ECLI:NL:TADRSGR:2026:217 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-007/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:217
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 17-09-2026
Zaaknummer(s): 26-007/DH/RO
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen letselschadeadvocaat. De raad is van oordeel dat verweerders dienstverlening heeft voldaan aan de daaraan te stellen eisen. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 26-007/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerder 
gemachtigde: mr. M.F. Benningen


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 17 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 8 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025 116 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 juli 2026. Daarbij waren klager met zijn  dochter en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. 
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 14. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 22 januari 2026 en door verweerder op 28 januari en 21 juni 2026 nagezonden stukken.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Op 11 november 2021 is klager een verkeersongeval overkomen. De aansprakelijkheid daarvoor is door de wederpartij/veroorzaker erkend.
2.3    Verweerder heeft klager van 28 maart 2022 tot en met maart 2024 bijgestaan in deze letselschadezaak. Klager werd daarvoor bijgestaan door een andere advocaat.
2.4    Op 14 juli 2023 heeft de verzekeraar van de aansprakelijke partij laten weten te twijfelen aan de medische causaliteit en daarom in het vervolg terughoudend te zullen bevoorschotten.
2.5    Op 18 juli 2023 heeft de verzekeraar een voorstel voor een slotbetaling van € 40.000,- gedaan. Verweerder heeft dat voorstel op 19 juli 2023 telefonisch met klager besproken. Klager is daarmee niet akkoord gegaan.
2.6    Begin augustus 2023 is tussen klager en verweerder nog over het voorstel van de verzekeraar gecorrespondeerd. Op 17 augustus 2023 heeft verweerder de verzekeraar laten weten dat klager het voorstel niet accepteerde.
2.7    Eind augustus 2023 kwam de door verweerder ingeschakelde medisch adviseur tot het oordeel dat wel sprake is van objectiveerbaar medisch letsel als gevolg van het klager overkomen ongeval. Dit advies is op 6 september 2023 door verweerder aan de verzekeraar toegezonden met het verzoek aanvullend te bevoorschotten en in te stemmen met de inschakeling van een arbeidsdeskundige. 
2.8    Tot september 2023 zijn door de verzekeraar steeds voorschotten betaald aan klager.
2.9    Op 8 november 2023 heeft de medisch adviseur van de verzekeraar op basis van de voorhanden zijnde stukken geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van objectiveerbaar letsel dat het gevolg is van het verkeersongeval.
2.10    In december 2023 heeft UWV klager minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard en op die grond de WIA-uitkering afgewezen. Tegen deze beslissing is door klager bezwaar gemaakt. 
2.11    Op 4 januari 2024 heeft de verzekeraar aan verweerder bericht niet meer te bevoorschotten vanwege de medische discussie. Het eerder gedane voorstel om een slotuitkering te doen van € 40.000,- is nog drie weken gestand gedaan.
2.12    Per e-mail van 23 januari 2024 heeft verweerder aan klager uitvoerig gemotiveerd bericht waarom een gerechtelijke procedure op dat moment in zijn ogen geen zin had. Er zou in zijn ogen eerst een expertise door een onafhankelijk arts moeten komen om de discussie over de medische causaliteit te beslechten. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat:
a)    klager vanaf april 2023 niet meer de volledige bevoorschotting ontving; 
b)    hij afspraken niet nakwam en geen regie had in de zaak; 
c)    hij weigerde om juridische stappen te ondernemen;
d)    er sprake was van schending van privacy en een passieve houding met betrekking tot de medische gegevens van klager; 
e)    het erop leek dat verweerder de klachten van klager in twijfel trok terwijl hij alle rapportages en medische gegevens had waardoor bij klager de indruk ontstond dat hij eerder samenwerkte met de wederpartij dan dat hij de belangen van klager behartigde;
f)    hij een gebrek aan transparantie toonde over belangenverstrengeling. Klager stelt er naderhand achter te zijn gekomen dat verweerder door de wederpartij betaald werd;
g)    er geen klachtenprocedure is binnen het kantoor van verweerder. 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. 
5.2    De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. 
5.3    Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. 
5.4    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen.
