ECLI:NL:TADRSGR:2026:200 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-064/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:200
Datum uitspraak: 31-08-2026
Datum publicatie: 16-09-2026
Zaaknummer(s): 26-064/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een familierechtelijke kwestie in alle onderdelen ongegrond. De civiele vordering was geen onderdeel van de opdracht en verweerster heeft de documenten in het licht van de gegevens opdracht beoordeeld. Duidelijk was hoe een en ander zou verlopen en verweerster heeft ook steeds regie gevoerd.  De communicatiefout is slordig, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het ingediende verzoekschrift voldoet aan de professionele standaard. Het is niet ongebruikelijk dat klaagster en haar gemachtigde daarvoor zelf veel informatie moesten aanleveren.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 31 augustus 2026
in de zaak 26-064/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 
gemachtigde: [J]

over

verweerster 
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 5 juli 2025 is namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 23 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K166 2025 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 juli 2026. Daarbij waren klaagster en haar gemachtigde, alsmede verweerster en haar gemachtigde aanwezig.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de brief (met bijlage) van 22 juni 2026 van de gemachtigde van verweerster en de e-mail (met bijlagen) van 22 juni 2026 van de gemachtigde van klaagster.
 
2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster heeft een affectieve relatie gehad. Zij en haar ex-partner (hierna: de man) hebben in 2016 een samenlevingsovereenkomst gesloten. In 2022 zijn klaagster en de man uit elkaar gegaan. Klaagster en de man hebben samen een minderjarige zoon. 
2.3    Op 30 juni 2022 hebben klaagster en de man (via zijn holding) een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij de man een bedrag van € 170.000,- aan klaagster heeft geleend in verband met de aankoop van een woning. In artikel 3 lid 2 van de overeenkomst staat:
“Ten slotte is schuldeiser te allen tijde bevoegd om – onverminderd zijn wettelijke rechter op ontbinding en schadevergoeding – de geldleningsovereenkomst te beëindigen door een schriftelijke opzegging met inachtneming van een termijn van twaalf maanden.”
2.4    Klaagster en de man hebben een ouderschapsplan opgesteld en op 5 januari 2023 ondertekend, waarin onder meer is opgenomen dat de kosten van de zoon conform de gangbare tabellen zijn begroot op € 815,- en dat de ouders naar rato van hun draagkracht daarin zullen bijdragen (art. 7.1). Daarbij is verder overeengekomen:
“7.2    Kinderalimentatie
Met ingang van september 2022 en zolang [zoon] minderjarig is en bij de moeder woont en de moeder in loondienst is bij [bedrijf man], betaalt de vader aan de moeder geen kinderalimentatie voor [zoon]. Partijen zijn hierbij uitdrukkelijk niet bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Dit brengt met zich mee dat zodra de moeder niet langer in loondienst is bij [bedrijf man], de kinderalimentatie dan dient te worden berekend volgens de wettelijke maatstaven met inachtneming van de behoefte zoals vastgesteld in randnummer 7.1 van dit ouderschapsplan. (…)”
In 7.5 van de overeenkomst is opgenomen dat partijen bij een wijziging van omstandigheden in onderling overleg zullen treden en op basis van de omschreven uitgangspunten de door ieder van hen te betalen bijdrage zullen vaststellen. 
Start opdracht
2.5    In oktober 2024 heeft de gemachtigde van klaagster (klaagsters nieuwe partner) verweerster benaderd voor bijstand. Op 9 oktober 2024 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden. 
2.6    Op 10 oktober 2024 heeft verweerster de opdracht aan klaagster bevestigd. In het bericht staat onder meer: 
“(…) Het geschil spitst zich toe op 1) de door jouw ex-partner te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon]. Je hebt de wens om wanneer  [zoon] naar de middelbare school gaat naar [plaats] te verhuizen. Mocht er een vorm van overleg gaan plaatsvinden, dan nemen we dit punt mee. Dit is dus een 2e punt waarvoor jij mij inschakelt. Dan is er nog een derde punt en dat is de overeenkomst van geldlening tussen jou en jouw ex-partner. Je zou graag zien dat die wordt aangepast zodanig dat hij niet meer de mogelijkheid heeft de schuld met onmiddellijke ingang op te eisen.
