ECLI:NL:TADRSGR:2026:226 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-124/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:226
Datum uitspraak: 14-09-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): 26-124/DH/RO
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft de belangen van klagers op onnodige en ontoelaatbare wijze geschaad door hen in openbare Facebookreacties met vermelding van hun namen te beschuldigen van het misleiden van haar cliënt en het verduisteren van het festivalgeld. Verweerster heeft haar beschuldigingen gepresenteerd als de waarheid, terwijl zij daarvoor geen bewijs had en terwijl de toon van de berichten in de Facebookgroep, geplaatst door de gedupeerden, al verhit was en haar client al was bedreigd. Verweerster had terughoudender moeten handelen. Onvoldoende reflectie. Berisping.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 14 september 2026 in de zaak 26-124/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klager 1

en 

klager 2

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 24 maart 2025 hebben klager 1 en klager 2 (hierna gezamenlijk: klagers) bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 16 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026/010 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 juli 2026. Daarbij waren klagers en verweerster aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 24. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klagers van 31 maart 2026 en van verweerster van 31 maart 2026.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Eind juni 2024 zou het Chillville festival plaatsvinden in Breda. Kort daarvoor is het festival echter geannuleerd. BN De Stem en het AD Rotterdams Dagblad hebben daarover op 8 maart 2025 een artikel gepubliceerd. De strekking van het artikel was dat de organisator van het Chillville festival met het geld van de gekochte kaarten zou zijn verdwenen. In het artikel werden Bom Dia Events en haar bestuurder de heer [A] als organisator genoemd. Ook had het televisieprogramma Radar kenbaar gemaakt een uitzending over het geannuleerde festival te willen maken.
2.3    De heer [A] heeft zich op 8 maart 2025 tot verweerster gewend om het krantenartikel te laten rectificeren, omdat volgens hem niet hij, maar klagers, de werkelijke organisatoren waren achter het festival. Verweerster heeft dat gedaan, waarna er op 20 maart 2025 een vervolgartikel is gepubliceerd. 
2.4    Ook heeft verweerster op 13 maart 2025 Radar per e-mail aangeschreven, waarin zij opmerkt dat haar cliënt ten onrechte is aangewezen als festivaldirecteur en dat uit haar eigen onderzoek volgt dat de werkelijke organisatoren opzettelijk Bom Dia Events als organisator op de website hebben geplaatst na afgelasting van het festival. Verweerster heeft Radar aangeboden de door haar verzamelde bewijzen in te laten zien.
2.5    Diezelfde dag heeft verweerster op verzoek van haar cliënt de e-mail aan Radar geplaatst in de openbare Facebookgroep ‘Chillville AFGELAST’. Ook heeft zij in die groep gereageerd op opmerkingen van Facebook-gebruikers, zij schreef daarbij:
“Reggae Rotterdam is eigendom van One love events BV, dat weer eigendom is van UPS investment BV en IY investment BV. UPS investment is de BV van [klager 2] en IY investment is de holding van [klager 1]. Te raadplegen in het handelsregister. Tot de afgelasting van het festival stond op de website als organisator vermeld the chill events BV, weer een BV van [klager 2]. Te raadplegen via de Waybackmachine. Pas na afgelasting van het festival verscheen bom dia events ineens als organisator op de website, een lege BV die niet eens een bankrekening heeft en onder valse voorwendselen is opgericht.”
En:
“het is vreselijk wat er is gebeurd en mijn doel is ook om ervoor te zorgen dat de gedupeerden bij de juiste personen verhaal kunnen halen. Vandaar mijn mail aan Radar. Er is 1 artikel geplaatst in februari waarin de naam van mijn cliënt is genoemd en dat wist hij niet. Hij volgt het nieuws over het festival namelijk niet. Pogingen van de krant om contact op te nemen – overigens ook pas sinds februari – zijn direct doorgestuurd aan de daadwerkelijke organisatoren met het verzoek om dat op te pakken. Hier is bewijs van. Dit gaat niet om slachtoffertje spelen maar om het zuiveren van de naam van een hardwerkende man die er door “vrienden” is ingeluisd als afleidingsmanoeuvre, terwijl de daadwerkelijke organisatoren ervandoor zijn met het geld.” 
Deze berichten heeft verweerster, zo lichtte zij ter zitting toe, in opdracht van haar cliënt geplaatst, die haar heeft verzocht om namens hem te reageren op de berichten in deze Facebookgroep, mede omdat hij daar bedreigd werd. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerster het volgende.
a)    Verweerster heeft in berichten op Facebook klagers beschuldigd dat zij haar cliënt onder valse voorwendselen een B.V. hebben laten oprichten en dat zij er met het geld vandoor zijn gegaan en heeft hun persoonsgegevens daarbij gedeeld.

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a van de Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 van de Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
5.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.3    Ook advocaten hebben het recht van vrije meningsuiting, zoals dat recht is verankerd in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die vrijheid van meningsuiting wordt begrensd door, voor zover hier van belang, beperkingen waarin bij wet is voorzien en die strekken tot de bescherming van de goede naam of rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Bovendien brengt (ook) volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de speciale aard van het beroep van advocaat mee dat, onder omstandigheden, beperkingen worden gesteld aan zijn gedrag. Dat kan meebrengen dat de advocaat onder omstandigheden terughoudend in zijn publieke uitingen dient te zijn en, als hij ze doet, dient hij daarbij discreet, eerlijk en waardig, dus in overeenstemming met de ‘ethics of the legal profession’ te zijn (zie EHRM 30 november 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1130JUD001080704, Veraart/Nederland). Daarvan afwijkend handelen resulteert in de schending van een beroepsnorm. Voor zover dat een beperking oplevert van de uitingsvrijheid van verweerder, is deze beperking bij de wet voorzien en betreft deze een legitiem doel, te weten het beschermen van de waardigheid en integriteit van de beroepsgroep van advocaten. 
 
