ECLI:NL:TADRSGR:2026:219 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-159/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:219
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 17-09-2026
Zaaknummer(s): 26-159/DH/RO
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de advocaat in een familierechtelijke kwestie. Verweerder heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd over de stappen die hij het meest geraden achtte in de procedure. Een duidelijke koersbepaling ontbrak en (terechte) vragen van klaagster heeft verweerder herhaaldelijk onbeantwoord gelaten. Ook ontbreekt vastlegging van belangrijke afspraken en inschattingen. Klacht gegrond. Vanwege ernst gedragingen, opstelling van verweerder en tuchtrechtelijk verleden wordt een voorwaardelijke schorsing opgelegd. Twee weken schorsing voorwaardelijk.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 26-159/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerder 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 9 september 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 2 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026 016 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij was klaagster aanwezig. Verweerder is ondanks behoorlijke oproeping niet verschenen.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20.  

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerder heeft klaagster vanaf september 2025 bijgestaan in een familierechtelijke kwestie. 
2.3    Per e-mail van 4 oktober 2024 heeft klaagster het volgende aan verweerder bericht:
“Ik heb gisteren en vandaag geprobeerd om u telefonisch te bereiken maar helaas krijg ik alleen een bezettoon te horen. 
Vorige week heb ik u gesproken en u gaf aan dat ik maandag wat van u zou horen. Helaas heb ik tot op heden nog niks mogen ontvangen betreft de zaak. 
We zijn al een aantal weken verder en wil graag dat de zaak zo snel mogelijk wordt opgepakt.”
2.4    Op 25 oktober 2024 heeft klaagster op het kantoor van verweerder een geboorteakte afgegeven.
2.5    Op 21 januari 2025 heeft klaagster aan verweerder per e-mail het volgende bericht:
“Afgelopen vrijdag hebben wij elkaar telefonisch gesproken en gaf je aan dat de rechtbank nog 2 vragen had en je deze week het terug zou sturen. 
Graag ontvang ik de stukken met de vragen van de rechtbank.”
2.6    Op 27 februari 2025 heeft verweerder namens klaagster bij de rechtbank Rotterdam een verzoek “ontheffen gezag” van één pagina ingediend. De motivering van dit verzoek luidt als volgt:
“De oudste zoon heeft bijna geen contact meer met zijn vader. De jongste kan hem nooit bereiken. Hij neemt onze kinderen nooit mee met vakantie. Dat doet hij wel met zijn 4 andere kinderen die hij heeft met een andere vrouw.
De afspraken tussen partijen over het gezag en de zorgregeling werden al na 2 weken niet meer nagekomen. Er is nauwelijks contact met de kinderen en met de vrouw al helemaal niet.
Het gezamenlijk gezag heeft geen inhoud gekregen en wordt in de praktijk alleen door de vrouw ten uitvoer gebracht.
Ook de betaling van de alimentatie levert aanhouden problemen op.
Voorzetting van het gezamenlijk gezag levert steeds problemen op nu ook regelmatig instemming moet worden gevraagd.”
2.7    Per e-mail van 16 mei 2025 heeft klaagster aan verweerder het volgende bericht:
“Ik schrijf u deze brief omdat ik ernstig twijfels heb over de wijze waarop mijn dossier wordt behandeld. Ondanks herhaalde pogingen om telefonisch en per e-mail contact te krijgen, krijg ik geen inhoudelijke reactie van u. U geeft vaak aan mij terug te bellen, maar dat gebeurt niet. Ook is er nog altijd geen concreet bewijs geleverd van de werkzaamheden die u tot nu toe zou hebben verricht. 
Daarnaast gaf u aan dat de rechtbank de geboorteakte in mijn zaak kwijt is geraakt en dat ik opnieuw een akte moet aanvragen. Dit bevreemdt mij zeer, aangezien ik deze akte correct bij u heb ingeleverd én de kosten hiervoor heb gedragen. Ik heb nooit eerder gehoord dat officiële documenten zomaar bij de rechtbank zoekraken zonder bericht aan de betrokkene. 