We hebben afgesproken dat we eerst en vooral zullen proberen in onderling overleg tot een oplossing te komen. Die zou dan bestaan in een addendum op het ouderschapsplan en de overeenkomst van geldlening. Daartoe zal ik een e-mail sturen naar de advocaat van jouw ex-partner met een uitnodiging voor een 4-gesprek. Gaan zij daar op in dan gaan wij dat gesprek organiseren en voorbereiden. Gaan zij daar niet op in, dan is aan jou de keuze om te gaan procederen of niet. (…)
Het uurtarief  voor alle in jouw zaak te verrichten werkzaamheden bedraagt € 305,- inclusief kantoorkosten, te vermeerderen met 21% BTW, indien voor jou van toepassing. In totaal komt het uurtarief daarmee op € 369,05, inclusief BTW. 
Indien de behandeling van de zaak dit vereist, kan het voorkomen dat een andere aan [kantoor] verbonden advocaat werkzaamheden in jouw zaak verricht. Op de werkzaamheden van die advocaat is in beginsel hetzelfde uurtarief van toepassing, tenzij voor deze advocaat normaliter een lager uurtarief geldt. In dat geval worden diens werkzaamheden tegen dat lage uurtarief in rekening gebracht. 
De in jouw zaak verrichte werkzaamheden worden maandelijks achteraf gedeclareerd en zijn voorzien van een specificatie. (…)”
2.7    Op 11 oktober 2024 heeft verweerster zich tot de advocaat van de man gewend en voorgesteld een viergesprek te plannen om tot afspraken te komen over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de zoon.
2.8    Op 15 oktober 2024 heeft de advocaat van de man gereageerd en aangegeven dat het de voorkeur heeft om het geschil in der minne te regelen, maar dat de man slechts bereid is te spreken over een bedrag aan kinderalimentatie per 1 mei 2024 dat in redelijkheid kan worden gebaseerd op artikel 1:397 BW en de bijbehorende Nibud-tabellen. De advocaat schrijft erbij dat dat bedrag geenszins in de buurt kan komen van het bedrag van circa € 3.300,- netto zoals door klaagster verzocht.
2.9    Bij brief van 16 oktober 2024 heeft verweerster klaagster geadviseerd. In haar brief schrijft verweerster onder meer:
“Inmiddels heb ik alle door jou gestuurde documenten bekeken 1) ouderschapsplan 2) samenlevingsovereenkomst 3) overeenkomst van geldlening (…)
Wijziging kinderalimentatie (hierna KAL)
Zoals al tijdens onze bespreking benoemd is het ouderschapsplan in jouw nadeel opgesteld, en zitten er wat haken en ogen aan om dit open te breken. 
(…)
Bij jou ligt wel de bewijslast. Jij wil afwijken van een getekende overeenkomst dus jij moet bewijzen dat deze op een onacceptabele manier tot stand is gekomen of zelfs nietig is. Dat laatste komt bijna niet voor maar in jouw geval absoluut goed verdedigbaar. (…)
Jij meent dat [zoon] meer kost dan € 815,- per maand. Dat zal jij aannemelijk moeten maken. (…)
De geldleningsovereenkomst heb ik bekeken. Artikel 3 lid 1 is gebruikelijk tussen ex-echtgenoten, (…). Artikel 3 lid 2 totaal niet. Daaruit volgt inderdaad dat jouw ex-partner zonder reden de overeenkomst op kan zeggen (wel met een opzegtermijn van 1 jaar). Ik snap dat je daar van af wil. We kunnen die zit zeker meenemen in een viergesprek en indien het lukt andersluidende afspraken te maken een addendum op te stellen bij deze overeenkomst. Ik betwijfel echter of je bij een rechter wijziging van artikel 3 lid 2 voor elkaar kunt krijgen. Ik vrees van niet. Dat is meer algemeen overeenkomsten recht en niet mijn expertise, dus ik laat dit nu even voor wat het is. (…)
De samenlevingsovereenkomst heb ik bekeken, maar die is verder niet meer van belang. Er staat niets in over [zoon] en de overeenkomst is beëindigd. Ik zie niet daar geen vorderingen voor jouw uit voortvloeien die nog niet zouden zijn voldaan door hem. 
