ECLI:NL:TADRSGR:2026:212 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-044/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:212
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 17-09-2026
Zaaknummer(s): 26-044/DH/RO
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familiezaak. Verweerster heeft vergaande en onvoldoende gefundeerde uitlaten gedaan over klager, waarbij zij strafrechtelijke kwalificaties heeft gebruikt. Een en ander was onnodig grievend en daarmee onbetamelijk.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 26-044/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerster 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 2 oktober 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 20 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2026-003 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 juni 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager is met zijn ex-partner (hierna: de vrouw) verwikkeld (geweest) in een geëscaleerd geschil rondom de beëindiging van hun relatie en het gezag over en de omgang met minderjarige kinderen. De vrouw, advocaat, is bijgestaan door verweerster. Klager wordt bijgestaan door mr. H. 
2.3    In een bericht van 15 augustus 2024 van Veilig Thuis aan klager en de vrouw blijkt dat de omgang volgens klager en de vrouw “goed genoeg” gaat en dat volgens Veilig Thuis geen aanwijzingen bestaan voor acute of structurele onveiligheid. Volgens het bericht zijn er “geen nieuwe meldingen gekomen in de tussentijd”. Veilig Thuis heeft bij klager aangegeven dat het van belang is dat hij zijn emoties onder controle houdt. Dat betekent “geen ongewenste liefdesverklaringen of pogingen tot relatieherstel omdat deze de indruk kunnen wekken, of zo kunnen worden ervaren, van stalking”. 
2.4    Op 26 oktober 2024 heeft de ex-schoonmoeder tekstberichten verstuurd naar haar zoon/de broer van de vrouw. Onder meer heeft ze het volgende geschreven: 
-    [Klager] is bij mij. 
-    Morgen ga ik naar [klager]s huis.
-    Ik ben er elke dag. 
Op de vraag waarom ze elke dag bij [klager] verblijft heeft ze het volgende geschreven:
-    Die klojo staat er alleen voor, kan geen vrouw vinden en heeft zich aan mij vastgeklampt. 
-    Rot op [zoon], ik ga elke dag naar [klager]s huis en ben nu hier. 
2.5    Uit een proces-verbaal van 27 oktober 2024 blijkt dat de vrouw op 26 oktober 2024 is aangehouden in verband met mishandeling en bedreiging. Uit het proces-verbaal blijkt dat er al vanaf 2022 meldingen bekend zijn van, zakelijk weergegeven, ruzie en twist tussen klager en de vrouw. 
2.6    Op 18 december 2024 heeft verweerster onder meer het volgende geschreven aan de advocaat van klager: 
“Voordat ik inga op uw verzoeken eerst iets over de voorgeschiedenis tussen cliënten. Die voorgeschiedenis is namelijk van belang voor hoe partijen in de toekomst met elkaar verder kunnen. 
Stalking, bedreigingen en relatie met (ex-)schoonmoeder 
Het verbreken van de relatie door cliënte ging niet zonder slag of stoot. Uw cliënt heeft cliënte lange tijd gestalkt en bedreigd (kom bij mij terug, of anders ....). Door meerdere inmengingen van o.a. de politie is dat "gepauzeerd". Eind oktober 2024 is gebleken dat uw cliënt er een (amoureuze/ongepaste) relatie op nahoudt met de moeder van cliënte, zijn ex-schoonmoeder dus. Die ex-schoonmoeder kamp met psychische problematiek en is op zijn zachts gezegd beïnvloedbaar. Uw cliënt heeft samen met zijn ex-schoonmoeder een aangifte bekokstoofd van mishandeling. Cliënte zou haar moeder hebben mishandeld. Cliënte heeft lange tijd omwille van de kinderen het gedrag van uw cliënt geslikt, zowel tijdens al na het verbreken van de relatie. Het voorval in oktober van dit jaar was de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. Partijen hebben over en weer aangifte gedaan van o.a. bedreiging. Er valt nog veel meer te zeggen over de voorgeschiedenis tussen cliënten, maar voor nu lijkt mij dat niet nodig. Uiteraard zal dat ik een procedure wel aan bod komen. (…)”
Vervolgens heeft verweerster in de brief een voorstel gedaan om, zakelijk weergegeven, de omgang tussen klager en de kinderen te hervatten en verzocht om een voorstel over kinderalimentatie. 
