ECLI:NL:TADRSGR:2026:202 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-186/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:202
Datum uitspraak: 31-08-2026
Datum publicatie: 16-09-2026
Zaaknummer(s): 26-186/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Dekenbezwaar over onder kwaliteit en kantoororganisatie. Er is sprake van tekort schieten in de schriftelijke vastlegging c.q. dossieropbouw. Ook is de waarneming niet goed op orde. Daarvoor is recent aan verweerster een coachtingstraject opgelegd, maar dat traject was nog niet aangevangen op het moment van indiening van het dekenbezwaar. Niet verwacht kan worden dat verweerster haar praktijk zo snel al weer op orde zou hebben. De raad ziet hierin aanleiding om voor dit deel af te zien van het opleggen van een maatregel. Dat is anders voor de geheimhoudersstukken die onversnipperd in een container zijn weggegooid en daar door de buren zijn aangetroffen. Hoewel verweerster stelt de juiste instructies te hebben gegeven aan haar ondersteunen personeel, is het toch niet goed gegaan. De raad weegt daarbij zwaar mee dat verweerder niet adequaat heeft gereageerd op het moment dat de deken liet weten dat geheimhoudersstukken waren aangetroffen. Verweerster heeft deze (nog steeds) niet ingezien. Waarschuwing.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 31 augustus 2026
in de zaak 26-186/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
de deken

over

verweerster 
gemachtigde: mr. R. Sanders


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 6 maart 2026 heeft de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een dekenbezwaar ingediend over verweerster.
1.2    Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 6 juli 2026. Daarbij waren de deken, met haar stafjurist mr. De Boer, en verweerster en haar gemachtigde aanwezig.
1.3    De raad heeft kennisgenomen van het dekenbezwaar (met bijlagen), het verweerschrift (met bijlagen) van 7 april 2026, de reactie (met bijlagen) van de deken van 17 juni 2026 en de reactie (met bijlagen) van de gemachtigde van verweerster van 19 juni 2026.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerster is sinds 2006 advocaat. Zij werkt voornamelijk in het straf- en jeugdrecht.
Tuchtrechtelijke voorgeschiedenis
2.3    Op 30 september 2025 heeft de deken – naar aanleiding van signalen vanaf ongeveer 2021 – een dekenbezwaar ingediend over verweerster. Het bezwaar zag er – samengevat – op dat verweerster structureel niet de zorg jegens haar cliënten betracht die van een advocaat mag worden verwacht, door onvoldoende aandacht voor een goede zaaksbehandeling (waaronder ook de correcte opbouw van dossiers en het schriftelijk bevestigen van adviezen aan cliënten). Verweerster verscheen meermaals onaangekondigd niet op zitting, ook in zaken met een verschijningsplicht, zoals strafzaken tegen minderjarigen. Ook zag het dekenbezwaar op de dossieropbouw en ondermaatse kwaliteit van dienstverlening in de zaak van cliënt C. 
2.4    Bij beslissing van 26 januari 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:30) heeft de raad op dit dekenbezwaar beslist. Het dekenbezwaar is gegrond verklaard en aan verweerster is een voorwaardelijke schorsing van vier weken opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarde is gesteld dat verweerster een coachingstraject dient te doorlopen, gericht op de inrichting van de praktijk, de prioritering en de kwaliteit van dienstverlening. 
De deken heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op 29 juni 2026 heeft de deken het hoger beroep ingetrokken, waarmee de beslissing onherroepelijk is geworden. 
2.5    Bij beslissing van diezelfde datum (ECLI:NL:TADRSGR:2026:31) heeft de raad ook beslist op een klacht die over verweerster is ingediend door cliënt C. Ook in deze beslissing is een voorwaardelijke schorsing van vier weken opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, en is als bijzondere voorwaarde gesteld dat verweerster een coachingstraject dient te doorlopen. Deze beslissing is op 26 februari 2026 onherroepelijk geworden doordat daartegen geen hoger beroep is ingesteld.
Nieuwe klachten 
2.6    In 2026 heeft de deken een aantal nieuwe signalen en klachten over verweerster ontvangen. 
2.7    Op 6 januari 2026 heeft een cliënt van verweerster (B) een klacht ingediend over het nalaten om tijdig hoger beroep in te stellen tegen een strafvonnis van de rechtbank. Verweerster heeft dit erkend en dit gemeld  bij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. De cliënt verwijt verweerster ook dat zij haar informatieplicht zou hebben geschonden door eerst na een week de beslissing op het verzoek om schorsing van de uitvoering van het vonnis aan de cliënt door te sturen. 
De deken heeft de verwachting uitgesproken dat beide klachten gegrond zullen worden verklaard door de tuchtrechter. In eerste instantie heeft de deken aan de raad bericht dat zij de klacht zelf zal voorleggen aan de raad, in het geval de cliënt dat niet doet. Nadat later is gebleken dat de cliënt de klacht niet verder wil vervolgen, heeft de deken de raad bericht dat zij de klacht toch ook niet (separaat) zal voorleggen aan de raad. 
