ECLI:NL:TADRSGR:2026:214 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-135/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:214
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 17-09-2026
Zaaknummer(s): 26-135/DH/DH
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft een bedrag ontvangen van de verzekeraar van de wederpartij, ten behoeve van klager. Dit geld is niet aan klager overgemaakt zodra de gelegenheid zich voordeed, wat in strijd is met artikel 6.19 lid 2 Voda. Klacht deels gegrond. Berisping. Geen proceskostenveroordeling.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 26-135/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder
gemachtigde: mr. F.L.C. Schoolderman

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 14 oktober 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 20 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K275 2025 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 juli 2026. Klager was daarbij niet aanwezig. Verweerder en zijn gemachtigde waren wel aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van verweerder van 13 juli 2026.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerder heeft klager bijgestaan in een procedure bij de kantonrechter over een schadevergoeding na een autobotsing. Bij mondelinge uitspraak van 8 mei 2025 heeft de kantonrechter de vordering van klager toegewezen. De wederpartij is veroordeeld tot betaling € 2.724,01 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.368,70 vanaf 5 juni 2024 tot aan de dag van algehele voldoening. Ook is de wederpartij veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 685,-, waaronder € 476,- aan salaris voor verweerder.
2.3    Op 7 juni 2025 heeft verweerder bij de wederpartij aangedrongen op betaling van de vordering. Op 30 juni 2025 heeft klager bij verweerder nagevraagd of het bedrag al was ontvangen, omdat hij drie weken niets van verweerder heeft gehoord. Op 3 juli 2025 heeft verweerder opnieuw bij de wederpartij aangedrongen tot betaling. Op 13 augustus 2025 heeft verweerder zich rechtstreeks tot de verzekeraar van de wederpartij gewend voor de betaling van de vordering.
2.4    Op 21 augustus 2025 heeft verweerder aan klager geschreven dat hij van de advocaat van de wederpartij heeft begrepen dat de verzekeraar het bedrag zal overmaken, dat het totaalbedrag € 3.257,44 moet zijn en dat de wettelijke rente is opgelopen naar € 57,43.
2.5    Op 22 augustus 2025 heeft de verzekeraar van de wederpartij € 2.583,76 overgemaakt aan verweerder. Verweerder heeft klager hierover niet geïnformeerd. Ook is het bedrag niet overgemaakt.
2.6    Op 3 september 2025 heeft klager aan verweerder per e-mail gevraagd wanneer hij de betaling kon verwachten. Verweerder heeft klager daarop telefonisch bericht dat het bedrag binnen 14 dagen zou worden gestort. Op 26 en 30 september 2025 heeft klager verweerder opnieuw per e-mail benaderd, maar geen reactie gekregen. 
2.7    Op 1 oktober 2025 is klager er na contact met de verzekeraar achter gekomen dat op 22 augustus 2025 € 2.583,76 is uitbetaald. Op 6 oktober 2025 heeft klager verzocht om totale bedrag binnen zeven dagen over te maken. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
2.8    Op 14 oktober 2025 om 11.01 uur heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Diezelfde dag om 13.50 uur heeft verweerder het bedrag van € 2.583,76 overgemaakt aan klager.
2.9    Verweerder heeft buiten de door de deken gestelde termijnen gereageerd op de klacht.
2.10    Op 13 juli 2026 heeft verweerder het bedrag van het nog niet geïnde deel van de vordering zelf overgemaakt aan klager. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a)    Verweerder heeft klagers belangen onvoldoende behartigd, door belangrijke documenten niet tijdig door te sturen;
b)    Verweerder heeft de vertrouwelijkheid geschonden door vertrouwelijke gegevens te delen of te behandelen op een wijze die niet strookt met de zorgvuldigheid die van een advocaat mag worden verwacht;
c)    Verweerder heeft onvoldoende gecommuniceerd en is niet transparant geweest over de betaling. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdelen a) en b)
5.2    Klager heeft niet nader geconcretiseerd welke documenten niet tijdig zouden zijn doorgestuurd door verweerder. Bij gebrek aan deze feitelijke onderbouwing zal de raad dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. Datzelfde geldt ook voor het schenden van de vertrouwelijkheid. Ook dit klachtonderdeel is niet nader geconcretiseerd door klager of voorzien van feitelijke onderbouwing. 
Klachtonderdeel c)
5.3    Verweerder heeft op 22 augustus 2025 een bedrag ontvangen van de verzekeraar, ten behoeve van klager. Dit bedrag is pas op 14 oktober 2025 overgemaakt. Op grond van artikel 6.19 lid 2 van de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda) is verweerder gehouden om derdengelden die hij onder zich heeft over te maken aan de rechthebbende zodra de gelegenheid zich voordoet, oftewel zo spoedig als mogelijk. Dat heeft verweerder ook erkend. De raad is van oordeel dat verweerder hiermee in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde (financiële) integriteit. Klachtonderdeel c) is gegrond.

6    MAATREGEL
6.1    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door derdengelden niet zo spoedig mogelijk over te maken aan zijn cliënt, de rechthebbende op dat geld. Dat is in strijd met artikel 6.19 van de Voda en de kernwaarde (financiële) integriteit. De raad acht dat ernstig. De raad begrijpt dat verweerder de gelden niet bewust zo lang onder zich heeft willen houden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij in die periode te maken had met diverse moeilijke omstandigheden op het werk, waaronder een patroon die zijn advocaat-stage onverwachts en vlak voor de afronding stopzette. Ook stelt hij dat hij door zijn medebegeleider onheus werd bejegend en financieel onder druk werd gezet. Verweerder heeft toegelicht te laat door te hebben gehad dat hij overliep en dat hij achteraf gezien niet snel genoeg om hulp heeft gevraagd. Verweerder heeft erkend dat hij fout zat, dat hij niet heeft gehandeld zoals het hoort door geen hulp in te schakelen en dat hij daar nu actief mee bezig is. Hij houdt inmiddels elders kantoor en heeft een beter ondersteunend netwerk. Ook heeft hij contact met de deken en is hij op zoek naar een coach. Dat moet hij al doen vanwege een bijzondere voorwaarde die is opgelegd bij een (deels) voorwaardelijke schorsing door de raad in het kader van een andere tuchtklacht, maar ook los van die beslissing heeft verweerder gezegd achter een coachingstraject te staan om te zorgen dat het niet nog eens fout kan gaan. De raad is van oordeel dat verweerder daarmee voldoende inzicht heeft getoond in zijn handelen en acht zijn wens om verbetering geloofwaardig. Ook heeft verweerder toegelicht dat hij op 13 juli 2026 een bedrag heeft overgemaakt aan klager ter hoogte van de vordering die nog bij de wederpartij openstaat, waarbij hij door een rekenfout zelfs te veel heeft overgemaakt. Daarmee heeft verweerder het door klager geleden nadeel in voldoende mate gecompenseerd, terwijl klagers vordering op de wederpartij kennelijk ook nog steeds inbaar is. Om die reden zal de raad volstaan met het opleggen van een berisping. Vanwege de financiële situatie van verweerder, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, ziet de raad aanleiding om af te zien van het opleggen van een kostenveroordeling. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Zoals onder 6.1 reeds is aangegeven, zal de raad afzien van een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdelen a) en b) ongegrond;
-    verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 7 september 2026