2.7    Op 19 december 2024 heeft de advocaat van klager als volgt gereageerd: 
“Vooreerst wijst cliënt erop, dat de inhoud van uw e-mail hem heeft verbaasd. Het is voor hem onnavolgbaar dat de stellingen en beweringen van uw cliënte zo als feitelijk vaststaand worden gepresenteerd en naar aanleiding van die stellingen en beweringen een conclusie wordt getrokken die volgens cliënt niet juist is en volgens cliënt bovendien bijzonder laakbaar is. Cliënt ontkent hetgeen uw cliënte als vaststaand feit presenteert en meent eveneens dat het zorgelijk is dat uw cliënte kennelijk op dat niveau wenst te communiceren. 
Cliënt wijst in dat verband op het navolgende: 
• Cliënt ontkent een ongepaste relatie te hebben gehad met zijn ex-schoonmoeder. Cliënt heeft mij aangegeven niet met de moeder van uw cliënt een aangifte te hebben bekokstoofd van mishandeling. Cliënt wijst er bovendien op dat uw cliënte wordt vervolgd voor hetgeen de moeder van uw cliënte heeft ervaren. Daar heeft cliënt geen rol in gehad. Cliënt is enkel en alleen opgeroepen als getuige door de politie. 
• Cliënt ontkent dat er sprake is geweest van stalking. In het begin heeft cliënt geprobeerd om op een goede voet met uw cliënte verder te gaan en daardoor de discussies bij te leggen, omwille van de kinderen. Er is volgens cliënt geen interventie geweest door de politie met betrekking tot de bewerkelijke stalking. Cliënt geeft aan juist het tegenovergestelde te hebben ervaren, waarbij volgens cliënt uw cliënte gedrag vertoonde dat aldus cliënt op stalking leek. 
• In april 2024 is er door uw cliënte aangifte gedaan van huisvredebreuk, waarbij cliënt heeft aangegeven dat uw cliënte zich op het standpunt stelde dat cliënt niet woonachtig zou zijn in de woning en de woning weigerde te verlaten. Deze zaak is geseponeerd, met als uitleg dat uit de bewijsstukken bleek dat het verhaal van uw cliënte niet klopte. 
Wat hiervan ook zij. De geschillen tussen partijen kunnen geen reden vormen om het contact tussen cliënt en de kinderen stop te zetten. Volgens cliënt is er geen enkele reden waarom het contact tussen cliënt en de kinderen niet vormgegeven kan worden. (…)”
2.8    Op 19 december 2024 heeft verweerster onder meer het volgende geschreven aan de advocaat van klager:
“(…) Ik mis in uw bericht de toezegging dat vader de kinderen niet in contact zal brengen met zijn ex-schoonmoeder en mevrouw G(…). De ex-schoonmoeder heeft aangegeven dat zij bij uw cliënt woont. Vandaar dat dit punt expliciet onder de aandacht wordt gebracht. (…)”
2.9    De advocaat van klager heeft als volgt gereageerd: 
“Ik benadruk namens cliënt andermaal dat het zeer laakbaar is, dat zaken die uw cliënte stelt als waarheid c.q. feit worden gepresenteerd. Er wordt daardoor een beeld geschetst welke volgens cliënte verre van waar is. Daarbij vraagt cliënt zich echt af waar uw cliënte het vandaan haalt dat haar moeder bij cliënt woont. Dat is geenszins het geval. 
Cliënte roept uw cliënte op om niet meer op deze wijze te communiceren en het overleg op een gepaste wijze aan te gaan. Cliënt wijst er bovendien op dat het een aantal treden zijn die de kinderen moeten oplopen, het dus niet meerdere trappen zijn en cliënt de kinderen bovendien zal opwachten als uw cliënte de kinderen brengt. (…)”

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende: 
a)    Verweerster heeft zich tegen de advocaat van klager onnodig grievend uitgelaten over klager, door “de meest verwerpelijke verwijten” als feiten te presenteren. 