2.8    Op 6 februari 2026 heeft een buurvrouw van verweerster een klacht ingediend over verweerster, nadat zij op 17 november 2025 (onversnipperde) geheimhouderstukken uit 2024 en 2025 heeft aangetroffen in een afvalcontainer van verweerster. De stukken zijn door stafjuristen van de deken veiliggesteld. Tussen de stukken zaten onder andere politiestukken, stukken van de Raad voor Rechtsbijstand (RvR), lijsten met dossiers en een CD behorend bij een dossier. De deken schrijft dat de stukken persoons- en financiële gegevens van meer dan dertig dossiers/cliënten (van verweerster en kantoorgenoten) bevatten.
De deken heeft de stukken niet bij het dekenbezwaar gevoegd, vanwege de vele persoonsgegevens. Zij heeft aangeboden de stukken ter zitting aan de raad te tonen.
2.9    Verweerster heeft in reactie op deze klacht onder meer geschreven:
“Klagers hebben hun burenconflict met mij in deze klacht vervlochten met een vermeende schending van mijn beroepsgeheim. (…)
Binnen mijn kantoor geldt als vaste werkwijze dat cliëntstukken uitsluitend worden vernietigd met een papierversnipperaar. Mij is achteraf gebleken dat een mbo-stagiaire, die kort daarvoor bij ons was begonnen, in strijd met de kantoorinstructie dossierstukken in mijn eigen afvalcontainer heeft gedeponeerd. Dit was mij op dat moment niet bekend. Naar aanleiding hiervan heb ik de interne instructies en begeleiding verder aangescherpt.”
2.10    Op 11 februari 2026 heeft (een stafjurist namens) de deken aan verweerster kenbaar gemaakt dat zij voornemens is een dekenbezwaar en schoringsverzoek tegen verweerster in te dienen. In het bericht is vermeld dat de door verweerster weggegooide geheimhoudingsstukken zijn veiliggesteld op het Bureau van de Haagse Orde van Advocaten.
Nieuwe signalen
2.11    Op 17 februari 2026 stond een raadkamer gevangenhouding gepland van een minderjarige cliënt van verweerster. 
2.12    Op 9 februari 2026 heeft mr. D aan de rechtbank Middelburg geschreven dat zij door haar collega, verweerster, is benaderd om de 17 februari 2026 geplande raadkamer waar te nemen. Mr. D schrijft dat zij die dag in de ochtend om 10:00 uur nog een zitting heeft in Rotterdam en zij verzoekt de rechtbank de zaak in de (loop van de) middag in te plannen. 
2.13    Een medewerker van de rechtbank heeft diezelfde dag laten weten dat het verzoek is doorgestuurd naar de voorzitter van de raadkamer gevangenhouding. Daarbij is vermeld dat de raadkamer gevangenhouding in Middelburg normaal gesproken gepland staat van 10.00 uur tot 13.00 uur. 
2.14    Op 17 februari 2026 is er geen advocaat verschenen voor de raadkamer gevangenhouding. Mr. D heeft telefonisch bijstand verleend. Op 10 maart 2026 heeft mr. D aan de deken hierover onder meer laten weten: 
“Ik was door [verweerster] gevraagd om de raadkamerzitting van 17 februari jl. bij de rechtbank Middelburg waar te nemen. Ik heb daarbij aangegeven dat ik die ochtend zelf een zitting had bij de rechtbank Rotterdam en daarom alleen beschikbaar zou zijn indien de zitting in Middelburg in de middag zou plaatsvinden. 
Op verzoek van [verweerster] heb ik contact opgenomen met de rechtbank Middelburg met de vraag of de zitting kon worden verplaatst naar de middag. De rechtbank heeft vervolgens aan [verweerster] zelf laten weten dat de zitting toch in de ochtend is ingepland.
Op de dag van de zitting ben ik na afloop van mijn zitting in Rotterdam door de rechtbank Middelburg gebeld omdat er geen advocaat was verschenen. Omdat ik bekend was met de cliënt en de zaak vanuit een eerdere waarneming, heb ik toen na overleg met de rechtbank telefonisch deelgenomen aan de raadkamerzitting, zodat de cliënt niet zonder bijstand zou verschijnen.”  
2.15    De RvR heeft de deken een overzicht verstrekt van het aantal aangevraagde toevoegingen en piketdeclaraties vanaf 1 januari 2025 tot en met half februari 2026. Hieruit volgt dat verweerster in de periode van juni 2025 tot en met half februari 2026 in totaal 168 toevoegingen heeft aangevraagd en 91 piketdeclaraties heeft ingediend. Van 1 januari 2026 tot en met half februari 2026 heeft verweerster 67 toevoegingen aangevraagd en 32 piketdeclaraties ingediend.
