ECLI:NL:TADRSGR:2026:209 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-636/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:209
Datum uitspraak: 07-09-2026
Datum publicatie: 17-09-2026
Zaaknummer(s): 25-636/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Geheimhoudingsplicht
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen de eigen advocaat in een familiezaak over de kwaliteit van dienstverlening in alle onderdelen ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 september 2026 in de zaak 25-636/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerster 


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 24 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 19 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K025 2025 ia/nm van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 juni 2026. Daarbij waren klaagster en verweerster aanwezig. 
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    In 2018 heeft verweerster klaagster bijgestaan bij haar echtscheiding. 
2.3    Op 17 januari 2024 (15.55 uur) heeft verweerster klaagster een concept verzoekschrift toegestuurd met het verzoek aan klaagster om daarop te reageren. In haar bericht heeft verweerster ook het volgende geschreven: 
“(…) Even voor de formaliteit….. volgende week donderdag krijg ik een nieuwe knie waardoor ik 2-4 weken uit de running ben. Mijn collega [mr. J] neemt voor mij waar en is zeer ervaren met alimentatieprocedures. Mocht de rechtbank derhalve een oproep doen in deze tijd dan lijkt het mij zinvol om de zitting (gezien de spoed) toch door te laten gaan omdat je anders weken vertraging oploopt. Een voorlopige voorzieningen procedure is een spoedvoorziening die geldt gedurende de tijd dat de echtscheiding duurt (waar overigens inmiddels veel tijd mee gemoeid is vanwege de drukte bij rechtbanken. (…)”
2.4    Klaagster heeft om 16.40 uur gevraagd of dat betekent dat verweerster er tijdens de zitting niet is.
2.5    Verweerster heeft om 16.48 uur als volgt gereageerd: 
“Als de zitting wordt gepland in mijn herstelperiode niet, maar [mr. J] is echt top met dit soort zittingen. Ze heeft net zolang ervaring als ik, dus geen zorgen. En natuurlijk kan je mij altijd even bellen (om een hart onder de riem te steken neem ik aan), maar zij is echt een topper en ik zou dat echt niet zeggen als ik daar niet voor 1000% achter zou staan. (…)”
2.6    In een e-mail van 7 maart 2024 heeft verweerster bij klaagster geïnformeerd naar de stand in een strafzaak tegen de man. Verweerster heeft in het bericht verzocht om toezending gegevens. Verweerster heeft verder het volgende geschreven:
“(…) Ik stel voor om direct na de strafzitting c.q. nadat de uitkomst bekend is, het gewijzigd verzoek tot voorlopige voorziening in te dienen. (…)”
2.7    In maart 2024 hebben verweerster en advocaat van de man gecorrespondeerd over een minnelijke regeling. Verweerster heeft daarbij naar voren gebracht dat een redelijke maandelijkse vergoeding voor klaagster en de kinderen van groot belang is. 
2.8    Op 23 mei 2024 heeft verweerster klaagster een gespecificeerde rekening gestuurd van € 1.119,28. 
2.9    In juni 2024 hebben verweerster en advocaat van de man verder gecorrespondeerd over een minnelijke regeling. Daarbij is de mogelijkheid tot het starten van een wijzigingsprocedure aan de orde gekomen, maar beide advocaten stellen in de correspondentie dat zij dat liever willen vermijden. 
2.10    Per e-mail van 28 juni 2024 heeft verweerster klaagster geïnformeerd over de reactie van de advocaat van de man in de schikkingsonderhandelingen. 
2.11    Ook in juli 2024 hebben verweerster en advocaat van de man gecorrespondeerd over een schikking. In deze correspondentie heeft verweerster de mogelijkheid van het starten van een wijzigingsprocedure als optie genoemd. 
2.12    Per e-mail van 26 juli 2024 heeft verweerster klaagster geïnformeerd over de reactie van de advocaat van de man in de schikkingsonderhandelingen. 
2.13    Op 1 augustus 2024 heeft verweerster klaagster een rekening gestuurd van € 1.589,57. Op 11 september 2024 heeft verweerster klaagster een rekening gestuurd van € 1.542,54. Op 11 oktober 2024 heeft verweerster klaagster een rekening gestuurd van € 1.794,74. Op 8 november 2024 heeft verweerster klaagster een rekening gestuurd van € 1.114,58. De rekeningen zijn telkens voorzien van een specificatie. 
