ECLI:NL:TADRSGR:2026:207 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-503/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:207 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-09-2026 |
| Datum publicatie: | 16-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-503/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster met haar handelen niet de grenzen overtreden van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klaagster. Verweerster heeft bij haar partijdig optreden voor haar cliënt voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klaagster. Zo mocht verweerster een selectie foto's overleggen. Het lag op de weg van klaagster om daartegen verweer te voeren. Daarnaast stond het verweerster vrij om tijdens een zitting een bewijsvoorstel te doen zoals gedaan. Kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Den Haag
van 2 september 2026
in de zaak 26-503/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 14 april 2026 met kenmerk K330 2025 en van de op de inhoudelijke inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 6 juli 2026 van verweerster. Klaagster heeft, alhoewel zij daartoe op haar verzoek in de gelegenheid is gesteld, niet voor de verlengde termijn van 17 augustus 2026 aanvullende stukken ingediend.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 28 oktober 2020 is zoon M (hierna: de zoon) uit klaagster geboren, klaagster
had eenhoofdig gezag over de zoon.
1.2 Klaagster en de heer N (hierna: de man), beiden met de Poolse nationaliteit,
hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. De relatie is in december
2023 geëindigd.
1.3 Op 26 februari 2024 heeft de man bij de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de
rechtbank) een bodemprocedure aangespannen tegen klaagster en gelijktijdig een voorlopige
voorziening tot vaststelling van een omgangsregeling met de zoon verzocht. In het
verzoekschrift in de bodemprocedure heeft de man onder meer verzocht om vast te stellen
dat hij de biologische vader van de zoon is, klaagster en hem te belasten met het
gezamenlijke gezag over de zoon en een zorg- en contactregeling vast te stellen, althans
aan de man vervangende toestemming te verlenen om de zoon als zijn kind te erkennen.
Klaagster heeft betwist dat de man de biologische vader van de zoon is.
1.4 Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 25 april 2024 heeft de rechtbank,
kort gezegd, tussen de zoon en de man een voorlopige contactregeling vastgesteld.
Na deze beschikking hebben klaagster en de man geprobeerd om hun relatie te herstellen
en voor de zoon een gezin te vormen. Deze verzoening is niet gelukt. Vanaf januari
2025 heeft de man de zoon niet meer gezien.
1.5 Op 1 april 2025 heeft in de bodemprocedure een mondelinge behandeling bij
de rechtbank plaatsgevonden. Daarbij waren onder meer klaagster, bijgestaan door haar
toenmalige advocaat mr. K, en de man, bijgestaan door verweerster, en de bijzondere
curator namens de zoon aanwezig. Tijdens deze zitting zijn afspraken door partijen
gemaakt dat de man voorlopig omgang zal hebben met de zoon en dat dit onder begeleiding
zal zijn van Dynamiek Jeugd. Klaagster heeft met dit traject ingestemd en toegezegd
voor verwijzing naar Dynamiek Jeugd te zorgen.
1.6 Bij de (tussen)beschikking over afstamming, gezag en omgang van 10 april
2025 heeft de rechtbank onder meer een voorlopige begeleide contactregeling tussen
de zoon en de man vastgesteld, een deskundige benoemd om te onderzoeken of de man
de biologische vader van de zoon is en de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd
nader onderzoek in te stellen en te adviseren, en iedere verder beslissing pro forma
tot 9 september 2025 aangehouden.
1.7 In de (tussen)beschikking van 20 augustus 2025 heeft de rechtbank overwogen
dat klaagster niet heeft gehandeld conform de beschikking van 10 april 2025 door geen
verwijzing van de zoon naar Dynamiek Jeugd te regelen. De rechtbank heeft een voorlopige
onbegeleide omgangsregeling tussen de man en de zoon vastgesteld en iedere verdere
beslissing aangehouden. Omdat klaagster niet langer door een advocaat werd bijgestaan,
zijn de verzoeken van klaagster daarna door de rechtbank niet in behandeling genomen.
