ECLI:NL:TADRSGR:2026:201 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-120/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:201 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 16-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-120/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de mediator. Klacht deels niet-ontvankelijk, omdat die te laat is ingediend. Voor zover ontvankelijk, is de klacht ongegrond. Verweerster was niet gehouden een neutraal beëindigingsbericht aan partijen te sturen. Verweerster heeft toegelicht hij zij de overeenkomst heet opgesteld en wat daarbij een rol heeft gespeeld. Daarmee heeft zij niet partijdig en evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Verweerster hoefde er niet op bedacht te zijn dat het beëindigingsbericht later (door de wederpartij) in de civiele procedure zou worden ingebracht. Het bericht was onderdeel van de mediation, waarvoor geheimhouding gold. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 31 augustus 2026
in de zaak 26-120/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief van 9 januari 2025, ontvangen op 13 januari 2025, heeft klaagster
bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de
deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 13 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K033 2025
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 juli 2026. Daarbij
waren klaagster en verweerster aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen
van:
- de e-mails (met bijlagen) van verweerster van 16 maart 2026, 15 juni 2026 en
29 juni 2026;
- de e-mails (met bijlagen) van klaagster van 30 maart 2026, 21 juni 2026 en
29 juni 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster en haar (inmiddels ex-)man (hierna: de man) zijn door het gerechtshof
verwezen naar mediation om te komen tot afspraken over de afwikkeling van de (beëindigde)
samenleving (waaronder de gezamenlijke woning).
2.3 Verweerster heeft klaagster en de man als mediator bijgestaan in het mediationtraject
dat is begonnen op 5 februari 2021 en is geëindigd op 13 januari 2022. Er hebben vijf
mediationgesprekken plaatsgevonden; het laatste gesprek op 28 september 2021.
2.4 Op 24 maart 2021 heeft verweerster een opzet voor een lijst van afspraken
voor een deelovereenkomst aan partijen gestuurd. Als punt 5 is opgenomen:
“Na de taxatie door [makelaar] spreken de man en de vrouw de waarde af waartegen
de vrouw de woning overneemt en de termijn daarvoor. Voor de verdeling zal bepalend
zijn deze waarde en de hypotheekstand per 18 december 2020 van € 447.171,73. (…)”
2.5 Op 5 april 2021 heeft klaagster de opzet van verweerster aangevuld ‘met de
gemaakte afspraken op basis van het praatstuk’. Klaagster heeft punt 5 als volgt gewijzigd:
“Voor de verdeling zal bepalend zijn de waarde en de hypotheekstand per 18 december
2020 van € 447.171,73. (…)”
2.6 Op 6 april 2021 heeft een mediationgesprek plaatsgevonden. In het gespreksverslag
van die bijeenkomst is onder meer opgenomen:
“7. Vervolgens wordt gesproken over de opzet lijst van afspraken en de opzet met
aanpassingen daarop die de vrouw heeft gemaild. De man en vrouw kunnen in grote lijnen
instemmen met deze opzet.”
2.7 Op 14 april 2021 heeft verweerster een concept deelvaststellingsovereenkomst
(hierna: de VSO) aan kaagster en de man gestuurd. In het concept staat als artikel
5:
“Voor de verdeling zal bepalend zijn de taxatiewaarde en tevens de hypotheekstand
per 18 december 2020 van € 447.171.73. (…)”
2.8 In april 2026 is er een (deel)VSO tot stand gekomen tussen partijen, ondertekend
op 24 en 26 april 2021. In artikel 5 van de VSO staat:
“Voor de verdeling zal bepalend zijn de taxatiewaarde en tevens de hypotheekstand
per 18 december 2020 van € 447.171,73. (…)”
2.9 Tijdens het eerstvolgende mediationgesprek, op 28 september 2021, is discussie
ontstaan tussen klaagster en de man over artikel 5 van de VSO. In het gespreksverslag
is daarover opgenomen (onder 9):
“De vrouw zegt tot slot dat de waarde per 18 december 2020 bepalend is en verwijst
naar artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst. De man geeft aan dat hij tot uitgangspunt
heeft dat hij deelt in de waardestijging ook in 2021.”