2.14    Op 15 januari 2025 heeft verweerster met een F-formulier aan de rechtbank en de advocaat van de man laten weten dat zij zich als advocaat van klaagster terugtrekt. 
2.15    Op 24 januari 2025 heeft verweerster klaagster laten weten dat zij de advocaat van de man het F-formulier had toegestuurd op 15 januari 2025. 
2.16    Op 28 januari 2025 heeft mr. L verweerster laten weten dat hij de zaak had overgenomen en verweerster gevraagd om toezending van het dossier. Op 29 januari 2025 is een reminder gestuurd, waarop verweerster dezelfde dag heeft gereageerd. Op 31 januari 2025 heeft verweerster het dossier van klaagster naar mr. L gestuurd. 
2.17    Op 28 maart 2025 heeft de rechtbank beslist op het verzoek tot een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft, zakelijk weergegeven, beslist dat de man kinder- en partneralimentatie moet betalen. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: 
a)    Verweerster was veelvuldig afwezig, waardoor klaagster haar zaak telkens opnieuw aan collega’s van verweerster moest uitleggen. 
b)    Verweerster was slecht bereikbaar. 
c)    Verweerster raakte belangrijke documenten en e-mails kwijt. 
d)    Tijdens een zitting voorlopige voorzieningen verscheen ineens een andere advocaat. 
e)    Verweerster heeft het dossier van klaagster niet tijdig en onvolledig overgedragen aan de opvolgende advocaat. 
f)    Verweerster maakte kwetsende opmerkingen. Toen klaagster uiteindelijk de samenwerking met verweerster beëindigde, heeft verweerster zich op een kwetsende wijze over klaagster uitgelaten tegen de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft aangegeven dat met klaagster moeilijk samen te werken was en dat klaagster een moeilijk karakter had. Klaagster vindt dat onprofessioneel en schadelijk voor haar belangen. 
g)    Verweerster heeft ongepaste opmerkingen gemaakt, waaruit bewondering voor de ex-echtgenoot van klaagster blijkt. 
h)    Verweerster heeft haar beroepsgeheim geschonden, door over klaagster te spreken met de advocaat van de man nadat verweerster zich aan de zaak had onttrokken. 
i)    Verweerster heeft onterechte of onduidelijke facturen gestuurd. 
j)    De kwaliteit van de bijstand van verweerster was onder de maat. 
3.2    Klaagster heeft verder verzocht om een financiële compensatie voor schade die zij geleden heeft door de nalatigheid en onkunde van verweerster. 
3.3    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdelen a) en b) bereikbaarheid en afwezigheid
5.2    Klachtonderdelen a en b zien beiden op de beschikbaarheid van verweerster voor klaagster. Gelet op de samenhang tussen de klachtonderdelen zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld. 
5.3    Klaagster heeft ter onderbouwing van deze klachtonderdelen slechts gesteld dat zij in correspondentie met verweerder meerdere keren haar onvrede heeft geuit over de nalatigheid van verweerster. Deze correspondentie heeft klaagster echter niet overgelegd, zodat de raad de stelling van klaagster niet kan toetsen. 
5.4    Verweerster heeft aangevoerd dat haar kantoor goed bereikbaar is en dat e-mails en telefoontjes adequaat worden beantwoord. 
5.5    De raad kan gelet op het over en weer gestelde niet vaststellen dat verweerster onvoldoende bereikbaar en beschikbaar was voor klaagster. Klaagster heeft dit deel van haar klacht onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat klachtonderdelen a en b ongegrond zijn. 
Klachtonderdeel c) kwijtraken documenten
5.6    Klaagster stelt dat verweerster “juridisch cruciale stukken” niet “tijdig of correct” heeft ingediend bij de rechtbank, dat zij stukken meerdere keren naar verweerster heeft moeten sturen. Deze nalatigheid heeft volgens klaagster geleid tot vertraging en “afwijzing van essentiële verzoeken, waaronder alimentatie, op basis van ondeugdelijke onderbouwing”.