Ik stel het op prijs als u uiterlijk binnen 5 dagen na dagtekening van deze mail schriftelijk reageert op mijn verzoek om: 
1. Een overzicht van de door u verrichte werkzaamheden met bijbehorende data; 
2. Inzage in het actuele dossier inclusief correspondentie met de rechtbank; 
3. Een onderbouwing van het gestelde verlies van de geboorteakte; 
4. Uw standpunt over het verdere verloop van mijn zaak. 
Als u hier niet of onvoldoende op reageert, zie ik mij genoodzaakt elders juridische bijstand te zoeken en overweeg ik tevens een klacht in te dienen bij de deken van de Orde van Advocaten.”
2.8    Op 22 mei 2025 heeft klaagster verweerder een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:
“Ik heb u zojuist telefonisch gesproken om een reminder door te geven aangezien ik nog geen reactie heb ontvangen op onderstaande mail. 
U heeft aangegeven dat u uw best doet om vandaag nog te reageren wat superfijn zou zijn.”
2.9    Op 10 juni 2025 om 8.38 uur heeft klaagster aan verweerder het volgende bericht:
“Dank voor uw reactie op mijn eerdere verzoek. Ik heb de volgende documenten van u ontvangen: 
- Een brief aan de rechtbank d.d. 27 februari inzake ontheffing gezag 
- Formulieren van de Raad voor Rechtsbijstand betreffende inkomen en vermogen 
- De geboorteakte 
- Uittreksel gezagsregister 
Hoewel ik het op prijs stel dat u eindelijk enkele stukken heeft toegezonden, wil ik u erop wijzen dat deze documenten niet voldoen aan mijn eerdere verzoek om volledige inzage en verantwoording. 
Concreet mis ik nog steeds: 
1. Een overzicht van alle door u verrichte werkzaamheden sinds aanvang van uw opdracht, inclusief data. 
2. De volledige correspondentie met de rechtbank, waaronder ook de reactie op de gestelde vragen van januari. 
3. Een duidelijke toelichting over uw eerdere mededeling dat de rechtbank de geboorteakte kwijt zou zijn geraakt, terwijl deze nu alsnog in uw bezit blijkt. 
Zonder deze informatie blijft mijn vertrouwen in de behandeling van mijn dossier op een dieptepunt. Als u deze gegevens alsnog binnen 5 werkdagen verstrekt, dan kan ik mijn positie opnieuw overwegen. 
Indien ik binnen deze termijn geen volledige en duidelijke reactie ontvang, zal ik genoodzaakt zijn om: 
- mijn dossier over te dragen aan een andere advocaat, en
- een officiële klacht in te dienen bij de deken van de Orde van Advocaten.”
2.10    Diezelfde dag om 10:28 uur heeft klaagster aan verweerder het volgende gemaild:
“Dank voor uw bericht dat u tot maandag op vakantie bent. Gezien de eerdere vertragingen en het uitblijven van volledige en duidelijke antwoorden op mijn eerdere verzoeken, verwacht ik dat u uiterlijk dinsdag 17 juni 2025 alsnog reageert op alle punten die ik in mijn vorige brief heb genoemd”
2.11    Omdat een reactie op dit bericht uitbleef heeft klaagster verweerder op 16 juni 2025 het volgende bericht:
“Hierbij herinner ik u aan mijn bericht van dinsdag 10 juni. Ik verneem graag uiterlijk dinsdag 17 juni uw volledige en inhoudelijke reactie op de punten die ik heb benoemd. 
Bij het uitblijven van een toereikend antwoord zal ik helaas genoodzaakt zijn verdere stappen te ondernemen.”
2.12    Op 17 juni 2025 heeft verweerder aan klaagster het volgende bericht:
“Tot mijn spijt moet ik constateren, dat er een aanhoudende vertrouwensbreuk is ontstaan. Zonder uw tegenbericht leg ik mijn werkzaamheden in uw zaak neer en adviseer u een andere advocaat te nemen. Ik zal mij ook bij de Rechtbank afmelden. 
Ik breng u nogmaals in herinnering, dat de Rechtbank heeft verzocht om nogmaals de geboorte akte niet ouder dan 3 maanden in te brengen.”