2.10 Naar aanleiding van het mediationgesprek heeft verweerster op 28 september
2021 per e-mail aan klaagster en de man onder meer geschreven:
“Aan het einde van het gesprek ontstond nog even een discussie over de taxatiedatum.
[Klaagster] gaf aan dat dit 18 december 2020 zou moeten zijn onder verwijzing naar
artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst. Dat is echter niet hoe dit artikel moet
worden gelezen. Taxatie met terugwerkende kracht is nooit onderwerp van onze gesprekken
geweest. De datum die daar staat betreft de hypotheekschuld, niet de waarde (…)”
2.11 Op 13 januari 2022 heeft verweerster in een e-mail aan klaagster en de man
laten weten dat zij het mediationtraject beëindigt. Verweerster schrijft onder meer:
“Naar mijn mening kan de mediation niet binnen een redelijke termijn leiden tot
overeenstemming tussen jullie. Daarnaast heb ik aangegeven dat de passage van artikel
5 in de vaststellingsovereenkomst “voor de verdeling zal bepalend zijn de taxatiewaarde
en tevens de hypotheekstand per 18 december 2020 van € 447.171” zo uitgelegd moet
worden dat de datum 18 december 2020 alleen ziet op de hypotheekstand en niet op de
taxatiewaarde. Ik heb de overeenkomst opgesteld op basis van hetgeen in de mediation
is besproken en met in gedachten de afspraak dat de taxatiewaarde op basis van de
taxatie, die nog zou plaatsvinden volgens het stappenplan, bepalend zal zijn; een
taxatie per enige datum in het verleden is nooit onderwerp van de gesprekken die voorafgaand
aan het opstellen van de overeenkomsten gevoerd zijn geweest. Desondanks blijft [klaagster]
vasthouden aan een afwijkend standpunt hierover, zoals ook hieronder is weergegeven
door haar. Hierdoor is er wat mij betreft geen basis meer om verder te gaan met de
mediation. (…)
Ik heb [B] niet in de cc gezet omdat dit wellicht niet gewenst is gezien de vertrouwelijke
aard van de mededeling.”
2.12 De scheiding tussen klaagster en de ex-partner is pas na meerdere gerechtelijke
procedures afgerond.
2.13 Bij vonnis van 10 mei 2023 heeft de rechtbank de wijze van verdeling van
de woning gelast. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In het vonnis
wordt over de datum van de waardebepaling en artikel 5 van de deelvaststellingsovereenkomst
onder meer overwogen:
“5.5. De door [de man] gestelde uitleg vindt steun in de verklaring van de mediator
(zie 3.7) waarin uitdrukkelijk staat dat bij het opstellen van de tekst van de overeenkomst
voor ogen stond dat de woning nog getaxeerd zou worden en dat een taxatie per enige
datum in het verleden niet is besproken. (…) Het standpunt van [klaagster] over de
peildatum voor de waarde van de woning is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend
weerlegd door de verklaring van de mediator”
De man is in deze procedure (en daarvoor) bijgestaan door mr. [X].
2.14 In november 2024 heeft verweerster met advocaat mr. [Y] een waarnemingsovereenkomst
gesloten.
2.15 Op 1 januari 2025 zijn gewijzigde beroepsregels voor de advocatuur in werking
getreden. In artikel 6.28 lid 2 onder c van de Verordening op de advocatuur (Voda)
is vanaf die datum opgenomen dat een advocaat die zelfstandig zijn praktijk uitoefent
een externe advocaat aanwijst als klachtfunctionaris.
2.16 Op 8 januari 2025 heeft verweerster aan online marketing bureau X de opdracht
gegeven de klachtenregeling op haar websites aan te passen. Diezelfde dag heeft een
medewerker van het bureau bevestigd dat de klachtenregeling is aangepast. Op 10 januari
2025 is ook de mediationwebsite van verweerster aangepast.
2.17 Klaagster heeft ook een klacht over verweerster ingediend bij de Raad van
Tucht van de Stichting Tuchtrecht Scheidingsmediation (hierna: de Raad van Tucht).