5.7    Verweerster heeft betwist dat zij stukken kwijt is geraakt. 
5.8    De raad kan op grond van de stukken in het dossier en de verklaringen van klaagster en verweerster niet vaststellen dat verweerster belangrijke stukken is kwijtgeraakte en/of niet (tijdig) heeft ingediend bij de rechtbank. Klaagster heeft klachtonderdeel c onvoldoende feitelijk onderbouwd en het klachtonderdeel zal daarom ongegrond worden verklaard. 
Klachtonderdeel d) andere advocaat aanwezig bij voorlopige vooorziening
5.9    Klaagster heeft gesteld dat het voor haar een verrassing was dat mr. J op de zitting verscheen. 
5.10    De raad overweegt dat een advocaat verplicht is om te zorgen voor adequate waarneming en vervanging, in het geval de advocaat ziek of anderszins verhinderd is. Verweerster heeft dat gedaan. Zij liet zich vervangen door haar kantoorgenoot en heeft de vervanging bovendien tijdig aangekondigd bij klaagster, omdat haar afwezigheid voorzien was. De raad wijst op de berichten van verweerster van 17 januari 2024, waarop klaagster ook heeft gereageerd. Uit de berichten blijkt dat klaagster wist dat verweerster mogelijk zou worden waargenomen door haar kantoorgenoot mr. J. Klaagster is ook de keuze gegeven om de zitting uit te stellen en te wachten tot verweerster hersteld was. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat klaagster op dit punt bezwaar heeft gemaakt. De stelling van klaagster dat de bijstand van mr. J tijdens de zitting ontoereikend was, heeft zij niet feitelijk onderbouwd en is bovendien door verweerster weersproken. Klachtonderdeel d is ongegrond. 
Klachtonderdeel e) onvolledige en niet tijdige overdacht dossier
5.11    Volgens klaagster ontbrak correspondentie in het dossieroverzicht. Het nalaten van verweerster op dit punt heeft geleid tot vertraging en tot onnodige verzwakking van de juridische positie van klaagster.
5.12    De raad stelt vast dat verweerster het dossier enkele dagen nadat mr. L daarom heeft verzocht heeft toegestuurd. De raad kan op grond van de stukken in het dossier niet vaststellen dat het overgedragen dossier onvolledig was of niet tijdig is overgedragen Klaagster heeft klachtonderdeel e op dit punt onvoldoende feitelijk onderbouwd. Klachtonderdeel e is daarom ongegrond.  
Klachtonderdelen f) en g) kwetsende en ongepaste opmerkingen 
5.13    Klaagster stelt onweerlegbaar bewijs te hebben dat verweerster: 
-    denigrerend sprak over de financiële situatie van klaagster en zich partijdig opstelde ten gunste van de man; 
-    bewondering uitte voor de man, ondanks het feit dat hij reeds veroordeeld was voor mishandeling; zij zei over hem “wat een leuke vent” minuten voordat de mediation zou beginnen en terwijl er al een vonnis lag in de strafzaak.
-    klaagster probeerde te dwingen tot mediation, ondanks de expliciete weigering van klaagster en “de ernst van de situatie”;
-    Op een ongepaste manier de reputatie van klaagster heeft geschaad door tegenover de wederpartij te beweren dat klaagster een moeilijk karakter heeft en dat samenwerken problematisch is. 
5.14    Klaagster heeft dit bewijs echter niet overgelegd. Zij heeft wel gewezen op een chatbericht van de (ex-)man van klaagster met haar zoon. Daargelaten dat niet vaststaat dat verweerster de advocaat van de man heeft gesproken nadat zij zich had teruggetrokken, blijkt uit de chat niet wat verweerster zou hebben gezegd, maar slechts wat de (ex-)man aan de zoon heeft geschreven. Daar komt bij dat verweerster de verwijten heeft betwist. Klachtonderdelen f en g zijn als onvoldoende feitelijk onderbouwd ongegrond. 
Klachtonderdeel h) schending beroepsgeheim
5.15    Volgens klaagster heeft verweerster, nadat zij zich als advocaat van klaagster had onttrokken, contact gehad met de advocaat van de man. Dit is onprofessioneel en het heeft de belangen van klaagster geschaad. Verweerster heeft dit verwijt betwist. 
5.16    De raad kan niet vaststellen of er contact is geweest tussen verweerster en de advocaat van de man, nadat verweerster zich had teruggetrokken, laat staan dat zij daarmee haar beroepsgeheim heeft geschonden. Klachtonderdeel h is ongegrond. 
