ECLI:NL:TADRSGR:2026:231 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-644/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:231
Datum uitspraak: 30-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-644/DH/DH
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een arbeidszaak. De klacht ziet er met name op dat klager niet goed is geïnformeerd, dat hij het niet goed heeft begrepen en dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de (ter zitting bereikte) schikking. De voorzitter is niet gebleken dat klager ten tijde van de zitting niet goed is geïnformeerd of niet met de schikking heeft ingestemd. Verweerder heeft wel aanspraak gemaakt op het loon in de tussenliggende periode. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 30 september 2026
in de zaak 26-644/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 23 juli 2026 met kenmerk K335 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail (met bijlagen) van klager van 12 augustus 2026

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is op 30 juni 2024 op staande voet ontslagen door zijn werkgever. 
1.2    Op 29 augustus 2024 heeft verweerder, namens klager, een verzoekschrift ingediend, waarin onder meer is gevorderd dat het ontslag op staande voet zou worden vernietigd, dat de werkgever zal worden veroordeeld tot betaling van het salaris van klager vanaf juli 2024 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en dat de werkgever zal worden veroordeeld tot een vergoeding van de wettelijke verhoging van 50% over deze loonvordering, in ieder geval voor de bedragen die te laat zijn voldaan. 
1.3    Op 17 januari 2025 is de zaak mondeling behandeld door de kantonrechter van de rechtbank. Uit het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak blijkt dat partijen ter zitting diverse over en weer ingediende verzoeken hebben ingetrokken en dat de kantonrechter is verzocht uitsluitend te beslissen op het verzoek om het ontslag op staande voet te vernietigen en op het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. 
Uit het proces-verbaal volgt dat partijen het erover eens zijn dat het ontslag op staande voet dient te worden vernietigd. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet dan ook vernietigd. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen, met goedvinden van partijen, per direct ontbonden op de door partijen onderschreven grond dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. In het proces-verbaal is vermeld dat de werkgever de wettelijke transitievergoeding aan klager zal betalen. 
1.4    In de spreekaantekeningen van verweerder voor deze zitting staat onder meer: “Wat betreft het einde van de arbeidsovereenkomst: Verzoeker kan ermee leven als deze door U wordt beëindigd op een door U te bepalen tijdstip onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding.”
1.5    Op 1 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij klagers belangen onvoldoende heeft behartigd. Klager wijst concreet op het volgende:
a)    Bij mondelinge uitspraak van de kantonrechter van 17 januari 2025 is geoordeeld dat het door de werkgever gegeven ontslag op staande voet onterecht was en is dit ontslag vernietigd. Ondanks deze duidelijke vaststelling heeft verweerder nagelaten om namens klager aanspraak te maken op loon over de tussenliggende periode en/of een aanvullende schadevergoeding, terwijl dit in de gegeven omstandigheden voor de hand lag. 
b)    In plaats daarvan is ingestemd met beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens een vermeend verstoorde arbeidsverhouding, waarbij uitsluitend de wettelijke transitievergoeding is toegekend. Klager is hierover niet adequaat geïnformeerd en heeft hiervoor geen expliciete toestemming gegeven. Als klager volledig en correct was voorgelicht over zijn rechtspositie en de financiële consequenties, dan had hij niet ingestemd met deze afwikkeling. 
c)    Klager heeft verweerder uitdrukkelijk verzocht om namens klager hoger beroep in te stellen. Verweerder heeft geweigerd dit te doen, waardoor klager genoodzaakt was een andere advocaat te zoeken om zijn belangen in hoger beroep te behartigen. 
d)    Tijdens de behandeling in hoger beroep is door de rechter expliciet overwogen dat klagers oorspronkelijke advocaat heeft ingestemd met een schikking. Deze vermeende instemming is klager in het hoger beroep tegengeworpen en heeft nadelig uitgewerkt in klagers aanspraak op een financiële vergoeding. Deze instemming is echter zonder klagers instemming gegeven. 
2.2    Klager heeft toegelicht dat hij uit het gesprek op 17 januari 2025 heeft begrepen dat hij nog een vergoeding zou ontvangen. Hij heeft dit nooit begrepen als een algemeen afstand van zijn loonvordering, transitievergoeding en overige financiële rechten. Klager heeft geen toestemming gegeven voor een regeling waarbij hij geen geld meer zou ontvangen. Klager stelt dat zijn vriendin en de tolk kunnen verklaren wat er tijdens het gesprek is gezegd en vertaald. Klager verzoekt om hen, indien nodig, als getuigen te horen. 
2.3    Klager verzoekt verder om te beoordelen welke bewijsstukken verweerder heeft gecontroleerd en op welke berekening hij zijn conclusie heeft gebaseerd dat de tegenvordering van de werkgever hoger was dan klagers aanspraken. 