Kantoorbezoek en coachingstraject
2.16    Op 26 februari 2026 heeft de deken een kantoorbezoek gehouden bij verweerster. Tijdens dit kantoorbezoek heeft de deken negen dossiers van verweerster bekeken. Vier van deze dossiers betroffen recent aangenomen zaken, vier dossiers betroffen inmiddels gesloten zaken en één dossier betrof het dossier van de minderjarige cliënt van de raadkamer van 17 februari 2026. De deken heeft daarover (op 6 maart 2026) aan verweerster onder meer geschreven:
“Civiele jeugdzaak van de afgelopen maand 
Dossier 1: []
Uit het dossier [] is gebleken dat er een zitting is geweest op vrijdag 20 februari 2026 om 11:00 uur omtrent een machtiging gesloten jeugdhulp. Cliënt is minderjarig. U heeft aangegeven dat deze zitting is waargenomen door mr. [D]. In het dossier zijn geen aantekeningen of andere stukken gevonden waaruit blijkt dat u zich houdt aan uw verplichting tot schriftelijke vastlegging (gedragsregel 16). U geeft aan dat de zaak uiteindelijk niet door is gegaan, omdat de instemmingsverklaring ontbrak.
Ik heb u erop gewezen dat – zeker in het geval van een minderjarige cliënt en in de week voor de zitting – van u mag worden verwacht dat u iets van een bezoek/telefonisch contact heeft gehad met uw cliënt. Daarover dienen ook aantekeningen te worden gemaakt en deze moeten worden opgenomen in het dossier. Ik heb u daarom gevraagd wat er is gebeurd tussen 10 februari en 20 februari voor dit dossier. Cliënt was volgens u geplaatst in de [locatie]. Zeker bij minderjarigen, ook al is [locatie] niet naast de deur, had van u verwacht mogen worden dat u uw cliënt had bezocht ter voorbereiding van de zitting. U heeft aangegeven enkel telefonisch contact te hebben gehad. Aantekeningen die zien op de voorbereiding van deze zitting zijn niet aangetroffen. Tijdens het bezoek heeft u laten zien dat er WhatsApp-contact is geweest tussen u en cliënt op 20 februari. Ik heb u daarom gevraagd of er niks is gebeurd vóór 20 februari. U heeft aangegeven dat dat klopt, maar gezegd dat mr. [D] voor u zou waarnemen. Ik heb u medegedeeld dat wij aan mr. [D] zullen vragen waarom er geen bezoek-/gespreksaantekeningen in dit dossier zitten.
Drie lopende strafzaken van de afgelopen maand 
Dossier 2: [] 
Uit bovenstaand dossier is gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting op 13 februari is geopend. De gevangenhouding van verdachte is bevolen op 13 februari 2026. In het dossier is geen correspondentie zichtbaar van enige voorbereiding. Ook is er geen brief aangetroffen die naar de cliënt gestuurd is nadat het bevel tot gevangenhouding gegeven is. U zegt dat dit klopt, maar dat het een SSR-zitting was. Ik heb u gevraagd of er een piketdossier aan dit dossier vooraf is gegaan. U heeft aangegeven dat deze er geweest is, maar dat deze is waargenomen door mr. [D]. 
In het piketdossier zijn eveneens geen aantekeningen aangetroffen. Er zijn geen aantekeningen terug te vinden over de voorbespreking bij de rechter-commissaris. Eventuele andere aantekeningen over de persoonlijke omstandigheden van verdachte zaten ook niet in het dossier. U geeft aan dat in het proces-verbaal van het verhoor bij de politie informatie staat over de persoonlijke omstandigheden. Ik heb u aangegeven dat mij dat bevreemdt daar er tijdens het politieverhoor ook informatie wordt gegeven waarvan het de bedoeling is dat deze niet worden gedeeld met de politie. Een brief naar de verdachte betreffende de veroordeling of met informatie over een hoger beroep is niet gestuurd. U heeft aangegeven dat u van tevoren bespreekt of uw cliënt in hoger beroep wil. Dit is niet te herleiden uit het dossier.
Concluderend, er zitten geen gespreksaantekeningen, geen piketaantekeningen in het dossier. Enige blijk van voorbereiding in dit dossier ontbreekt. Er zit enkel een bevel in dit dossier. 
Dossier 3: [] 
In dit dossier is enkel een document, bestaande uit 1 A4, aangetroffen betreffende een melding consultatiebijstand. Ik heb u gevraagd waar de piketaantekeningen zijn. U heeft aangegeven dat u geen piketaantekeningen maakt. Als u wat opschrijft, doet u dat op de piketmelding zelf. U heeft geen persoonlijke aantekeningen gemaakt over uw cliënt. 
Dossier 4: [] 
Dit dossier was leeg. U heeft toegelicht dat dit dossier alvast op voorhand is aangemaakt door uw assistente.
Vier strafzaken die zijn afgerond 
Dossier 5: [] 
In dit dossier is zichtbaar geworden dat er 7 juni 2026 een zitting is geweest. Het betreft wederom een SSR-melding. Er zijn geen aantekeningen aangetroffen, geen opdrachtbevestiging en ook geen afsluitende brief. 
Dossier 6: [] 
In dit dossier is zichtbaar geworden dat er een OM hoorzitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2026. Dit was wederom een SSR-dossier. U heeft aangegeven dat mr. [D] voor u heeft waargenomen. Er zijn geen aantekeningen aangetroffen van de hoorzitting. Gebleken is dat cliënt veroordeeld is tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen met aftrek, waarvan 12 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar. Er is geen opdrachtbevestiging of afsluitbrief aangetroffen in dit dossier. Ook ontbrak de vastlegging dat u cliënt geïnformeerd heeft over een eventueel hoger beroep en de daarbij horende termijn.
