ECLI:NL:TADRSGR:2026:225 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-705/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:225 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-09-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-705/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 14 september 2026 in de zaak 25-705/DH/DH naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 24 december 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: [kantoorgenoot 1]
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 5 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 17 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K119 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 24 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.4 Op 19 januari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Op 26 april 2026 heeft klager een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter
die het verzet zou behandelen, mr. S.M. Krans. Mr. Krans heeft daarin berust.
1.6 Op 25 juni 2026 heeft klager een wrakingsverzoek ingediend tegen lid-advocaat
mr. E.A.M. van Emden. Mr. Van Emden heeft daarin berust.
1.7 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 20 juli 2026. Daarbij
waren klager, verweerder en zijn gemachtigde aanwezig.
1.8 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken
van klager van 28 april 2026 en 6 juli 2026. De raad heeft de aanvullende stukken
van verweerder van 8 juli 2026 geweigerd omdat deze niet binnen de in het Procesreglement
genoemde termijn zijn ingediend.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
1) De voorzitter heeft een verkeerd toetsingskader toegepast. De klacht is beoordeeld
alsof deze ziet op het optreden van de advocaat van de wederpartij, terwijl verweerder
zelfstandig optrad richting de deken en de tuchtrechter.
2) De voorzitter heeft de beslissing gebaseerd op de onjuiste aanname dat verweerder
optrad in de hoedanigheid van (plaatsvervangend) ‘klachtenfunctionaris’ of ‘klachtbehandelaar’.
Het is een feitelijke inconsistentie, want over de rol van verweerder bestaat geen
eenduidigheid. Verweerder duidt zich wisselend aan als ‘klachtbehandelaar’ en ‘klachtfunctionaris’,
terwijl zijn kantoorgenoot onomstotelijk stelde dat verweerder ‘klachtfunctionaris’
is. Deze onderlinge tegenstrijdigheid bewijst dat verweerders feitelijke rol niet
is komen vast te staan. Die hoedanigheid had niet zonder zorgvuldig feitenonderzoek
als uitgangspunt mogen worden genomen. Ook ontbreekt de juridische grondslag voor
de rol van ‘klachtenfunctionaris’ of ‘klachtbehandelaar’ omdat het gaat om een externe
dekenprocedure en niet een interne klachtprocedure. Ook hierdoor heeft de voorzitter
een onjuist toetsingskader gehanteerd. De aangenomen rollen zijn bovendien in strijd
met de interne regeling van het advocatenkantoor, wat duidt op bewuste misleiding
van de deken en de voorzitter. De interne regeling bepaalt namelijk expliciet dat
die regeling niet van toepassing is op tuchtklachten uit paragraaf 4 van de Advocatenwet.
3) De voorzitter heeft een juridisch onhoudbaar oordeel gegeven dat eerdere ongegrondverklaringen
over klachten tegen [kantoorgenoot 2] meebrengen dat het handelen van verweerder niet
anders kan worden beoordeeld. De klacht over verweerder betreft een andere advocaat,
met eigen gedragingen, in een andere hoedanigheid en op een ander moment. Het tuchtrecht
kent geen leer van afgeleide ongegrondheid. Voor zover een beroep op het ne bis in
idem-beginsel wordt beoogd, faalt dit omdat verweerder nooit eerder inhoudelijk is
beoordeeld. Wie stelt moet bewijzen en dat wordt door verweerder, de deken en de voorzitter
niet gedaan. Dat verweerders handelen in de zaak 25-723/DH/DH niet voorlag wordt ook
in die zaak door de voorzitter bevestigd. De voorzittersbeslissing berust daarmee
op een innerlijk tegenstrijdige en feitelijk onjuiste uitgangspositie.
4) De voorzitter kent doorslaggevende betekenis toe aan de beslissingen van het
Hof van Discipline over [kantoorgenoot 2], maar die beslissingen gaan niet over klachtonderdeel
A of B tegen verweerder. Verweerder is daarin geen partij en zijn gedragingen zijn
daarin niet beoordeeld. Aan de beslissingen van het Hof van Discipline kan derhalve
geen gezag worden ontleend ten aanzien van deze tuchtklacht.
5) De gemachtigde van verweerder heeft verweerders rol gekaderd als een (plaatsvervangend)
klachtenfunctionaris met een louter begeleidende rol, zonder onderzoeks- of verificatieplicht.
Dat is een onjuiste rolkadering, nu dergelijke rollen in een externe dekenprocedure
niet bestaan. Ook is dat innerlijk tegenstrijdig, omdat enerzijds wordt gesteld dat
geheimhouding verhinderde dat feiten werden onderzocht of gedeeld en anderzijds een
beroep wordt gedaan op eerdere uitspraken om te stellen dat de zaak reeds is beoordeeld.
Het argument is zwak onderbouwd en kan in combinatie met een onjuiste rolkadering
en een innerlijk tegenstrijdig verweer worden aangemerkt als strijd met de goede procesorde.
6) De voorzitter heeft de klacht afgedaan op formele gronden, zonder inhoudelijke
beoordeling van de feiten en bewijs. Daarmee ontbreekt iedere inhoudelijke toetsing
van het door klager aangedragen bewijs. Ook verweerders kantoor heeft expliciet verklaard
geen feitenonderzoek te hebben verricht en de deken heeft geen zelfstandige bewijswaardering
uitgevoerd. In het tuchtrecht geldt onverkort dat degene die zich beroept op rechtsgevolgen
van door hem gestelde feiten de bewijslast van die feiten draagt. Verweerder heeft
zich beroepen op een reeks rechtvaardigende en beperkende stellingen, waarvoor hij
een bewijslast had. Die bewijslast heeft verweerder niet ingevuld met bewijs maar
slechts met stellingen, die door de voorzitter voor waar zijn aangenomen. De voorzittersbeslissing
is daarmee gebaseerd op niet-bewezen aannames. Daardoor is sprake van strijd met het
beginsel van hoor en wederhoor en de motiveringsplicht. De klacht had daarop niet
kennelijk ongegrond verklaard kunnen worden.
7) Er is sprake van een motiveringsgebrek, doordat de beslissing berust op aannames
en afgeleide redeneringen. De voorzitter heeft niet vastgesteld welke feiten tussen
partijen in geschil zijn, wie de feiten stelt en wie daarvan de bewijslast draagt,
of verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan en of de door klager aangevoerde klachtonderdelen
zelfstandig tuchtrechtelijk relevant zijn. Daarmee ontbreekt een inhoudelijke beoordeling.
8) Er is sprake van een schending van het wettelijk kader en misleiding van de
deken en tuchtrechter door fictieve rolconstructies. De verweren die zijn gebaseerd
op de niet bestaande hoedanigheden van verweerder hebben daardoor geen enkele juridische
betekenis en dienen te worden beoordeeld als reguliere advocatenverweren met volledige
persoonlijke verantwoordelijkheid voor feitelijke juistheid, zorgvuldigheid en consistentie.
Door desalniettemin richting de deken en tuchtrechter te opereren onder deze fictieve
rolbenamingen is een onjuist beeld geschetst van het toepasselijke toetsingskader
en de verantwoordelijkheden die op verweerder rustten. De voorzittersbeslissing bouwt
voort op die onjuiste rolpresentatie en is daarmee feitelijk en juridisch onjuist.
Er wordt een onhoudbare vorm van afgeleide ongegrondheid gehanteerd.
2.2 Tegen de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, M.F.H. Broekman, D.M. de Knijff en M.H. Janssen, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.