ECLI:NL:TADRSGR:2026:218 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-011/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:218
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 17-09-2026
Zaaknummer(s): 26-011/DH/RO
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een huurkwestie. De raad is van oordeel dat verweerders dienstverlening heeft voldaan aan de daaraan te stellen eisen. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 26-011/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 13 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 8 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025 120 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door verweerder op 20 januari en de door klager op 1 februari 2026 nagezonden stukken.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerder heeft klager bijgestaan in een huurkwestie. De zaak ging om problemen met de woning van klager. Er was sprake van verzakking, problemen met het energielabel en vochtproblemen.
2.3    Op 22 januari 2025 heeft via Teams een intakegesprek plaatsgevonden (omdat klager op dat moment in het ziekenhuis lag). 
2.4    Verweerder heeft direct na het intakegesprek een toevoeging voor klager aangevraagd. Op 12 maart 2025 bleek die aanvraag echter niet te zijn verwerkt waarna verweerder vervolgens een nieuwe aanvraag heeft gedaan. Op deze aanvraag is door de Raad voor Rechtsbijstand positief beslist. 
2.5    Op 24 maart 2024 heeft verweerder aan klager zijn opdrachtbevestiging en eerste inhoudelijke bevindingen gestuurd. Hij concludeert daarin het volgende:
“Om iets tegen [de verhuurder] te kunnen ondernemen moeten we aantonen dat er een gebrek is in de woning, dat [de verhuurder] tekortschiet in het leveren van huurgenot. Een gebrek zou kunnen zijn: 
1.     Een te scheve of een onveilig woning maar daar heb ik nog geen bewijsstukken van. [De verhuurder] schrijft dat de scheefstand binnen de norm van de Huurcommissie lag. Wat kunt u daar tegenover zetten? U vertelde dat er een onderzoek zou komen, heeft u daar al resultaten van? 
2.     Een onvoldoende geïsoleerde woning, een woning met een te laag label. Zoals gezegd is dat we wettelijk pas verplicht vanaf 2030 dus nu is dat nog niet persé een gebrek in de huurrelatie. Hoe ziet u dat? Waarom zou het te hoog ingeschatte label nu al een gebrek zijn? Weet u iets over isolatie in de voorzetwanden? Heeft u erg hoge stookkosten? 
3.     Een woning die te vochtig is. [De verhuurder] zegt te hebben gemeten en dat daar geen vochtproblemen uit naar voren zijn gekomen. Heeft u aanvullende stukken waaruit vochtproblemen blijken? Dat is wel nodig nu [de verhuurder] het ontkent. 
Ik verneem dat graag van u.”
2.6    Eind maart heeft klager aan verweerder enkele aanvullende stukken gestuurd. Verweerder heeft die bestudeerd en klager vervolgens op 7 april 2025 verder inhoudelijk bericht. In deze e-mail heeft hij klager expliciet gevraagd naar bewijsstukken van de gestelde technische problemen.
2.7    Op 8 april 2025 heeft klager aan verweerder geschreven dat er een nieuw rapport over de fundering zou worden opgesteld door Bouwrisk.
2.8    Per e-mail van 14 april 2025 heeft verweerder aan klager laten weten dat rapport even af te wachten omdat uit de stukken die hij in zijn bezit had bleek dat de scheefstand binnen de normen viel. Voorts heeft hij klager gevraagd naar de inhoud van de huurovereenkomst, specifiek ten aanzien van het energieverbruik of het energielabel, en of klager de Huurcommissie al had gevraagd het energielabel in combinatie met de huur te toetsen. 
2.9    Verweerder heeft geen antwoord op deze vragen gekregen. In plaats daarvan heeft klager op 15 april 2025 aangegeven dat de zaak in zijn ogen te lang stillag, gevraagd of hij een zaak had om mee naar de rechter te gaan en aangekondigd een klacht te zullen indienen. 
2.10    Op 13 mei 2025 heeft verweerder op deze aankondiging gereageerd en aangegeven – zakelijk weergegeven – nog over onvoldoende stukken te beschikken om de verhuurder aan te schrijven (laat staan een procedure tegen de verhuurder te beginnen).

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij ondanks dat hij tijdens het eerste contact had aangegeven aan de slag te gaan met de zaak van klager, niks heeft gedaan en niet of slecht op e-mails heeft gereageerd.
3.2    De raad zal hierna op de klacht ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. 
5.2    De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. 
5.3    Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. 
5.4    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen.
Beoordeling
5.5    Op basis van de stellingen van partijen en de zich in het dossier bevindende stukken komt de raad met toepassing van voorgaande maatstaf tot de conclusie dat de dienstverlening van verweerder aan de daaraan te stellen eisen heeft voldaan. Hij heeft in zijn verweer bij de deken de feitelijke gang van zaken ten aanzien van zijn bijstand aan klager gedetailleerd geschetst en aan de hand daarvan gemotiveerd betwist dat hij tekort zou zijn geschoten in zijn dienstverlening. Hij heeft in dat verband gesteld dat hij het starten van een procedure vanwege het ontbreken van voldoende bewijsstukken (nog) niet haalbaar achtte. Dat standpunt heeft hij ook in de correspondentie met klager ingenomen en toegelicht. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake. De raad zal de klacht ongegrond verklaren. 

BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W. Knoester en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 september 2026