Beoordeling
5.5    Op basis van de stellingen van partijen en de zich in het dossier bevindende stukken komt de raad met toepassing van voorgaande maatstaf tot de conclusie dat de dienstverlening van verweerder aan de daaraan te stellen eisen heeft voldaan. De raad licht dat als volgt toe.
Klachtonderdelen a) en e)
5.6    Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
5.7    Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt allereerst dat er in september 2023 voorschotten aan klager zijn betaald. Op enig moment ontstond er bij de verzekeraar twijfel over het causale verband tussen het ongeval en de schade waardoor de verzekeraar vanaf april 2023 terughoudender werd met de bevoorschotting. Het feit dat UWV klager minder dan 35% arbeidsongeschikt achtte droeg hieraan bij, in voor klager negatieve zin. Deze gang van zaken is evenwel niet aan verweerder te wijten. Hij heeft over de bevoorschotting juist veelvuldig en doorlopend met de verzekeraar en klager gecorrespondeerd. Deze klachtonderdelen zijn dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.8    Klager stelt dat met verweerder was afgesproken dat er rond juni 2023 een vervolggesprek met de wederpartij zou plaatsvinden maar dat verweerder deze afspraak niet is nagekomen en geen regie had in de zaak. Verweerder betwist dat. Hij stelt meerdere malen een vervolggesprek aan de wederpartij te hebben voorgesteld maar daar was volgens hem aan die zijde geen behoefte aan. Van een gebrek aan regie is volgens hem geen sprake geweest.
5.9    De stellingen van partijen staan lijnrecht tegenover elkaar. Het is voor de raad gelet daarop niet mogelijk om vast te stellen wat partijen wel en niet hebben (toe)gezegd. De gegrondheid van de klacht kan dus evenmin worden vastgesteld. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.10    Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat hij tekort zou zijn geschoten in zijn dienstverlening. Hij heeft in dat verband gesteld dat hij het starten van een procedure vanwege het ontbreken van voldoende bewijsstukken – met name van een onafhankelijke medische rapportage - (nog) niet verstandig achtte. Dat heeft verweerder ook gemotiveerd uitgelegd aan klager. De raad acht de visie van verweerder navolgbaar en van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake. De raad zal de klacht ook in zoverre ongegrond verklaren. 
Klachtonderdeel d)
5.11    Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Voor zover al zou kunnen worden vastgesteld dat de verzekeraar zonder toestemming van klager medische gegevens bij de derden zou hebben opgevraagd, valt dat verweerder niet aan te rekenen.
Klachtonderdeel f)
5.12    Klager stelt dat hij er achteraf achter is gekomen dat verweerder geld kreeg van de wederpartij, maar in de loop van de tijd niet meer werd uitbetaald. Hij kreeg het gevoel dat verweerder achter zijn eigen betaling aanging in plaats van achter de bevoorschotting. Volgens klager heeft verweerder niet veel voor hem gedaan als advocaat en had hij de indruk dat hij zich terug wilde trekken. Verweerder betwist dit. Hij stelt juist meer aandacht aan de bevoorschotting te hebben besteed dan aan zijn openstaande facturen en niet voornemens te zijn geweest zich terug te trekken.
5.13    Ook ten aanzien van dit klachtonderdeel geldt dat de stellingen van partijen lijnrecht tegenover elkaar staan en de raad gelet daarop de gegrondheid van de klacht niet kan vaststellen. De feiten die klager daaraan ten grondslag heeft gelegd zijn immers niet vast komen te staan. Dit klachtonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag en is ongegrond.
Klachtonderdeel g)
5.14    Datzelfde geldt voor het laatste klachtonderdeel. De raad stelt vast dat in de opdrachtbevestiging van verweerder wordt verwezen naar de kantoorklachtenregeling welke op aanvraag te verkrijgen is. Verweerder heeft ook een schermafbeelding overgelegd van de website waarop de link naar de kantoorklachtenregeling te zien is. Daarmee staat naar het oordeel van de raad voldoende vast dat het kantoor van verweerder over een interne klachtenregeling beschikt, zoals verplicht is op grond van artikel 6.28 Voda. 
Conclusie
5.15    Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de klacht in alle onderdelen ongegrond zal verklaren.

BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W. Knoester en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 september 2026