Ter onderbouwing van de klacht citeert klager verweerster:
-    Uw cliënt heeft cliënte lange tijd gestalkt en bedreigd (kom bij mij terug, of anders ....). Door meerdere inmengingen van o.a. de politie is dat "gepauzeerd". 
-    Eind oktober 2024 is gebleken dat uw cliënt er een (amoureuze/ongepaste) relatie op nahoudt met de moeder van cliënte, zijn ex-schoonmoeder dus. Die ex-schoonmoeder kampt met psychische problematiek en is op zijn zachts gezegd beïnvloedbaar. 
-    Uw cliënt heeft samen met zijn ex-schoonmoeder een aangifte van mishandeling bekokstoofd. Cliënte zou haar moeder hebben mishandeld. 
b)    Verweerster is niet oplossingsgericht. Met haar uitlatingen heeft zij klager en de vrouw verder uit elkaar gedreven. De omgang met de kinderen is door toedoen van verweerster stopgezet. 
3.2    Volgens klager is geen sprake (geweest) van stalking en niet van een relatie met de moeder van de vrouw. Er is geen sprake geweest van het bekokstoven van een aangifte; klager is slechts als getuige verhoord. 
3.3    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. 
Stalking en bedreiging
4.2    Verweerster heeft aangevoerd dat zij geen reden had om te twijfelen aan de mededelingen die de vrouw haar had gedaan over stalking en bedreiging. Als advocaat mag zij er ook in beginsel van uitgaan dat de informatie die zij van haar cliënte heeft gekregen juist is. Het verhaal van de vrouw is overigens ondersteund door een proces-verbaal in het politiedossier (zie 2.5), een bericht van Veilig Thuis (zie 2.3), de opname van een telefoongesprek met klager en een gesprek dat verweerster heeft gevoerd met de politie Rotterdam. 
4.3    Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat de vrouw al vanaf 2021 meerdere keren de politie heeft ingeschakeld, omdat klager de woning niet wilde verlaten, dat de vrouw aangifte heeft gedaan van stalking, dat er een contactverbod aan klager is opgelegd, dat klager dit contactverbod zou hebben overtreden en dat de vrouw bang was voor klager. 
4.4    In het bericht van Veilig Thuis staat dat het van belang is dat klager zijn emoties onder controle houdt en dat hij geen ongewenste liefdesverklaringen of pogingen tot relatieherstel moet doen, omdat deze de indruk kunnen wekken, of kunnen worden ervaren, als stalking. 
4.5    In de opname van het telefoongesprek tussen klager en een broer van de vrouw zegt klager onder meer: 
“Ik heb iedereen gebeld” 
“Wacht maar wat ik bij je kinderen bij jullie ga doen”  
“Ik ga je van achter pakken” 
“Ik ben niet klaar met jou/jullie” 
4.6    Op 13 november 2024 hebben verweerster en de vrouw uitgebreid gesproken met een van de rechercheurs die destijds betrokken was bij de meldingen/aangifte van de vrouw. Hij herinnerde zich de zaak nog goed. Hij heeft ook aangegeven dat hij onaangenaam verrast en verbaasd was dat de stalkingzaak tegen klager niet is doorgezet.
Ex-schoonmoeder
4.7    Verweerster heeft toegelicht dat de vrouw geen contact had met haar moeder en dat zij ervan uitging dat haar moeder in het buitenland verbleef. In tekstberichten van de moeder van de vrouw aan andere familieleden schreef de moeder echter dat zij bij klager verbleef en dat klager zich aan haar had “vastgeklampt”. De moeder heeft aan familieleden ook bevestigd dat zij een relatie had met klager. 
Bekokstoven aangifte
4.8    Volgens verweerster is de vrouw ten onrechte aangehouden en verhoord als verdachte van mishandeling van haar moeder. De vrouw heeft verweerster verteld dat klager meerdere malen heeft gedreigd met het doen van aangifte tegen haar, zonder dat klager duidelijk maakte waarom aangifte zou worden gedaan. Verweerster heeft het onderzoeksdossier bestudeerd en heeft geconcludeerd dat de aangifte van de moeder niet strookt met de onderzoeksbevindingen. Voor de vrouw vielen de puzzelstukjes op zijn plek nadat klager bij haar moeder was geweest en er tegen haar aangifte was gedaan van mishandeling van haar moeder, aldus verweerster. 