Dossier 7: [] 
In bovenstaand dossier is zichtbaar geworden dat uw verzoek om schorsing is afgewezen. U heeft geen tweede verzoek ingediend. De zaak betreft een onderzoek naar een zorgmachtiging tijdens een lopende strafzaak. U heeft toegelicht dat de zorgmachtiging is afgegeven. Naar aanleiding hiervan is de voorlopige hechtenis opgeheven (dit zou tijdens de eerste raadkamer zijn besproken). Ik vroeg u of deze cliënt gedetineerd was in het te Scheveningen PPC. U zei dat dat waarschijnlijk klopt. U heeft aangegeven dat u deze cliënt niet heeft bezocht. U heeft enkel telefonisch contact gehad. Hierover zijn geen aantekeningen terug te vinden.
Dossier 8: [] 
Dit dossier betreft een zaak voor de Meervoudige Kamer. U stond een minderjarige verdachte bij. In het dossier zijn geen gespreksaantekeningen gevonden, geen pleitnota, geen afsluitende brief, geen overzicht van gemaakte kilometers (waarmee u zou kunnen aantonen dat u cliënt bezocht heeft). In het dossier is zichtbaar dat er een partij (parketnummer: []) ter zitting is gevoegd. Ook bevat het dossier een uitgebreid vonnis met benadeelde partijen erin. 
Dossier 9: [] 
Dit betreft het dossier waarover een signaal is ontvangen dat u niet verschenen bent op zitting d.d. 17 februari 2026. Verdachte is minderjarig. U heeft aangegeven dat u veel telefonisch contact heeft gehad met cliënt, maar dat u hiervan geen aantekeningen heeft. De aantekeningen van mr. [D] zitten niet in het dossier. Tevens is geen correspondentie aangetroffen met de rechtbank of mr. [D] over de waarneming.”
2.17    Tijdens het kantoorbezoek heeft verweerster aan de deken verzocht om mr. S goed te keuren als coach. De deken heeft deze goedkeuring verleend. Op 1 maart 2026 heeft mr. S aan de deken meegedeeld dat verweerder heeft aangegeven geen gebruik te gaan maken van zijn werkzaamheden. 
2.18    Op 10 maart 2026 heeft verweerster aan de deken verzocht om mr. F goed te keuren als coach. Op 12 maart 2026 heeft de deken deze goedkeuring verleend. Op 22 maart 2026 heeft verweerster een plan van aanpak voor het coachtingstraject ter goedkeuring voorgelegd aan de deken.
Dekenbezwaar en schorsingsverzoek
2.19    Op 6 maart 2026 heeft de deken onderhavig dekenbezwaar gecombineerd met een verzoek ex artikel 60ab en 60b Advocatenwet ingediend bij de raad. 
2.20    Bij beslissing van 30 maart 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:71) heeft de raad het verzoek ex artikel 60ab/b Advocatenwet afgewezen. 

3    BEZWAAR
3.1    Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken is van mening dat verweerster niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Verweerster heeft zich stelselmatig niet gehouden aan gedragsregels 1, 12, 13, 14 en 16. Hiermee is de kernwaarde integriteit in het geding. Bovendien voldoet de kantoororganisatie niet aan de basisverplichtingen die gelden voor de advocatuur. Doordat geheimhouderstukken bij derden terecht zijn gekomen, is ook de kernwaarde vertrouwelijkheid in het geding. Verweerster heeft zich daarmee niet gehouden aan artikel 11a Advocatenwet en gedragsregel 3. 
3.2    Verweerster betracht structureel niet de zorg jegens haar cliënten die van een advocaat mag worden verwacht. Zij heeft onvoldoende aandacht voor een goede zaaksbehandeling, waaronder ook de correcte opbouw van dossiers en het schriftelijk bevestigen van adviezen aan cliënten. Hierop is zij ook gewezen in de beslissing van de raad van 26 januari 2026. Desondanks is tijdens het kantoorbezoek gebleken dat verweerster – in haar dossiers van de afgelopen maand, dus na die beslissing – nog steeds niets schriftelijk vastlegt over de procedure, strategie, verwachtingen, kansen en/of risico’s. In het bijzonder houdt verweerster zich (stelselmatig) niet aan de op haar rustende informatieverplichting om cliënten van belangrijke zaken schriftelijk op de hoogte te brengen. Cliënten worden regelmatig niet goed geïnformeerd over de gevolgen van een vonnis, de mogelijkheden van hoger beroep en andere belangrijke informatie die verweerster ontvangen heeft (zoals een beslissing op een verzoek tot schorsing van executie van de schorsing).
