ECLI:NL:TADRSGR:2026:205 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-493/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:205
Datum uitspraak: 02-09-2026
Datum publicatie: 16-09-2026
Zaaknummer(s): 26-493/DH/RO
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over deken. Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad. Verweerder heeft gehandeld overeenkomstig de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2025. Klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline 
in het ressort Den Haag

van 2 september 2026
in de zaak 26-493/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 15 juni 2026 met kenmerk R 2026/056 – A 2025/320, zaak 2539563, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 32.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager was tot 7 december 2015 advocaat in het arrondissement Limburg. In de periode 2018 tot en met 2025 heeft klager in totaal 59 klachten over leden van de balie Limburg ingediend dan wel procedures tegen leden van de Limburgse balie aanhangig gemaakt. 
1.2    Op 26 augustus 2025 heeft bij de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) een zitting plaatsgevonden in een zaak tussen klager en de Raad van Orde van Advocaten van het arrondissement Limburg (hierna: de Raad) over een verzoek tot afgifte van overzichten met daarop de naam van klager en de toevoegingen voor door klager verrichte werkzaamheden op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo-verzoek).
1.3    Op 6 oktober 2025 heeft de rechtbank in de zaak uitspraak gedaan, het beroep gegrond verklaard, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van de Raad in stand blijven, omdat de Raad terecht heeft geweigerd om de door klager gevraagde gegevens openbaar te maken op grond van de Woo. Klager heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
1.4    Op 6 november 2025 heeft klager bij de voorzitter van het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerder en gevraagd om zijn klacht te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling.
1.5    Op 11 december 2025 heeft de voorzitter van het hof van discipline de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam aangewezen voor onderzoek en behandeling van de klacht over verweerder.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder heeft grensoverschrijdend gehandeld omdat hij (of zijn ambtsvoorganger) weigert overzichten van toevoegingen te verstrekken terwijl daar geen reden voor is, omdat ter zitting van 26 augustus 2025 een beroep is gedaan op de Wet openbaarheid bestuur (hierna: Wob) terwijl deze wet sinds 1 mei 2022 is vervangen door de Woo, en omdat verweerder een klacht over wederrechtelijk ontvangen bedragen niet heeft beantwoord;
b)    verweerder heeft misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid door een ontoereikende klachtbehandeling, omdat hij door klager in oktober 2025 ingediende klachten niet in behandeling heeft genomen en omdat betaling van griffierecht wordt verlangd voordat een klacht in behandeling wordt genomen.

3    VERWEER
3.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en merkt in dat verband allereerst op dat klager hem en leden van de balie Limburg bestookt met klachten en procedures en daarmee misbruik maakt van het klachtrecht.
Verder voert verweerder aan dat de kwestie over het verstrekken van stukken onderdeel is van een bestuursrechtelijke procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en dat een oordeel daarover aan de bestuursrechter en dus niet aan de tuchtrechter is. Daarnaast merkt verweerder op dat een aantal van de klachten die klager in oktober 2025 heeft ingediend niet verder in behandeling is genomen vanwege ‘ne bis in idem’ dan wel verjaring. 
Verder voert verweerder aan dat hij op basis van de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2025 terecht heeft verzocht om betaling van griffierecht en dat hij bij het uitblijven van betaling de klacht terecht niet heeft doorgestuurd aan de tuchtrechter. 
3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Misbruik van klachtrecht
4.1    Voordat de voorzitter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht moet de voorzitter, gelet op het verweer waarin een beroep is gedaan op misbruik van klachtrecht maar ook ambtshalve, eerst beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. 
4.2    De voorzitter oordeelt dat op dit moment nog geen aanleiding bestaat om de klacht van klager niet-ontvankelijk te verklaren vanwege misbruik van klachtrecht. Dat kan mogelijk anders zijn als klager nieuwe klachten indient over verweerder in zijn hoedanigheid als deken en dat die aan de tuchtrechter worden voorgelegd, maar daarvan is de voorzitter niet gebleken. De voorzitter zal de klacht hierna inhoudelijk beoordelen.
Toetsingskader
4.3    De voorzitter stelt voorop dat het tuchtrecht bedoeld is om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.4    De voorzitter oordeelt op grond van de verwijten die klager verweerder maakt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van deken. De beoordeling van de klachtonderdelen is dan ook beperkt tot de vraag of verweerder in zijn hoedanigheid  van deken het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond
4.5    De voorzitter oordeelt op grond van het klachtdossier dat een inhoudelijk oordeel over de vraag of verweerder de door klager bedoelde overzichten van toevoegingen wel of niet moet verstrekken is voorbehouden aan de bestuursrechter. De voorzitter begrijpt dat de rechtbank Limburg in deze kwestie op 6 oktober 2025 uitspraak heeft gedaan en dat klager tegen deze uitspraak hoger beroep heeft ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Klager kan zijn verwijten over de overzichten en aanverwante Woo-/Wob-kwesties aan de Afdeling Bestuursrechtspraak voorleggen voor een inhoudelijk oordeel. Daar is in deze klachtprocedure geen ruimte voor. Klachtonderdeel a) is daarom in zoverre kennelijk ongegrond.
4.6    De voorzitter kan op grond van de stukken van klager niet vaststellen wat klager bedoelt met zijn verwijt dat verweerder de klacht op grond van wederrechtelijke ontvangst van de in de klacht genoemde bedragen onbeantwoord heeft gelaten. Nu klager dit onderdeel van zijn klacht onvoldoende duidelijk heeft gemaakt en uit het dossier verder ook niet blijkt waar dit verwijt over gaat, is klachtonderdeel a) in zoverre eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.7    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ten aanzien van de door klager in oktober 2025 ingediende klachten. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht om welke klachten het gaat en uitgelegd dat deze klachten verder niet in behandeling zijn genomen vanwege ‘ne bis in idem’ dan wel vanwege tijdsverloop. Het stond verweerder, mede gelet op de door klager in de periode van 2018 tot en met 2025 grote hoeveelheid ingediende klachten en gestarte procedures tegen leden van de Limburgse balie, vrij om zo te handelen. In zoverre is klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.
4.8    Ten aanzien van het verwijt van klager dat verweerder om betaling van griffierecht heeft verzocht voordat een klacht in behandeling wordt genomen, oordeelt de voorzitter dat verweerder daarmee heeft gehandeld overeenkomstig de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2025. Daarin is in artikel 5 vermeld dat de klager € 50 griffierecht dient te betalen voordat de klacht ter kennis kan worden gebracht van de tuchtrechter. Door klager te vragen eerst griffierecht te betalen voordat de klacht zou worden doorgestuurd naar de raad van discipline heeft verweerder het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad. Klachtonderdeel b) is op dit punt daarom kennelijk ongegrond.
Verdere overweging en conclusie
4.9    De voorzitter merkt op dat de overige stellingen die klager in zijn stukken heeft vermeld niet tot een ander oordeel leiden.
4.10    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.

Griffier                 Voorzitter


Verzonden op: 2 september 2026