ECLI:NL:TADRSGR:2026:208 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-559/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:208 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-09-2026 |
| Datum publicatie: | 16-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-559/DH/DH |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klager wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht wegens het ontbreken van een eigen rechtstreeks belang bij de klacht over verweerder. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Den Haag
van 2 september 2026
in de zaak 26-559/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 1 juli 2026 met kenmerk K354 2025 en van de op de
inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Mevrouw H heeft in Marokko met bijstand van een Marokkaanse advocaat op 19
september 2022 een echtscheidingsprocedure gestart tegen klager, met wie zij naar
Marokkaans recht was gehuwd.
1.2 Op 8 mei 2023 heeft verweerder op verzoek van mevrouw H als haar advocaat
in Nederland de oproep van de Marokkaanse Familie Rechtbank te Taza, Marokko, door
een deurwaarder aan klager op zijn adres in Nederland laten betekenen.
1.3 Via de Marokkaanse advocaat van mevrouw H heeft verweerder aan klager een
referteverklaring in de Arabische taal laten sturen. Klager heeft met de echtscheiding
ingestemd door deze verklaring te ondertekenen en te laten legaliseren bij het Marokkaanse
consulaat in Nederland.
1.4 Op 11 september 2023 is in Marokko de echtscheiding tussen mevrouw H en klager
uitgesproken en is kinderalimentatie ten laste van klager vastgesteld. Tegen deze
uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
1.5 Op 12 januari 2024 heeft verweerder klager namens mevrouw H verzocht om de
achterstallige alimentatie, die in Marokko betaald moest worden, te voldoen.
1.6 Op 8 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
de voor een advocaat vereiste onafhankelijkheid en integriteit niet in acht te hebben
genomen doordat hij een nauwe persoonlijke relatie met zijn cliënte onderhield, wat
tot misbruik van de positie van verweerder en een oneerlijke juridische positie voor
klager heeft geleid.
Toelichting: Vanaf 8 mei 2023 heeft verweerder als advocaat van mevrouw H opgetreden
tegen klager door hem brieven te sturen en een deurwaarder richting klager in te schakelen.
Op 28 november 2024 heeft klager van de vader van mevrouw H gehoord dat verweerder
tijdens die juridische bijstand een intieme relatie met mevrouw H onderhield. Daardoor
is sprake geweest van een ernstig belangenconflict, heeft de vereiste onafhankelijkheid
en integriteit bij verweerder ontbroken, en is mogelijk misbruik van vertrouwelijke
informatie gemaakt. Volgens klager verblijft mevrouw H in Nederland. Onduidelijk is
wat haar verblijfstatus is, maar zij staat in een nauwe relatie tot verweerder. Daaruit
volgt dat de persoonlijke belangen van verweerder een rol moeten hebben gespeeld gedurende
zijn optreden als advocaat tegen klager. Klager heeft daardoor financiële en emotionele
schade opgelopen.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het
algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om
te klagen.
4.2 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klager geen eigen persoonlijk belang
bij zijn klacht. Verweerder heeft in Nederland voor zijn cliënte opgetreden in haar
geschil met klager. Uit de stukken is niet gebleken dat klager een cliënt van verweerder
of van zijn kantoor is geweest zodat reeds daarom van een vermeend belangenconflict
waardoor klager rechtstreeks zou zijn of kunnen worden getroffen geen sprake kan zijn
geweest. Dat verweerder een relatie met zijn cliënte zou hebben gehad en daarmee zijn
onafhankelijkheid en integriteit zou hebben geschonden, wat er ook zij van deze in
het geheel niet onderbouwde stelling, levert op zichzelf geen rechtstreeks belang
van klager op. De overige verwijten van klager zijn onvoldoende concreet onderbouwd
om daaruit een eigen belang van klager af te kunnen leiden.
4.3 Dit leidt daartoe dat de voorzitter de klacht kennelijk niet-ontvankelijk
zal verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling daarvan komt de voorzitter niet meer
toe.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 september 2026