3.3    De deken stelt verder dat verweerster heeft gehandeld in strijd met gedragsregels 13 en 14 door geen zorg te dragen voor een goed geregelde waarneming voor de minderjarige cliënt op de zitting van 17 februari 2026 en door geen hoger beroep in te stellen voor cliënt B. De deken wijst erop dat verweerster regelmatig minderjarige cliënten bijstaat en dat juist in die gevallen de informatieverplichting van belang is. Tijdens het kantoorbezoek is de deken gebleken dat het contact met cliënten hoofdzakelijk telefonisch en via WhatsApp plaatsvindt. Het komt ook voor dat het WhatsApp-contact alleen op de dag zelf plaatsvindt. Ook hierop is zij eerder aangesproken door de raad.  
3.4    De deken heeft toegelicht dat er in het verleden herhaaldelijk ondersteuning en begeleiding is geboden, maar dat dit niet heeft geleid tot een aantoonbare verbetering van verweersters werkwijze. Gelet daarop acht de deken het niet aannemelijk dat een coachingstraject op dit moment nog tot de beoogde verbetering zal leiden. Wat de deken betreft, bevindt de situatie zich inmiddels voorbij het punt waarop een coachingstraject nog passend is. De deken vindt het opvallend dat verweerster blijft wijzen naar iedereen (de assistente, de stagiaire, de kantoorgenoot), behalve naar haarzelf. 
3.5    Ter zitting heeft de deken toegelicht dat zij zorgen blijft maken over verweersters werkwijze. Hoewel de beslissingen van de raad van eind januari 2026 recent zijn, werd de deken ingehaald door de actualiteit. De nieuwe klachten en signalen maakten het noodzakelijk nogmaals een dekenbezwaar in te dienen. De deken heeft daarbij ook gewezen op het feit dat de nieuwe website van verweerster (nog steeds) niet voldoet aan de vereisten van de Voda.

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen het bezwaar verweer gevoerd. Verweerster stelt dat de verwijten van de deken onjuist, niet onderbouwd en onvoldoende concreet zijn om te kunnen slagen. Verweerster heeft uit het dekenbezwaar de volgende verwijten gedestilleerd.
4.2    Het niet verschijnen voor een minderjarige verdachte bij de rechtbank Middelburg: verweerster heeft toegelicht dat zij de week van de zitting met vakantie was en om die reden met mr. D had afgesproken dat zij tijdens de vakantie meerdere zaken, waaronder deze, zou waarnemen. De waarneming was dus geregeld en van mr. D mocht worden verwacht dat zij als waarnemend advocaat verantwoordelijkheid nam. Op verzoek van mr. D heeft verweersters assistente aan een advocaat, die op die dag ook een raadkamer had, gevraagd of deze bereid was waar te nemen, omdat verplaatsing van het tijdstip niet mogelijk bleek. Deze advocaat bleek op het tijdstip van de zitting niet beschikbaar. Uit het bericht van mr. D van 9 februari 2026 blijkt dat verweerster de waarneming heeft geregeld en dat mr. D niet de voorwaarde heeft gesteld dat de zitting zou moeten worden verplaatst. De cliënt is uiteindelijk telefonisch bijgestaan door mr. D. Er is dus in geen geval sprake geweest van het ontbreken van rechtsbijstand aan deze cliënt. Verweerster kan geen persoonlijk verwijt worden gemaakt.
4.3    Het aannemen van te veel zaken: verweerster stelt dat de deken haar stellingen niet heeft onderbouwd en dat de gevolgtrekking van de deken niet goed te begrijpen is. Het aantal aangevraagde toevoegingen geeft geen inzicht in de actuele werkdruk van verweerster. Zij heeft toegelicht dat zij al geruime tijd gas terug heeft genomen en minder zaken heeft aangenomen. Bovendien zegt het aantal dossiers niets over de werkdruk. Ook is onduidelijk wanneer haar het oordeel van de deken sprake is van een situatie waarin een advocaat ‘te veel’ zaken in behandeling heeft. Verweerster stelt dat zij de actuele werkdruk van haar praktijk goed aankan en dat er geen enkele aanleiding is voor een tuchtrechtelijk verwijt. 
4.4    De nieuwe klachtzaak van cliënt B: de cliënt heeft de klacht niet ter kennis van de raad gebracht, maar de deken heeft dat met het dekenbezwaar nu wel gedaan. Het is inderdaad juist dat verweerster heeft nagelaten om hoger beroep in te stellen voor deze cliënt. Haar assistent had een concept e-mail klaargezet voor verzending binnen de beroepstermijn en verweerster heeft haar akkoord gegeven. De assistent verkeerde vervolgens in de veronderstelling dat de mail verzonden was, maar dat bleek niet het geval. Verweerster is daarvoor verantwoordelijk. Zij is daarover open geweest en heeft gedaan wat zij moest doen, namelijk de kwestie melden bij haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Overigens speelde deze kwestie al geruime tijd voor de tuchtrechtelijke beslissingen van 26 januari 2026. 
