ECLI:NL:TADRSGR:2026:216 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-167/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:216 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 17-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-167/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een vreemdelingrechtelijke procedure. Verweerder heeft de aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend ruim vijf maanden nadat klaagster en haar partner daarvoor bij hem zijn langsgegaan. Ook is verweerder slecht bereikbaar geweest. Klacht gegrond. Berisping. Geen proceskostenveroordeling. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 26-167/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
gemachtigde: mr. F.L.C. Schoolderman
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 4 december 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K349 2025 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 juli 2026. Klaagster
heeft vooraf laten weten niet bij de zitting aanwezig te kunnen zijn. Verweerder en
zijn gemachtigde waren aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de
aanvullende stukken van klaagster van 13 juli 2026 en van verweerder van eveneens
13 juli 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft klaagster en haar partner bijgestaan bij het verkrijgen
van een verblijfsvergunning voor de partner. Op 22 september 2025 hebben zij een gesprek
gevoerd op verweerders kantoor. Klaagster heeft een verklaring van ongehuwdheid aangeleverd.
2.3 Op 4 oktober 2025 heeft klaagster bij verweerder navraag gedaan over de aanvraag,
omdat zij niets van hem had gehoord en hem ook niet telefonisch kon bereiken.
2.4 Op 4 december 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over
verweerder. Verweerder heeft niet binnen de door de deken gestelde termijnen gereageerd
op de klacht.
2.5 Op 24 februari 2026 heeft de IND een ontvangstbevestiging van de aanvraag
gestuurd aan verweerder, die verweerder op 28 februari 2026 heeft ontvangen.
2.6 Op 3 maart 2026 heeft verweerder de ontvangstbevestiging van 24 februari
2026 doorgezonden aan klaagster en haar geadviseerd om de leges met spoed te betalen.
Ook heeft verweerder diezelfde dag een update gegeven over de voortgang van de verblijfsaanvraag
van haar partner en gereageerd op de klacht.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft vertraging veroorzaakt bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning
voor de partner van klaagster;
b) Verweerder is niet of slecht bereikbaar geweest en heeft klaagster niet geïnformeerd
over de voortgang van de procedure.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft in zijn aanvullende stukken van 13 juli 2026 en ter zitting
verweer gevoerd tegen de klacht. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.2 De raad stelt op basis van het dossier vast dat de aanvraag om een verblijfsvergunning
voor het eerst is ingediend op 11 februari 2026, ruim 5 maanden nadat klaagster en
haar partner daarvoor bij verweerder langs zijn gegaan. Verweerder heeft gesteld dat
de aanvraag al op 2 oktober 2025 per post is ingediend, maar heeft dit niet kunnen
aantonen met bijvoorbeeld een verzendbewijs of een bevestiging daarvan aan klaagster.
Daartegenover heeft klaagster een schermafbeelding van het IND-portaal ingediend,
waarop staat vermeld “IND received your application February 11, 2026”. De raad dient
er dan ook van uit te gaan dat de aanvraag pas op 11 februari 2026, of vanwege de
postbezorging, kort daarvoor is ingediend en dat er inderdaad sprake is geweest van
een vertraging van vijf maanden. Dat is verweerder aan te rekenen. Klachtonderdeel
a) is gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.3 Verweerder heeft erkend dat hij slecht bereikbaar is geweest voor klaagster
en dat de klacht in zoverre terecht is. De raad is van oordeel dat het tuchtrechtelijk
verwijtbaar is klaagster ruim vijf maanden niet te informeren over de voortgang in
het dossier en ook onvoldoende bereikbaar te zijn voor haar. Klachtonderdeel b is
gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door onvoldoende voortvarend
te hebben gehandeld in het aanvragen van een verblijfsvergunning voor klaagsters partner
en door niet (voldoende) met haar te communiceren. Klaagster en haar partner zijn
hierdoor aan hun lot overgelaten. De raad acht dat ernstig. Ter zitting heeft verweerder
toegelicht dat hij in die periode te maken had met diverse moeilijke omstandigheden
op het werk, waaronder een patroon die zijn advocaat-stage onverwachts en vlak voor
de afronding stopzette. Ook stelt hij dat hij door zijn medebegeleider onheus werd
bejegend en financieel onder druk werd gezet. Verweerder heeft toegelicht te laat
door te hebben gehad dat hij overliep en dat hij achteraf gezien niet snel genoeg
om hulp heeft gevraagd. Verweerder heeft erkend dat hij fout zat, dat hij niet heeft
gehandeld zoals het hoort door geen hulp in te schakelen en dat hij daar nu ook actief
mee bezig is. Hij houdt inmiddels elders kantoor en heeft een beter ondersteunend
netwerk. Ook heeft hij contact met de deken en is hij op zoek naar een coach. Dat
moet hij al doen vanwege een bijzondere voorwaarde die is opgelegd bij een (deels)
voorwaardelijke schorsing door de raad in het kader van een andere tuchtklacht, maar
ook los van die beslissing heeft verweerder gezegd achter een coachingstraject te
staan om te zorgen dat het niet nog eens fout kan gaan. De raad is van oordeel dat
verweerder daarmee voldoende inzicht heeft getoond in zijn handelen en acht zijn wens
om verbetering geloofwaardig. Om die reden zal de raad volstaan met het opleggen van
een berisping. Vanwege de financiële situatie van verweerder, zoals hij ter zitting
heeft toegelicht, ziet de raad aanleiding om af te zien van het opleggen van een kostenveroordeling.
Wel acht de raad het redelijk dat verweerder op eerste verzoek van klaagster aan haar
de door haar onderbouwde kosten vergoedt voor het aanvragen van een nieuwe verklaring
van ongehuwdheid, waarvan de geldigheid door de (aan verweerder te wijten) vertraging
tijdens de aanvraag om een verblijfsvergunning is verlopen. Klaagster heeft kosten
moeten maken omdat zij een nieuwe ongehuwdverklaring diende op te vragen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar
vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster
geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.2 Zoals onder 6.1 reeds is aangegeven, zal de raad afzien van een veroordeling
in de proceskosten.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en M.F.H. Broekman,
leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 september 2026