ECLI:NL:TADRSGR:2026:213 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-046/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:213 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-09-2026 |
| Datum publicatie: | 17-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-046/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder is advocaat in dienst bij een verzekeraar. Verweerder heeft de verzekeringsaanvraag van klaagster nagespeeld om informatie te vergaren over de precieze vragen die bij haar aanvraag zijn gesteld. De nagespeelde aanvraag is per ongeluk doorgeklikt waardoor klaagster daarvan een aanvraagbevestiging kreeg, maar verweerder heeft diezelfde dag nog duidelijk gemaakt dat het slechts om een simulatie ging. Geen (evidente) verwerking van persoonsgegevens in strijd met de AVG. Dat oordeel is voorbehouden aan de Autoriteit Persoonsgegevens. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 26-046/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: [naam]
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 5 mei 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 20 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K111 2025
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 juli 2026. Daarbij
waren klaagster, haar gemachtigde en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende
stukken van klaagster van 2 februari 2026 en van verweerder van 3 februari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft in oktober 2022 een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering
bij [verzekeraar]. Medio 2024 heeft [de verzekeraar] de verzekering van klaagster
opgezegd en haar naam opgenomen in frauderegisters. Klaagster heeft daarover een klacht
ingediend.
2.3 Verweerder is advocaat in loondienst bij [verzekeraar]. Op 16 augustus 2024
heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“In het kader van uw klacht tegen de opzegging van uw arbeidsongeschiktheidsverzekering
hebben wij vandaag uw aanvraag van oktober 2022 in de webmodule ingevuld. Een en ander
teneinde vast te stellen welke informatie [de verzekeraar] via die webmodule aan u
heeft verstrekt. Onbedoeld is de bevestiging van die (nagespeelde) aanvraag aan u
per bovenstaand e-mail gestuurd. U kunt die bevestiging als niet gestuurd beschouwen.
Excuses voor het ongemak.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft zonder toestemming heimelijk klaagsters (bijzondere) persoonsgegevens
gebruikt voor het doen van een nieuwe verzekeringsaanvraag.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
5.2 Verweerder heeft toegelicht dat hij de aanvraag van klaagster aan de hand
van haar gegevens heeft nagespeeld, om informatie te vergaren over precieze vragen
die in oktober 2022 zijn gesteld, welke antwoorden daarop door klaagster zijn gegeven
en welke informatie dan verschijnt in het scherm. Dat heeft verweerder in het belang
van zijn cliënte, [de verzekeraar], kunnen doen. Dat hij de nagespeelde aanvraag per
abuis heeft doorgeklikt waardoor klaagster daarvan een bevestiging heeft gekregen,
is onhandig maar dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder heeft klaagster
diezelfde dag nog geïnformeerd over het voorval, zodat het voor haar ook duidelijk
was dat het slechts om een simulatie ging en dat er geen daadwerkelijke aanvraag is
gedaan. Daarmee heeft hij zijn fout rechtgezet. Niet is komen vast te staan dat de
aanvraag voor andere doeleinden is gebruikt dan verweerder heeft toegelicht. Er hebben
geen nadere handelingen plaatsgevonden waaruit blijkt dat de aanvraag in behandeling
is genomen, zoals het verzenden van een polisblad aan klaagster. Het grootschalige
complot van meerdere verzekeraars waarvan volgens klaagster sprake is, is gebaseerd
op vermoedens, maar niet onderbouwd met feiten. De klacht is ongegrond.
5.3 Voor zover klaagster ook bedoeld heeft te klagen over schendingen van de
AVG door het verwerken van haar (bijzondere) persoonsgegevens, geldt dat het de raad
voorkomt dat het gewraakte handelen van verweerder geen (evidente) verwerking van
persoonsgegevens in strijd met de AVG oplevert. Dit oordeel is echter voorbehouden
aan de Autoriteit Persoonsgegevens (zie HvD 4 september 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:148).
Ook in zoverre kan de klacht dus niet gegrond worden verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 september 2026