4.5    De buiten kantoor gevonden geheimhoudersstukken: verweerster heeft toegelicht dat de aanleiding voor de klacht een achterliggende burenruzie is over de aanbouw die verweerster aan haar kantoor heeft laten maken. Verweerster wijst erop dat de deken de ‘geheimhoudersstukken’ niet in de procedure heeft ingebracht. Op verweerster s kantoor geldt de vaste werkwijze dat cliéntstukken worden vernietigd met behulp van een papierversnipperaar. Een op het kantoor werkzame mbo-stagiaire heeft, ondanks deze instructie, stukken zonder deze te versnipperen in de papierbak van kantoor gedeponeerd. Het gaat om een ongelukkig en eenmalig incident. Verweerster is vanzelfsprekend verantwoordelijk voor de bescherming van cliëntinformatie die onder haar geheimhoudingsplicht valt, maar dit moet wel worden gezien in het licht van de omstandigheid dat de stagiaire zich niet heeft gehouden aan de gegeven instructie. Voor de gevolgtrekking van de deken dat ‘de kantoororganisatie nog steeds dusdanig onder de maat is’ is geen grond. Van handelen in strijd met artikel 7:412 BW is geen sprake. 
Ter zitting is hierbij nog aangevoerd dat de deken de geheimhoudersstukken niet aan de raad heeft verstrekt, terwijl zij daartoe wel de gelegenheid heeft gehad. Zodoende kan niet worden vastgesteld of er in het geheel sprake is van geheimhoudersstukken en of die stukken dan onder het beroepsgeheim van verweerster vallen of van (voormalig) kantoorgenoten van verweerster. Verweerster heeft bovendien, zoals gedragsregel 3 lid 2 vereist, passende maatregelen genomen ter handhaving van de vertrouwelijkheid. Verweerster wijst op de aan de stagiair gegeven instructie. Verweerster heeft bovendien alle passende maatregelen genomen die van haar redelijkerwijs mochten worden gevergd om een inbreuk op haar geheimhoudingsplicht te voorkomen.
4.6    De bevindingen van het kantoorbezoek: verweerster heeft pas bij indiening van het dekenbezwaar kennis kunnen nemen van de bevindingen van het kantoorbezoek en pas daarna daarop kunnen reageren. Het doel van het kantoorbezoek was om te bezien of verweerster inmiddels haar kantoororganisatie en (in het bijzonder) haar schriftelijke vastlegging verbeterd had. Dat is opmerkelijk, omdat nog nauwelijks vier weken daarvoor de raad aan verweerster de bijzondere voorwaarde van een coachtingstraject van twee jaar had gesteld. Kennelijk verwachtte de deken een ommezwaai in de praktijkvoering (die een coachtingstraject deels ook overbodig zou maken, die zich ook zou uitstrekken over werkzaamheden in dossiers van vóór de uitspraken van de raad. Verweerster heeft een gemotiveerde reactie gegeven op de door de deken genoemde dossiers.
4.7    Mocht de raad van oordeel dat zijn verweerster tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld, dan verzoekt zij bij het bepalen van de op te leggen maatregel rekening te houden met het feit dat zij aan een langdurig en intensief coachingstraject is begonnen en dat mag worden verwacht dat waar in het verleden fouten zijn gemaakt, deze zich niet meer zullen voordoen. 
4.8    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. 
5.2    De raad neemt bij de beoordeling van het dekenbezwaar verder als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. 
5.3    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels, maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op hem of haar te rusten. Van een advocaat mag verder worden verwacht dat hij of zij duidelijkheid verschaft over de afhandeling van de zaak en op zittingen aanwezig is. 
Tijdstip van indienen dekenbezwaar
5.4    De raad overweegt dat de deken op 30 september 2025 een (eerste) dekenbezwaar tegen verweerster heeft ingediend. Dit dekenbezwaar is op 15 december 2025, gelijktijdig met een klacht tegen verweerster, op zitting behandeld, waarna in beide zaken uitspraak is gedaan op 26 januari 2026. Ondertussen had de deken begin januari 2026 al een nieuwe klacht van een cliënt van verweerster ontvangen. In februari 2026 kwamen daar nog een klacht en signalen bij, evenals eind februari 2026 (de bevindingen van) het kantoorbezoek. De deken heeft daarin aanleiding gezien dit dekenbezwaar in te dienen, ondanks dat het aan verweerster opgelegde coachingstraject feitelijk nog niet was gestart. Idealiter was er meer tijd verstreken, zodat ook kon worden bekeken of het coachingstraject het gewenste effect zou hebben. Zover is het niet gekomen. De raad is met de deken van oordeel dat de klachten en signalen voldoende reden waren om over te gaan tot indiening van een dekenbezwaar. Gezien de toezichthoudende taak van de deken is dat ook noodzakelijk ten behoeve van de bescherming van de rechtszoekenden. De raad zal daarom overgaan tot beoordeling van de door de deken genoemde bezwaren.
Waarneming – niet verschijnen raadkamer minderjarige
5.5    De raad stelt vast dat er op 17 februari 2026 bij de rechtbank Middelburg een raadkamer gevangenhouding gepland stond van een minderjarige cliënt van verweerster. Verweerster was die week op vakantie en had mr. D gevraagd de raadkamer waar te nemen. Mr. D heeft daarop aan de rechtbank verzocht om de raadkamer in de middag te plannen. Mr. D stelt dat de rechtbank vervolgens aan verweerster zelf heeft laten weten dat de zitting toch in de ochtend was ingepland. Onduidelijk blijft of verweerster en mr. D hierover vervolgens contact hebben gehad. Feit is wel dat er op 17 februari 2026 geen advocaat is verschenen voor de minderjarige cliënt en dat mr. D uiteindelijk telefonisch bijstand heeft verleend nadat de rechtbank haar gebeld had omdat er niemand was verschenen.