De uitspraken van de Raad van Tucht van 21 mei 2026 en 29 juni 2026 maken onderdeel
uit van het klachtdossier. In de laatste uitspraak heeft de Raad van Tucht de klacht
van klaagster over het beëindigingsbericht van 13 januari 2022 ongegrond verklaard
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende:
1) Verweerster heeft onjuist verklaard uit de mediationgesprekken die zijn gevoerd.
Klaagster wijst onder meer op de e-mail van 28 september 2021, waar verweerster zich
baseert op onjuiste stukken en een incompleet dossier.
2) Verweerster heeft een foutieve deelvaststellingsovereenkomst opgesteld, waardoor
klaagster in de afwikkeling van de relatie aanzienlijke (financiële en emotionele)
schade heeft geleden.
3) Verweerster heeft, na het sluiten van de deelvaststellingovereenkomst, niet
meer de leiding genomen in het mediationproces.
4) Verweerster is partijdig geworden, ten koste van de neutraliteit die klaagster
van haar als mediator mocht verwachten. Klaagster wijst op de (niet neutrale) e-mail
van 13 januari 2022. Verweerster kon verwachten dat die door de man in de procedure
zou worden ingebracht.
5) Verweerster voldeed op 9 januari 2025 niet aan haar verplichting op grond
van artikel 6.28 van de Verordening op de advocatuur (Voda). Ook staat een kantoorgenoot
(en tevens dochter) van de voormalig advocaat van de man per 18 november 2024 geregistreerd
als waarnemer van verweerster.
3.2 Kern van de klacht is dat verweerster artikel 5 van de deelvaststellingsovereenkomst
onvoldoende eenduidig heeft vastgelegd, dat daarover een geschil is ontstaan en dat
verweerster daarbij partij heeft gekozen voor (het standpunt van) de man, terwijl
voor verweerster duidelijk was dat klaagster het met deze uitleg niet eens was. Klaagster
stelt dat verweerster had kunnen voorzien dat haar vastlegging in de civiele procedure
zou doorwerken. Verweerster heeft daarmee de mediationvertrouwelijkheid geschonden
en doorbroken. Klaagster houdt verweerster verantwoordelijk voor het ontstaan c.q.
escaleren van het geschil met de man tijdens de mediation.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat de klacht
niet-ontvankelijk is voor zover die ziet op gedragingen voor 13 januari 2022, gelet
op artikel 46g lid 1 Advocatenwet. Klaagster was in ieder geval op 10 mei 2023 ook
met de gevolgen van het handelen bekend, zodat de termijn van één jaar van artikel
46g lid 2 Advocatenwet is verstreken.
4.2 Verweerster betwist dat zij onjuist heeft verklaard uit de mediationgesprekken.
Zij betwist ook dat zij een foutieve overeenkomst heeft opgesteld. Verweerster heeft
in haar functie van mediator de deelnemers aan de mediation uitleg gegeven bij een
bepaling in de VSO door terug te grijpen op de ontstaansgeschiedenis zoals deze bleek
uit de in verweersters aanwezigheid gevoerde mediationgesprekken en correspondentie
rondom de concepten van de VSO. Zij wilde haar besluit om de langlopende mediation
te beëindigen goed motiveren. Verweerster wijst op het oordeel van de Raad van Tucht,
waarbij de klachten van klaagster ongegrond zijn verklaard.
4.3 Verweerster heeft toegelicht hoe de aanpassing van haar kantoorklachtenregeling
in januari 2025 is verlopen. Wat betreft de waarneming, heeft verweerster erop gewezen
dat de mediation in januari 2022 is beëindigd en de waarnemingsovereenkomst in november
2024 is gesloten. De huidige waarneemster heeft geen enkele bemoeienis gehad of kunnen
hebben met de mediationzaak van klaagster.
4.4 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klachtonderdelen 1 t/m 3
5.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van
dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.2 Klaagsters klachtbrief (gedateerd 9 januari 2025) is op 13 januari 2025 door
de Orde van Advocaten ontvangen. De klacht is daarmee op 13 januari 2025 ingediend.
Dit betekent dat de klacht te laat is ingediend, voor zover de klacht ziet op handelen
en/of nalaten van verweerster vóór 13 januari 2022. Dit betreft de klachten over het
mediationtraject en de (deel)VSO (klachtonderdelen 1 t/m 3). Klaagster was al tijdens
het mediationtraject bekend met het handelen en/of nalaten van verweerster waarover
zij nu klaagt, maar zij heeft daarover niet binnen drie jaar een klacht ingediend.