Beoordeling
5.4    Voornoemd toetsingskader betekent dat het verweerster als advocaat op zich vrijstond om als woordvoerster van haar cliënt te communiceren in een openbare Facebookgroep. Zij moet daarbij dan wel de zorgvuldigheid betrachten die van een advocaat verwacht mag worden. Verweerster heeft toegelicht dat zij haar e-mail aan Radar en de overige berichten op verzoek van haar cliënt in de Facebookgroep heeft geplaatst om duidelijk te maken dat de beschuldigingen aan het adres van haar cliënt onterecht waren en dat hij niet verantwoordelijk was voor het afgelaste festival. Dat heeft zij ter bescherming van de belangen van haar cliënt kunnen doen. De raad is echter van oordeel dat verweerster de belangen van klagers op onnodige en ontoelaatbare wijze heeft geschaad door in haar reacties op de Facebookopmerkingen de (volledige) namen van klagers persoonlijk te vermelden. Verweerster had haar doel kunnen bereiken door te volstaan met het toelichten van de (afwezigheid van een) rol van haar eigen cliënt bij het festival en/of het eventueel noemen van de B.V.’s van klagers om duidelijk te maken dat deze bedrijven volgens haar en haar cliënt de daadwerkelijke organisatoren waren van het festival. Het was daarvoor niet noodzakelijk om de namen van klagers persoonlijk te noemen. Ter zitting heeft verweerster toegelicht dat haar eigen cliënt daarvoor te maken had met (doods)bedreigingen en dat hij om die reden verweerster had gevraagd om het bericht namens hem te delen in de Facebook-groep. Verweerster had er dan ook rekening mee moeten houden dat hetzelfde zou kunnen gebeuren bij klagers als zij hun namen noemde. Klagers hebben toegelicht dat zij daarna inderdaad te maken hebben gehad met (doods)bedreigingen. Verweerster heeft de belangen van klagers dan ook geschaad door hun namen te vermelden in haar reacties, zonder redelijk doel. Verweerster had daar terughoudender in kunnen en moeten zijn. Dat de Facebookgebruikers de namen van klagers ook zelf hadden kunnen achterhalen door de KvK-uittreksels op te vragen bij de Kamer van Koophandel, zoals door verweerster wordt betoogd, doet er niet aan af dat het voor haar niet nodig was om de namen te vermelden.
5.5    Daarnaast is de raad van oordeel dat verweerster de belangen van klagers ook op ontoelaatbare wijze heeft geschaad door in haar Facebookreacties te vermelden dat Bom Dia Events ‘onder valse voorwendselen’ is opgericht, dat haar cliënt er door ‘vrienden’ is ingeluisd als afleidingsmanoeuvre en dat de daadwerkelijke organisatoren ‘ervandoor zijn met het geld’. De raad ziet niet in waarom het voor verweerster noodzakelijk was om dergelijke uitlatingen te doen in openbare Facebookreacties, als haar doel slechts was om duidelijk te maken dat haar cliënt niet de organisator was van het festival. Het is de raad ook niet gebleken dat verweerster voor deze beschuldigingen daadwerkelijk bewijs had, terwijl zij deze, nadrukkelijk als advocate handelend, als feiten presenteert. Verweerster heeft er rekening mee moeten houden dat haar woorden door het brede publiek sneller voor waarheid aangenomen konden worden, omdat daaraan een bepaald gewicht hangt door haar titel van advocaat.
5.6    De raad zal de klacht daarom gegrond verklaren.

6    MAATREGEL
6.1    Verweerster heeft de belangen van klagers op onnodige en ontoelaatbare wijze geschaad door hen in openbare Facebookreacties met vermelding van hun namen te beschuldigen van het misleiden van haar cliënt en het verduisteren van het festivalgeld. Zij heeft haar beschuldigen daarbij gepresenteerd als de waarheid, terwijl zij daarvoor geen bewijs had en terwijl de toon van de berichten in de Facebookgroep, geplaatst door de gedupeerden, al verhit was en haar client al was bedreigd. Verweerster had daarin terughoudender moeten handelen. Hoewel verweerster ter zitting heeft verklaard dat het niet haar bedoeling was dat klagers bedreigd zouden worden als gevolg van haar handelen, ziet de raad onvoldoende reflectie bij verweerster dat haar handelen niet in orde was. De raad zal gelet op het voorgaande een berisping opleggen.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer(s) schriftelijk aan verweerster door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a)    € 25,- reiskosten van klager 1;
b)    € 25,- reiskosten van klager 2;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; en
c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerster moet het bedrag van tweemaal € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer(s) schriftelijk aan verweerster door. 
7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder c en d genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 
BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht gegrond;
-    legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van tweemaal € 25,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3; 
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4;

Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, voorzitter, mrs. A.T. Bol, E.A.L. Van Emden, D.M. de Knijff en M.H. Janssen, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.