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. 
3.2    Klachtonderdeel a) Verweerder heeft actie ondernomen om het ontslag op staande voet vernietigd te krijgen. Daarbij is ook nabetaling van salaris gevorderd en tijdens de zitting is gesteld dat bij ontbinding de transitievergoeding verschuldigd was. Verweerder wijst erop dat klager zodanige schulden bij zijn werkgever had, dat alle nabetalingen (loon en transitievergoeding) met deze schulden zouden worden verrekend en dat klager dan nog steeds schulden had (restschuld). Tijdens de zitting is uitvoerig gesproken over een voorstel van de kant van de werkgever om de kwestie te beëindigen. Dit voorstel hield mede in dat er een verrekening plaatsvond van de salarissen en transitievergoeding met de schulden en dat de restschuld werd kwijtgescholden door de werkgever. 
3.3    Klachtonderdeel b) Verweerder stelt dat klager zelf ook niet meer voor de werkgever wilde werken, zodat ontbinding van de arbeidsovereenkomst logisch was. In alle gesprekken is klager erop gewezen dat – als het ontslag op staande voet vernietigd zou worden – de arbeidsovereenkomst ook ontbonden zou worden. Verweerder heeft een tolk ingeschakeld om ter zitting te tolken. De tolk heeft ook aan klager doorgegeven wat de inhoud van het voorstel tijdens de gesprekken op de gang was. Verweerder stelt dat klager er uitdrukkelijk op is gewezen dat bij aanvaarding van het voorstel hij geen geld zou krijgen, omdat dit verrekend zou worden met de schulden van klager bij de werkgever. Klager heeft op geen enkele manier aangegeven dat hij het voorstel niet begreep en/of dat hij niet akkoord ging. Klager heeft juist uitdrukkelijk aangegeven akkoord te gaan met het voorstel. 
3.4    Klachtonderdeel c) Verweerder stelt dat klager pas geruime tijd na de zitting is gaan draaien. Verweerder heeft daarna nog enkele malen uitgelegd wat de regeling en de beschikking inhield. Verweerder heeft niet geweigerd hoger beroep in te stellen. Klager kon zich niet vinden in verweerders uitleg en heeft te kennen gegeven verder te gaan met een andere advocaat. 
3.5    Klachtonderdeel d) Verweerder stelt dat klager tijdens de zitting voor de kantonrechter uitdrukkelijk heeft aangegeven akkoord te gaan met het voorstel. Verweerder heeft dat, als klagers gemachtigde, aan de kantonrechter doorgegeven. Ook toen heeft klager niet laten blijken dat hij niet akkoord was. 

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 
Beoordeling
4.2    De klacht ziet in de kern op de op 17 januari 2025 getroffen schikking. Klager stelt dat hij niet goed is geïnformeerd, het niet goed heeft begrepen en hiervoor geen toestemming heeft gegeven. Klager stelt dit, maar onderbouwt dit verder niet, terwijl het op zijn weg ligt om zijn klacht concreet met stukken te onderbouwen. De enkele stelling dat zijn vriendin en de tolk hierover kunnen verklaren, is onvoldoende aanleiding om  hen als getuigen te horen. Verweerder heeft de verwijten bovendien gemotiveerd betwist. Bij de zitting en de onderhandelingen op de gang was een tolk aanwezig, zodat ook klager wist wat er besproken werd. Partijen hebben ter zitting, waarbij klager aanwezig was, ingestemd met de schikking. Klager heeft pas geruime tijd na de zitting laten weten dat hij het er (toch) niet mee eens was. Dat klager het er achteraf niet mee eens is, is onvoldoende om vast te stellen dat klager geen instemming heeft gegeven. Niet blijkt dat klager ten tijde van de zitting niet goed is geïnformeerd. Evenmin kan worden vastgesteld dat klager niet met de schikking heeft ingestemd. Klachtonderdelen b) en d) zijn daarom kennelijk ongegrond.
4.3    Uit de door verweerder overlegde stukken blijkt dat hij namens klager wel aanspraak heeft gemaakt op het loon over de tussenliggende periode en een schadevergoeding (althans een verhoging van 50% van het achterstallige loon). Dat dit uiteindelijdelijk niet in de schikking is meegenomen, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Een schikking is nu eenmaal geven en nemen. Ook klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
4.4    Niet blijkt dat klager verweerder heeft verzocht om hoger beroep in te stellen. Verweerder heeft dit ook betwist. Niet blijkt dan ook dat verweerder dit heeft geweigerd. Ook klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
4.5    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder klagers belangen onvoldoende heeft behartigd. 
Tot slot
4.6    Voor zover klager in zijn aanvulling verzoekt om een beoordeling van bewijsstukken en berekeningen, geldt dat het aan klager is om zijn klacht met stukken te onderbouwen. Nu klager deze stukken niet heeft ingebracht, kunnen deze niet worden betrokken in de beoordeling. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026.