5.6    De raad is van oordeel dat verweerster er niet van uit had mogen gaan dat mr. D voor haar zou waarnemen. De raadkamer stond immers gepland in de ochtend, terwijl zij wist dat mr. D dan niet beschikbaar was. Verweerster draagt de verantwoordelijkheid voor het organiseren van waarneming tijdens haar afwezigheid. Die verantwoordelijkheid behelst ook dat de advocaat zich ervan vergewist dat de waarneming voor de betreffende cliënt feitelijk geregeld is. In dit geval was op het moment dat verweerster op vakantie vertrok niet duidelijk of haar collega daadwerkelijk bijstand zou kunnen verlenen aan de minderjarige cliënt van verweerster. Dit bleek uiteindelijk ook niet geregeld. Dat valt verweerster aan te rekenen. Haar minderjarige cliënt heeft hierdoor geen fysieke bijstand van zijn advocaat gekregen tijdens een raadkamer over diens voorlopige hechtenis. Bovendien blijkt uit de gang van zaken dat deze cliënt hier op voorhand niet van op de hoogte was en hem dit dus moet hebben overvallen tijdens de raadkamer. Dat is een zeer onwenselijke situatie, zeker bij een minderjarige. De raad houdt verweerster hiervoor tuchtrechtelijk verantwoordelijk. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
Aannemen van te veel zaken
5.7    De deken verwijt verweerster dat zij te veel zaken aanneemt, waarbij zij wijst op het signaal c.q. de aantallen die de deken van de RvR heeft ontvangen. De deken vindt deze aantallen onverenigbaar met het gegeven dat verweerster tijdens de eerdere zitting (op 15 december 2025) heeft gezegd het rustiger te hebben en minder zaken aan te nemen. Hoewel de genoemde aantallen qua toevoegingsaanvragen en piketdeclaraties vrij hoog (lijken te) zijn, kan verweerster daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Eveneens is het aannemen van veel zaken op zichzelf niet zo maar tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat is anders op het moment dat de kwaliteit van de dienstverlening daardoor in het gedrang komt. Dat verwijt komt hierna echter apart aan de orde bij (de bevindingen van) het kantoorbezoek. Dit deel van het bezwaar is in zoverre ongegrond. 
De klacht van cliënt B
5.8    De deken heeft in aan later schrijven aan de raad en verweerster bericht dat de klacht van cliënt B niet meer wordt meegenomen in het dekenbezwaar. De raad heeft van deze klacht ook geen stukken in het dossier aangetroffen. De raad zal dit verwijt, voor zover het nog onderdeel is van het dekenbezwaar, daarom buiten beschouwing laten.
De buiten kantoor gevonden geheimhouderstukken
5.9    Vast staat dat de buren van verweerster op 17 november 2025 onversnipperde (dossier)stukken in de afvalcontainer van verweersters kantoor hebben gevonden. Deze stukken zijn kennelijk door de stagiaire zo weggegooid, terwijl de uitdrukkelijk instructie was dat weg te gooien stukken eerst versnipperd moesten worden. Verweerster is daarvoor verantwoordelijk. Na de klacht van de buren op 6 februari 2026 hebben stafjuristen van de deken de stukken veilig gesteld. 
5.10    De raad is van oordeel dat voldoende vaststaat dat de door de buren aangetroffen stukken geheimhouderstukken van het kantoor van verweerster en haar kantoorgenoten betroffen. De deken heeft de stukken vanwege de vele daarin aanwezige persoonsgegevens niet bij het dekenbezwaar gevoegd, maar heeft voldoende geconcretiseerd welke stukken het betrof. De raad heeft geen aanleiding om aan de stelling van de deken hierover te twijfelen. Verweerster was er bovendien mee bekend dat de stukken door stafjuristen van de deken waren veilig gesteld en zich op het bureau van de deken bevonden. Zij heeft voldoende mogelijkheid gehad om de stukken in te zien, maar om haar moverende redenen hier geen gebruik van gemaakt. Verweerster heeft zich dan ook geen beeld gevormd van de geheimhouderstukken. De melding die verweerster bij de Autoriteit Persoonsgegevens heeft gedaan is daarmee van beperkte waarde, nu zij niet wist om hoeveel en welke cliënten het ging en welke gegevens het betrof. Deze enkele melding kan ook niet worden aangemerkt als een passende maatregel, zoals genoemd in gedragsregel 3 lid 2. Van verweerster mocht (veel) meer verwacht worden na ontdekking van het feit dat haar buren de beschikking hebben gehad over geheimhoudersstukken van verweerster.  
5.11    Verweerster heeft dan ook gehandeld in strijd met gedragsregel 3 en de kernwaarde vertrouwelijkheid. Daarvan kan haar een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het bezwaar is in zoverre gegrond. 