5.3 Voor zover klaagster een beroep doet op artikel 46g lid 2 Advocatenwet, volgt
de raad haar daarin niet. Klaagster is in ieder geval met het vonnis van 10 mei 2023
bekend geworden met de gevolgen van het handelen, waardoor de termijn van één jaar
toen is gaan lopen. Klaagster heeft haar klacht niet binnen die termijn ingediend.
5.4 De klachten over het mediationtraject en de (deel)VSO (klachtonderdelen 1
t/m 3) zijn te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke beoordeling
komt de raad om die reden niet toe.
Toetsingskader
5.5 De klacht is wel tijdig, en daarmee ontvankelijk, waar deze ziet op het beëindigingsbericht
van 13 januari 2022 (klachtonderdeel 4) en de waarneming en kantoorklachtenregeling
(klachtonderdeel 5).
5.6 De tuchtrecht dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in
de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
5.7 Voor klachtonderdeel 4 geldt daarbij dat verweerster niet optrad als advocaat,
maar als mediator. Daarvoor geldt dat het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat
advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden
wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl
er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt
wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten
er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat
het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
Beoordeling klachtonderdeel 4
5.8 Verweerster heeft haar beslissing om de (al langlopende) mediation te beëindigen
goed willen motiveren. Dat mocht zij doen. Zij was niet gehouden een neutraal bericht
aan partijen te sturen. Verweerster heeft in haar bericht een toelichting gegeven
op hoe zij artikel 5 heeft bedoeld, tegen de achtergrond van wat er in de mediation
tussen partijen was besproken. Dat is iets anders dan een inhoudelijk oordeel geven
over het geschil dat onderwerp van mediation is. Uit het bericht blijkt niet dat verweerster
zelf iets vond van de (on)juistheid van de kwestie. Zij heeft toegelicht hoe zij de
overeenkomst heeft opgesteld en wat daarbij een rol heeft gespeeld. Verweerster heeft
daarmee niet partijdig en evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
5.9 Verweerster hoefde er verder niet op bedacht te zijn dat het bericht later
(door de man) in de civiele procedure zou worden ingebracht. Het bericht was onderdeel
van de mediation, waarvoor geheimhouding gold. Verweerster heeft het bericht ook niet
aan B gestuurd, de persoon die als ondersteuning van de man bij verschillende mediationgesprekken
aanwezig was, ‘gezien de vertrouwelijke aard van de mededeling.’ Verweerster hoefde
dan ook in redelijkheid niet te verwachten dat haar bericht buiten de mediation gebruikt
zou worden. Dat dat door de man wel is gedaan, kan haar niet tuchtrechtelijk worden
aangerekend. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Beoordeling klachtonderdeel 5
5.10 Klaagster klaagt allereerst over de klachtenregeling op de website van verweerster.
Die klachtenregeling was begin januari 2025 nog niet aangepast aan de (per 1 januari
2025) gewijzigd Voda, waardoor verweerster (die zelfstandig praktijk voert) niet langer
zelf als klachtenfunctionaris mocht optreden. Verweerster heeft gemotiveerd toegelicht
dat zij de aanpassing van de klachtenregeling op 8 januari 2025 in gang heeft gezet
en dat de gewijzigde klachtenregeling in ieder geval op 10 januari 2025 op beide websites
stond. De klachtenregeling is dan ook kort na 1 januari 2025 aangepast aan de geldende
regelgeving. De raad is gezien deze omstandigheden van oordeel dat de klacht hierover
van onvoldoende gewicht is om verweerster een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
5.11 Klaagster klaagt verder over het feit dat een kantoorgenoot (en tevens dochter)
van de voormalig advocaat van de man per 18 november 2024 geregistreerd staat als
waarnemer van verweerster. De raad stelt vast dat het mediationtraject al in januari
2022 is geëindigd, waardoor om die reden al geen sprake kan zijn geweest van belangenverstrengeling
en/of beïnvloeding. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk;
- verklaart de klachtonderdelen 4 en 5 ongegrond;
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 augustus 2026