Klachtonderdeel i) onduidelijke facturen
5.17    Volgens klaagster heeft verweerster buitensporig gedeclareerd, zonder duidelijke onderbouwing.
5.18    De raad stelt vast dat verweerster klaagster regelmatig gespecificeerde rekeningen heeft gestuurd. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster vragen heeft gesteld over de facturen of deze binnen bekwame tijd na ontvangst heeft betwist. Op basis van de facturen kan ook niet worden vastgesteld dat verweerster excessief heeft gedeclareerd. Klachtonderdeel i is ongegrond. 
Klachtonderdeel j) ondermaatse kwaliteit
5.19    Klaagster heeft gesteld dat verweerster ten onrechte geen verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening heeft ingediend. Deze klacht is ongegrond. Uit de correspondentie zoals weergegeven in 2.6 tot en met 2.12 blijkt dat de mogelijkheid van het indienen van een wijzigingsverzoek telkens onderdeel was van de onderhandelingen tussen verweerster en de advocaat van de man. Zij probeerden een wijzigingsprocedure echter te voorkomen door onderling afspraken te maken, wat volgens verweerster ook gelukt is. Klaagster werd op de hoogte gehouden van de onderhandelingen. De raad heeft geen grond om aan te nemen dat verweerster de mogelijkheid van een wijzigingsverzoek niet met klaagster heeft besproken en dat zij daarom op dit punt onbetamelijk of onzorgvuldig heeft gehandeld. 
5.20    Volgens klaagster heeft de advocaat die verweerster heeft opgevolgd een verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening ingediend, “waarin duidelijk naar voren komt hoeveel fouten [verweerster] heeft gemaakt”. De rechtbank heeft volgens klaagster zelfs eerdere verzoeken afgewezen op basis van ondeugdelijke onderbouwing door toedoen van verweerster.
5.21    De raad stelt voorop dat klaagster het wijzigingsverzoek zoals ingediend door de advocaat die verweerster heeft opgevolgd niet heeft overgelegd. De raad kan de stelling dat uit dat stuk zou blijken van fouten van verweerster niet toetsen. 
5.22    Klaagster heeft ter onderbouwing van klachtonderdeel j verder gewezen op twee passages in de beschikking van 28 maart 2025. 
5.23    De raad stelt vast dat de rechtbank in de eerste door klaagster aangewezen passage overweegt dat eerder is uitgegaan van onjuiste gegevens, waardoor de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. Uit de beslissing blijkt echter ook dat het gaat om een ontslagbrief die in de eerdere procedure niet door de man is overgelegd, terwijl klaagster hier nog niet over beschikte. Deze ontslagbrief is pas na de zitting in de eerdere procedure naar klaagster gestuurd, terwijl de man er ten tijde van de eerdere mondelinge behandeling reeds kennis van had. Verweerster kon er aldus niet over beschikken toen zij de procedure voorbereidde en zij heeft op dit punt dus geen steken laten vallen. 
5.24    In de tweede passage waarop klaagster heeft gewezen, heeft de rechtbank overwogen dat klaagster niet eerder een wijzigingsprocedure is gestart. De raad verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen; verweerster heeft in overleg met klaagster geen wijzigingsprocedure ingesteld, omdat zij probeerde tot minnelijke afspraken te komen. Niet gebleken is dat klaagster tegen deze insteek heeft geprotesteerd.
5.25    Op grond van het voorgaande komt de raad tot het oordeel dat ook klachtonderdeel j ongegrond is. 
Te laat ingediende klacht en schadevergoeding
5.26    Klaagster heeft verweerster nog het verwijt gemaakt dat zij haar tegen haar wil heeft gedwongen tot een viergesprek. Klaagster heeft dit klachtonderdeel te laat ingediend en het zal daarom niet worden beoordeeld door de raad. 
5.27    Daargelaten dat de mogelijkheden tot toewijzing van schadevergoedingsvorderingen in het tuchtrecht in zijn algemeenheid beperkt zijn, bestaat geen grond voor toekenning van een schadevergoeding. De klacht is immers in alle onderdelen ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond;
-    wijst het verzoek tot schadevergoeding af.


Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. M.M. van Wijk en M.M.E. Bowmer, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

Griffier    Voorzitter


Verzonden op:  7 september 2026