2.13    Per e-mail van 7 augustus 2025 heeft klaagster aan verweerder het volgende bericht:
“In mij vorige mail vraag ik naar onderstaande: 
1. Een overzicht van de door u verrichte werkzaamheden met bijbehorende data; 
2. Inzage in het actuele dossier inclusief correspondentie met de rechtbank; 
3. Een onderbouwing van het gestelde verlies van de geboorteakte; 
4. Uw standpunt over het verdere verloop van mijn zaak. 
Ik heb alleen documenten ontvangen van de ontheffing gezag aanvraag. Inkomen en vermogen en de geboorteakte. 
Ik weet niet precies wat uw werkzaamheden nu zijn geweest in mijn zaak terwijl u wel het geld heeft ontvangen. De correspondentie met de rechtbank en de onderbouwing van het verlies van de geboorteakte. Graag ook uw standpunt.
Ik hoop binnen 5 werkdagen graag bovenstaande informatie wel te ontvangen zodat ik verder kan gaan en een klacht in te dienen bij de deken.”
2.14    Op 9 september 2025 heeft klaagster onderhavige klacht ingediend.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij klaagster geen duidelijke informatie heeft verschaft over de voorgang van de zaak, de door hem verrichte werkzaamheden en het verloop van de communicatie met de rechtbank. Daarnaast is onduidelijkheid ontstaan over een door klaagster ingediende geboorteakte. 
3.2    De raad zal hierna op de klacht ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. 
5.2    De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. 
5.3    Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. 
5.4    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen.
5.5    Komt het tot een verschil van mening tussen advocaat en cliënt over de wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit verschil in onderling overleg niet kan worden opgelost, dan dient de advocaat zich terug te trekken (regel 14 lid 2). 
5.6    In familierechtelijke kwesties zal een advocaat er bovendien voor moeten waken, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen escaleren. Dan mag van een advocaat zekere (verdergaande) terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die naar objectieve maatstaven als kwetsend kunnen worden ervaren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen: – het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, – het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, – het verloop van het geschil tot dan toe, – en de kans op succes van een procedure.
Beoordeling
5.7    Toetsing aan de hiervoor genoemde maatstaf leidt naar het oordeel van de raad tot de conclusie dat de klacht gegrond is. 
5.8    Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat verweerder klaagster niet of onvoldoende heeft geïnformeerd over de stappen die hij het meest geraden achtte in de procedure en welke stukken in dat verband voor de rechtbank al dan niet relevant zouden zijn. Hoewel de regie bij verweerder lag ontbrak een duidelijk koersbepaling en de – terechte - vragen van klaagster daarover heeft hij herhaaldelijk onbeantwoord gelaten. De stelling van verweerder dat de vertrouwensrelatie tussen hem en klaagster ontbrak is naar het oordeel van de raad onvoldoende om zijn opstelling te rechtvaardigen. Sterker nog, door te reageren op de vragen en verzoeken van klaagster had hij een vertrouwensbreuk naar verwachting kunnen voorkomen. Daarnaast ontbreekt vastlegging van belangrijke afspraken en inschattingen van de goede en kwade kansen in de zaak. Dat alles is naar het oordeel van de raad in strijd met hetgeen van een zorgvuldig handelend advocaat mag worden verwacht en (dus) tuchtrechtelijk verwijtbaar. 

6    MAATREGEL
6.1    Gelet op de ernst van de verweten gedragingen en mede in aanmerking nemend de opstelling van verweerder, het door hem getoonde gebrek aan zelfinzicht, zijn afwezigheid ter zitting alsmede zijn tuchtrechtelijke verleden dat betrekking heeft op vergelijkbare gedragingen waarvoor berispingen zijn opgelegd, is de raad van oordeel dat niet (meer) kan worden volstaan met een mildere maatregel dan een voorwaardelijke schorsing.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat. 
7.3    Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 
7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht gegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van twee weken op;
-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
-     stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
-     stelt de proeftijd op een periode van twee jaren ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W. Knoester en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 september 2026