1.8 Op 4 november 2025 en op 27 november 2025 heeft verweerster namens de man
naar aanleiding van de tussenbeschikkingen van 10 april 2025 en 20 augustus 2025 en
het niet meewerken door klaagster aan de opgelegde omgangsregeling en het gelaste
DNA-onderzoek aanvullende verzoeken bij de rechtbank ingediend.
1.9 Op 25 november 2025, aangevuld op 2 december 2025, heeft klaagster bij de
deken een klacht ingediend over verweerster.
1.10 Op 2 december 2025 heeft een zitting in kort geding bij de rechtbank plaatsgevonden.
Daarbij waren klaagster en de man, bijgestaan door verweerster, aanwezig.
1.11 Bij vonnis in kort geding van 16 december 2025 heeft de rechtbank klaagster
veroordeeld haar medewerking te verlenen aan een voorlopige omgangsregeling tussen
de man en de zoon, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat klaagster
daaraan niet voldoet, met een maximum van € 5.000,-.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) klaagster op 6 oktober 2025 aan te schrijven en daarin bewust ten nadele van
klaagster een onredelijk korte reactietermijn tot 10 oktober 2025 te geven, terwijl
klaagster die brief pas op 13 oktober 2025 heeft ontvangen;
b) bewust (i) onjuiste misleidende en (ii) voor klaagster denigrerende uitlatingen
in processtukken te doen, waarvoor geen juridische grondslag bestond;
Toelichting: In haar processtukken heeft verweerster haar cliënt als de ‘vader van
de zoon’, de zoon van klaagster als ‘zijn zoon’ en klaagster als ‘echtgenote’ aangeduid,
terwijl het vaderschap niet is erkend en niet gerechtelijk is vastgesteld. Ook heeft
verweerster juridisch onjuiste en onderling tegenstrijdige standpunten in haar processtukken
opgenomen. Verweerster heeft hiermee bewust de rechtbank misleid, de waarheidsplicht
geschonden en gepoogd om een fictieve gezinssituatie te creëren. Dit alles ten nadele
van de belangen van klaagster;
c) manipulatief gebruik te maken van foto’s;
Toelichting: Verweerster heeft foto’s gebruikt die uit hun context zijn gehaald,
slechts één contactmoment toonden en daarmee geen bewijs vormden van het zijn van
een gezin, samenwoning of juridisch vaderschap. Met deze onethische en onprofessionele
handelwijze heeft verweerster de belangen van klaagster geschaad;
d) met een voorstel om een snelle DNA-test uit te voeren te pogen een DNA procedure
te omzeilen en de rol van de rechter daarin;
Toelichting: Tijdens de tweede zitting heeft verweerster voorgesteld om in aanwezigheid
van een gezinsvoogd een ‘snelle DNA-test’ uit te voeren. Dit was zonder gerechtelijke
opdracht en in strijd met de wettelijke regels en bewijsstandaarden. De rechter heeft
dit voorstel niet onmiddellijk verworpen, geen waarschuwing aan verweerster gegeven,
maar gewacht op de reactie van de gezinsvoogd, die terecht weigerde om aan dat voorstel
mee te werken.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht gemotiveerd verweer gevoerd. De voorzitter zal
hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klaagster.
Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt
hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde
voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat
in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen
van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich
bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet
bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder
geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben
gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel
dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen,
opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.2 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals
omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel
46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en
wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.3 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, het
verloop van het geschil tot dan toe en de kans op succes van de procedure.
4.4 De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a)
4.5 Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerster erop vertrouwen dat
haar brief van 6 oktober 2025 binnen enkele dagen daarna door klaagster zou worden
ontvangen. De door verweerster gestelde termijn tot 10 oktober 2025 was ook niet onredelijk
kort. Daarbij speelt een rol dat klaagster alleen is gevraagd om haar verhinderingen
door te geven in een spoedeisende kwestie waarvoor een kort geding nodig werd geacht.