4.9    Het was volgens verweerster in kader van de behartiging van de belangen van de vrouw noodzakelijk om – vanuit het perspectief van de vrouw – de achtergrond te schetsen, de complexe verhouding tussen klager en de vrouw toe te lichten en uit te leggen wat maakte dat de vrouw bepaalde standpunten innam. Verweerster heeft voldoende duidelijk gemaakt dat zij het standpunt van de vrouw heeft verwoord. 
4.10    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
–           het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
–           het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
–           het verloop van het geschil tot dan toe en
–           de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a) 
5.3    Verweerster heeft geschreven dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan stalking en bedreiging. Dat zijn strafrechtelijke kwalificaties en dat is naar het oordeel van de raad te stellig. Uit onder meer het proces-verbaal (zie 2.5) blijkt weliswaar dat sprake was van incidenten tussen klager en de vrouw waarvan bij de politie melding is gedaan, maar dat rechtvaardigt niet de ongeclausuleerde strafrechtelijke kwalificaties die verweerster heeft gebruikt. 
5.4    Naar het oordeel van de raad heeft verweerster ook een grens overschreden toen zij schreef dat sprake was van een amoureuze/ongepaste relatie tussen klager en de moeder van de vrouw. Deze kwalificatie is te vergaand. Dat de vrouw zich zorgen maakte over de uit correspondentie met de familie naar voren komende band tussen klager en zijn ex-schoonmoeder in relatie tot de zorgregeling had verweerster ook op die wijze als zorg van de vrouw kunnen communiceren.
5.5    Verweerster is ook te ver gegaan toen zij schreef dat klager een aangifte tegen de vrouw had bekokstoofd. Voor deze stelling is geen enkele feitelijke onderbouwing; het ging ook hier om vermoedens bij de vrouw en verweerster had dat tot uitdrukking moeten brengen. 
    Naar het oordeel van de raad zijn deze vergaande en onvoldoende gefundeerde uitlatingen over klager onnodig grievend en daarmee onbetamelijk. Klachtonderdeel a is daarom gegrond. 
Klachtonderdeel b)
5.6    Verweerster heeft tegen dit bij repliek geformuleerde verwijt geen verweer gevoerd. Daar staat tegenover dat klager deze klacht slechts summier heeft onderbouwd. 
5.7    De raad stelt vast dat verweerster in haar e-mail van 18 december 2024 wel degelijk overleg heeft gezocht over de omgang met de kinderen en de kinderalimentatie. Hieruit volgt niet dat verweerster niet bereid was tot het zoeken van een oplossing. De raad heeft op grond van het dossier verder geen grond om aan te nemen dat de omgang tussen klager en de kinderen is stopgezet door toedoen van verweerster. Klachtonderdeel b is ongegrond. 

6    MAATREGEL
6.1    Verweerster heeft zich onnodig grievend uitgelaten over klager. Dat is onbetamelijk. Het kan leiden tot verdere escalatie en dat is niet in het belang van de ex-partners, laat staan de kinderen. De raad ziet niettemin grond om aan verweerster geen maatregel op te leggen. Verweerster heeft namelijk een schoon tuchtrechtelijk verleden, zij heeft inzicht getoond in de onzorgvuldigheid van haar handelen en zij heeft al snel nadat de klacht is ingediend bij antwoord haar excuses gemaakt. Deze heeft zij op de zitting herhaald. Ook heeft zij op zitting herhaald dat zij meer afstand had moeten nemen om tot uitdrukking te brengen dat het de ervaringen van haar cliënte waren. De raad weegt verder mee dat de uitlatingen uitsluitend zijn gedaan in correspondentie tussen de advocaten van klager en de vrouw. Had verweerster zich binnen de kaders van een procedure of jegens derden uitgelaten over klager zoals zij dat deed in de berichten aan zijn advocaat, dan was de beslissing van de raad over het opleggen van een maatregel wellicht anders uitgevallen. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel a gegrond;
-    verklaart klachtonderdeel b ongegrond;
-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. M.M. van Wijk en M.M.E. Bowmer, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 7 september 2026