooringenomenheid. Dat geldt evenmin voor de door verzoeker ingeroepen grond dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om te repliceren. Uit het proces-verbaal volgt immers dat de verwerend advocaat alleen het standpunt heeft ingenomen dat de voorzittersbeslissing juist is. Er is door deze verwerend advocaat dan ook geen betoog gevoerd waarop verzoeker nog de kans had moeten krijgen om via een repliek te reageren.
3.5    Evenmin ziet de wrakingskamer de vrees voor (de schijn van) vooringenomenheid in het door verzoeker ingeroepen feit dat de voorzitter de verwerend advocaat bij haar titel heeft aangesproken. Dat is gebruikelijk op zittingen. Dat de zitting voorafgaand aan die van verzoeker zou zijn uitgelopen of dat een van die partijen een rood hoofd zou hebben, levert ook geen aanknopingspunt op dat de voorzitter vooringenomen zou zijn jegens verzoeker. Dat geldt ook voor zover de raad meerdere zittingen achter elkaar houdt op een dag. 
3.6    Voor zover verzoeker betoogt dat de sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid omdat de voorzitter, net als de verwerende advocaat, een vrouw is en verzoeker zich door het toenemende aantal werkende vrouwen bedreigd voelt in zijn wereldbeeld, levert ook dit geen objectieve schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker op (vergelijk bijvoorbeeld Hof Den Haag 31 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1913).
Conclusie
3.4    Het wrakingsverzoek bevat verder ook geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de voorzitter schade zou kunnen lijden. 
3.5    Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De wrakingskamer zal, gelet op artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline, het verzoek zonder behandeling ter zitting afwijzen.

 
BESLISSING
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
    
Aldus beslist door mr. H.F.R. Heemstra, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en D.G.M. van den Hoogen, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.