Klaagster had meteen na ontvangst van de brief op 13 oktober 2025 alsnog haar verhinderingen
aan verweerster kunnen doorgegeven of op een ander moment bezwaar kunnen maken tegen
de zittingsdatum van 2 december 2025. Dat klaagster dat heeft gedaan is de voorzitter
niet gebleken. Klaagster is ook op 2 december 2025 bij de zitting in kort geding aanwezig
geweest en heeft toen haar standpunt naar voren kunnen brengen.
4.6 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster
met haar handelen niet de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van
de wederpartij heeft overtreden. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdelen b) en c)
4.7 Gelet op de onderlinge samenhang van deze verwijten ziet de voorzitter aanleiding
om deze gelijktijdig te beoordelen.
4.8 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster bij het partijdig optreden
voor haar cliënt voldoende oog gehad voor de gerechtvaardigde belangen van klaagster.
Verweerster handelde in opdracht van haar cliënt en mocht zonder nader onderzoek afgaan
op de van haar cliënt ontvangen informatie. Dat verweerster in haar processtukken
bewust onjuiste, misleidende of onnodig grievende informatie of standpunten heeft
ingenomen heeft verweerster betwist en is de voorzitter uit de stukken ook niet gebleken.
Als partijdig advocaat kon verweerster in de processtukken het standpunt van haar
cliënt weergegeven zoals zij dat heeft gedaan. Haar cliënt was na een thuis-DNA-test
ervan overtuigd dat de zoon zijn biologische kind was. Omdat klaagster dat heeft betwist,
zal door de rechter op basis van de uitkomst van het gelaste DNA-onderzoek worden
vastgesteld wie van partijen gelijk heeft gehad.
4.9 Het is niet ongebruikelijk dat in familierechtelijke zaken de door verweerster
gebruikte, maar door klaagster gewraakte, termen worden gebruikt. Voor zover verweerster
in haar stukken al ‘de echtgenote’ zou hebben gebruikt om daarmee klaagster aan te
duiden, de voorzitter kan dat in de stukken niet terugvinden, dan zou dat zijn aan
te merken als een vergissing omdat immers van een huwelijk geen sprake was. Dat klaagster
de door verweerster gebruikte andere, naar het oordeel van de voorzitter neutrale,
terminologie als denigrerend heeft ervaren, is onvoldoende om verweerster daarvan
tuchtrechtelijk een verwijt te maken.
4.10 Als partijdig advocaat van haar cliënt mocht verweerster naar het oordeel
van de voorzitter een selectie foto’s in de procedures overleggen om daarmee zijn
standpunt aan te tonen dat sprake is geweest van ‘family life’ met de zoon tot januari
2025. Het lag op de weg van klaagster om daartegen verweer te voeren. Het is uiteindelijk
de civiele rechter die daarover inhoudelijk oordeelt, niet de tuchtrechter.
4.11 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster
met haar handelen niet de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van
de wederpartij heeft overtreden. Klachtonderdelen b) en c) worden kennelijk ongegrond
verklaard.
Klachtonderdeel d)
4.12 Verweerster stelt in haar verweer dat zij tijdens de zitting op 1 april
2025, toen partijen het erover eens waren dat een DNA-test moest worden gedaan, heeft
geopperd of het misschien sneller en goedkoper zou zijn als er een officiële en gecertificeerde
DNA-test zou worden afgenomen door de bijzondere curator of de huisarts, dus door,
een onafhankelijke derde, in plaats van door Verilabs. De bijzondere curator heeft
toen laten weten dat niet te zullen doen en heeft voorgesteld om dat via Verilabs
te laten verlopen.
4.13 Niet valt in te zien waarom verweerster dit (bewijs)voorstel namens haar
cliënt zo niet had mogen doen. Het is aan de rechter om de regie te houden tijdens
de zitting en partijen op voorstellen over en weer te laten reageren. Klaagster heeft
op het voorstel van verweerster kunnen reageren, evenals de bijzondere curator dat
heeft gedaan. Daarop heeft de rechtbank besloten om een DNA-onderzoek via Verilabs
te bevelen. Tuchtrechtelijk treft verweerster in deze geen verwijt. Ook klachtonderdeel
d) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 september 2026