5.12    Over het al dan niet in strijd handelen met artikel 7:412 BW laat de raad zich overigens niet uit, omdat dit – gelet op het ontbreken van de stukken - niet beoordeeld kan worden.
Bevindingen kantoorbezoek
5.13    De deken heeft haar bevindingen van het kantoorbezoek (gelijktijdig) met het dekenbezwaar aan verweerster gestuurd. Het was zorgvuldiger geweest als verweerster al eerder van die bevindingen kennis had kunnen nemen. Verweerster heeft daar echter in het kader van het dekenbezwaar op kunnen reageren en ook van die mogelijkheid gebruik gemaakt en is zodoende niet in haar belangen geschaad. 
5.14    Uit de bevindingen van de deken en de reactie daarop van verweerster, blijkt naar het oordeel van de raad dat verweerster haar dossiers nog steeds niet (voldoende) op orde heeft. Het kantoorbezoek is inderdaad een momentopname, maar het valt op dat in alle dossiers die de deken heeft ingezien vragen rijzen over de verleende bijstand en/of de schriftelijke vastlegging daarvan. De raad constateert dat verweerster de schriftelijke vastlegging (conform gedragsregel 16) c.q. dossieropbouw nog niet op orde heeft. Het baart de raad ook zorgen dat verweerster een minderjarige cliënt niet bezoekt, maar kennelijk alleen telefonisch spreekt. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het bezwaar is ook in zoverre gegrond. 
Tot slot 
5.15    Op de zitting is door de deken nog aan de orde gesteld dat de (nieuwe) website van verweerster niet voldoet aan de vereisten van de Voda en bovendien niet vindbaar is. Omdat dit bezwaar pas voor het eerst op de zitting aan de orde is gekomen, laat de raad dit verder buiten beschouwing. 

6    MAATREGEL
6.1    Verweerster is tekortschoten in haar kantoororganisatie en kwaliteit van dienstverlening. Verder zijn geheimhoudersstukken onversnipperd in een container weggegooid, alwaar deze vervolgens door buren zijn aangetroffen. De raad acht dit bijzonder kwalijk en een schending van de kernwaarde vertrouwelijkheid. Het baart de raad daarbij vooral zorgen dat verweerster niet adequaat heeft gereageerd op het moment dat zij hierover door de deken werd ingelicht. Ook ter zitting bleek dat het verweerster nog steeds niet duidelijk was om welke geheimhoudersstukken het precies ging aangezien zij deze niet heeft ingezien, ondanks uitdrukkelijke uitnodiging van de deken. De raad heeft hierdoor de indruk dat verweerster onvoldoende doordrongen is van de ernst van dit incident. 
6.2    Zoals al eerder door de raad (op 26 januari 2026) vastgesteld, heeft verweerster haar kantoororganisatie en (wellicht als gevolg daarvan) de kwaliteit van haar dienstverlening niet op orde. Ook nu weer is sprake van tekort schieten in de schriftelijke vastlegging c.q. dossieropbouw. Bovendien heeft verweerster haar waarneming niet goed op orde gehad. Niet voor niets is aan verweerster daarom een coachingstraject opgelegd gericht op de inrichting van de praktijk, de prioritering daarbij en de kwaliteit van dienstverlening. Dat coachingstraject was echter nog niet aangevangen op het moment van het kantoorbezoek en de indiening van dit dekenbezwaar. Hoewel enerzijds van verweerster verwacht mag worden dat zij lering trekt uit het eerste dekenbezwaar, de behandeling ter zitting én de beslissing van de raad, kan anderzijds niet verwacht worden dat verweerster haar praktijk al binnen een maand na die beslissing van de raad op orde had. Zeker niet nu de raad een coachingstraject gedurende een proeftijd van twee jaar nodig achtte. De raad is van oordeel dat de gegrondverklaarde bezwaren die zien op de kantoororganisatie en kwaliteit van dienstverlening onderdeel c.q. gevolg zijn van de gebrekkige kantoororganisatie, waar verweerster door middel van het coachingstraject nu aan werkt. De raad ziet hierin aanleiding om bij het opleggen van de maatregel dit deel van de bezwaren daarom niet mee wegen c.q. af te zien van het opleggen van (weer) een maatregel. 
6.3    Dat is anders voor het bezwaar dat ziet op de geheimhoudersstukken. De raad is van oordeel dat deze kwestie van een andere orde is en dat oplegging van een maatregel daarvoor wel passend en nodig is. Hoewel verweerster stelt de juiste instructies te hebben gegeven aan haar ondersteunend personeel (de stagiaire), zijn geheimhouderstukken toch onversnipperd in een container beland en daar door de buren aangetroffen. De raad weegt zwaar mee dat verweerster niet adequaat heeft gereageerd op het moment dat de deken liet weten dat geheimhouderstukken waren aangetroffen. De raad ziet aanleiding om verweerster daarvoor de maatregel van waarschuwing op te leggen.

7    KOSTENVEROORDELING
7.1    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart het dekenbezwaar deels gegrond en deels ongegrond;
-    bepaalt dat de maatregel van een waarschuwing wordt opgelegd;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 31 augustus 2026