ECLI:NL:TADRSGR:2026:227 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-569/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:227 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-09-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-569/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Het stond verweerder vrij om in het belang van zijn cliënte te verzoeken om de vaststelling van een hogere kinderalimentatie. Verweerders cliënte was daartoe ook gehouden op basis van de Participatiewet. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
16 september 2026
in de zaak 26-569/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 26-569/DH/DH met kenmerk K302 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 18 juli 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-partner hebben samen een dochter. De ex-partner ontvangt
een uitkering op grond van de Participatiewet (hierna: bijstandsuitkering). Ook ontvangt
zij kinderalimentatie van klager. Verweerder staat de ex-partner van klager bij op
basis van een toevoeging.
1.2 Op 29 september 2023 heeft verweerder klager aangeschreven over de hoogte
van de kinderalimentatie, omdat de ex-partner hem heeft verzocht om te bezien of de
kinderalimentatie van € 124,- per maand kon worden verhoogd. Daarbij heeft verweerder
opgemerkt dat de gemeente dat ook van de ex-partner verlangt vanwege de bijstandsuitkering
die zij krijgt.
1.3 Op 6 oktober 2023 heeft klager afwijzend gereageerd op het voorstel over
verhoging van de kinderalimentatie. Op 16 november 2023 heeft verweerder een verzoekschrift
ingediend tot onder andere verhoging van de kinderalimentatie. Klager heeft daartegen
verweer gevoerd op 19 december 2023. Bij beschikking van 11 december 2024 heeft de
rechtbank de kinderalimentatie vastgesteld op € 358,- per maand. Er is nadien nog
gecorrespondeerd over de nakoming van de verhoogde alimentatieverplichtingen. Dit
heeft er uiteindelijk toe geleid dat de ex-partner een deurwaarder heeft ingeschakeld.
1.4 Op 9 november 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan bedrog, misbruik van recht en bijstandsfraude
door te procederen voor een hogere kinderalimentatie, terwijl dit geen zin heeft omdat
zijn cliënte een bijstandsuitkering ontvangt. Verweerder heeft daarbij gelogen dat
dit geëist werd door de gemeente;
b) Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan laster, smaad en leugens in woord
en geschrift jegens klager.
2.2 Klager heeft in zijn aanvullende stukken van 18 juli 2026 nieuwe klachtonderdelen
naar voren gebracht. De voorzitter kan van deze nieuwe klachtonderdelen geen kennisnemen,
omdat nieuwe klachten uitsluitend bij de deken kunnen worden ingediend. Dat is bepaald
in artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet. De voorzitter zal dus alleen een oordeel
geven over de klachtonderdelen zoals die bij de deken zijn ingediend en hierboven
zijn vermeld.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
4.3 Het stond verweerder vrij in het belang van zijn cliënte te verzoeken om
de vaststelling van een hogere kinderalimentatie. Daartoe had zijn cliënte ook belang.
Op grond van artikel 15 van de Participatiewet bestaat namelijk geen recht op bijstand
als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Kinderalimentatie
is zo’n voorliggende voorziening. De ex-partner was op basis van de Participatiewet
dan ook gehouden om aanspraak te maken op de hogere kinderalimentatie. Verweerder
mocht bovendien ook uitgaan van de juistheid van de informatie van zijn cliënte, namelijk
dat haar vanuit de gemeente gevraagd was om dat te doen. Er zijn geen aanknopingspunten
waarom verweerder aan de juistheid daarvan had moeten twijfelen, aangezien dat nu
ook juist past binnen het systeem van de Participatiewet. Klachtonderdeel a) is kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.4 Klager verwijt verweerder ook zich schuldig te hebben gemaakt aan laster,
smaad en leugens in woord en geschrift. Klager heeft dat niet geconcretiseerd en het
is door verweerder betwist. Het is de voorzitter ook niet gebleken dat verweerder
dergelijke uitlatingen heeft gedaan. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, op grond van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.