ECLI:NL:TADRSGR:2026:220 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-166/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:220
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 17-09-2026
Zaaknummer(s): 26-166/DH/RO
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een procedure tegen het UWV. Verweerder had op grond van de op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting niet mogen afzien van een hoorzitting zonder eerst met klager te overleggen. Klacht in zoverre gegrond. Klacht over de toevoeging ongegrond. Waarschuwing.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 26-166/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 14 augustus 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. Op 2 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026 015 van de deken ontvangen. 
1.2    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij was verweerder aanwezig. Klager heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te zullen zijn. 
1.3    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20.  Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 13 maart 2026 door verweerder nagezonden stukken.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerder heeft klager vanaf 21 februari 2024 op basis van een toevoeging bijgestaan in een bezwaarprocedure bij UWV aangaande de afwijzing van een Ziektewetuitkering.
2.3    Omdat de afhandeling van het bezwaar (te) lang duurde heeft verweerder UWV in gebreke gesteld en een vergoeding van € 1.442,- voor klager verkregen. 
2.4    Bij beslissing van 26 juni 2025 heeft UWV het bezwaar van klager ongegrond verklaard. In deze beslissing is – voor zover van belang – het volgende overwogen:
“Hoorzitting
U heeft niet gebruikgemaakt van de mogelijkheid uw bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten. Uw gemachtigde heeft op 5 juni 2024 aangegeven dat er geen behoefte is aan een hoorzitting.”
2.5    Omdat verweerder aangaf zich in de beslissing van UWV niet te kunnen vinden en verweerder vroeg hem weer bij te staan, heeft verweerder voor het tegen deze beslissing in te stellen beroep een toevoeging voor klager aangevraagd en gekregen. De Raad voor Rechtsbijstand heeft aan klager voor die procedure een eigen bijdrage opgelegd van € 763,-. 
2.6    Klager heeft tegen de aanvraag van deze toevoeging bezwaar gemaakt waarop verweerder deze op verzoek van klager heeft ingetrokken.
2.7    Op 14 augustus 2025 heeft klager onderhavige klacht tegen verweerder ingediend.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder concreet dat hij: 
a)    aan UWV heeft laten weten dat er van de kant van klager geen behoefte was aan een hoorzitting zonder dat met klager te bespreken;
b)    na de beslissing op het bezwaar zonder overleg meteen een toevoeging heeft aangevraagd.
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. 
5.2    De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. 
5.3    Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. 
5.4    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen.
Beoordeling
Klachtonderdeel a)
5.5    Nadat verweerder aanvankelijk verweer heeft gevoerd tegen dit klachtonderdeel heeft hij naar aanleiding van nader onderzoek ter zitting (alsnog) erkend dat hij klager de vraag had moeten voorleggen of hij een hoorzitting wilde maar dat niet heeft gedaan. Verweerder meende met het afzien van een hoorzitting in het belang van klager te handelen, omdat er anders nog meer vertraging op zou treden.
5.6    Hoewel de raad wel wil aannemen dat verweerder voor ogen had in het belang van klager te handelen, neemt dat niet weg dat hij op grond van de op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting gehouden was over het afzien van een hoorzitting eerst met klager te overleggen. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond. 
Klachtonderdeel b)
5.7    Naar het oordeel van de raad blijkt uit de zich in het dossier bevindende stukken genoegzaam dat klager het niet eens was met de beslissing van UWV en wilde dat verweerder daartegen beroep zou instellen. Gelet daarop is het begrijpelijk dat verweerder een toevoeging voor klager heeft aangevraagd. Omdat het inkomen in het peiljaar hoger was dan in het peiljaar dat van toepassing was voor de bezwaarprocedure, viel de eigen bijdrage voor deze zaak hoger uit. Dat valt verweerder echter niet aan te rekenen. Hij heeft op eerste verzoek van klager de aanvraag tot een toevoeging ook weer ingetrokken. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder in zoverre tuchtrechtelijk niets te verwijten valt. 
5.8    Gelet op het voorgaande zal de raad de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaren.
    
6    MAATREGEL
6.1    Gelet op de aard en de ernst van de verwijtbare gedraging, de van inzicht getuigende houding van verweerder en mede in aanmerking genomen het feit dat verweerder niet eerder met de tuchtrechter in aanmerking is gekomen, is de maatregel van waarschuwing naar het oordeel van de raad passend en geboden. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 
7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
-    verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W. Knoester en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 september 2026