Tot zover voor nu. Het is nu afwachten op verzoek dat ik heb gestuurd naar de advocaat van jouw ex-man om een viergesprek te arrangeren. Hopelijk gaat hij daarop in.” 
2.10    Op 18 oktober 2024 heeft verweerster in een e-mail aan de advocaat van de man een datum voor het viergesprek voorgesteld. Verweerster heeft klaagster en haar gemachtigde in die mail in de cc meegenomen. 
2.11    Op 23 oktober 2024 heeft verweerster aan klaagster en haar gemachtigde onder meer geschreven: 
“Ik hoorde van [gemachtigde klaagster] gisteren dat jouw ex ‘over de zeik is gegaan’ dat [gemachtigde klaagster] in de cc stond van mijn mail aan de advocaat. Excuses voor het ongemak dat dit heeft veroorzaakt. [Gemachtigde klaagster] gaat voortaan in de bcc.”
2.12    Op 24 oktober 2024 heeft verweerster aan klaagster en haar gemachtigde laten weten dat ze de door de gemachtigde van klaagster opgestelde behoefteberekeningen toch anders wil. Verweerster heeft voorgesteld dit op kantoor te bespreken, waarbij ze schrijft:
“En het is belangrijk want de behoefte van [zoon] bepaalt de hoogte van de kinderalimentatie en is ook de ingang richting meneer om inzichtelijk te maken hoeveel [zoon] kost en dat is een betere ingang dan een beroep doen op hoe rijk hij is.”‘
2.13    Het dossier bevat een factuur van 1 november 2024, voor werkzaamheden van verweerster tot en met 31 oktober 2024. Het totaalbedrag (inclusief BTW) is € 2.066,68. De factuur is voorzien van een specificatie. 
2.14    Op 4 november 2024 heeft verweerster aan klaagster geschreven dat ze met klaagsters gemachtigde heeft afgesproken dat verweerster de advocaat van de man niet meer bericht en dat klaagster hem nog een keer zelf gaat benaderen. Verweerster schrijft dat ze dit even afwacht en als overleg er niet in zit, zij een verzoekschrift wijziging kinderalimentatie gaat voorbereiden. 
2.15    Op 29 november 2024 heeft de gemachtigde van klaagster aan verweerster laten weten dat het dossier gesloten kan worden en dat de factuur is betaald. 
Vervolg opdracht
2.16    Eind februari 2025 heeft de gemachtigde van klaagster telefonisch contact gezocht met verweerster met het verzoek het dossier te heropenen. 
2.17    Op 25 februari 2025 heeft verweerster in een e-mail aan klaagster onder meer geschreven:
“Mijn inschatting is dat de procedure circa EUR 6.000 inclusief BTW gaat kosten. Ik zal instellen dat ik een waarschuwing krijg als EUR 5.000 is bereikt zodat we kunnen afstemmen hoe verder daarna. Let wel ik maak hierbij een groot voorbehoud omdat ik niet weet waar [de man] mee gaat komen, aangezien ik nog geen inhoudelijk contact heb gezegd met zijn advocaat in een eerder stadium. 
2.18    Op 3 maart 2025 heeft klaagster laten weten akkoord te zijn met de kostenbegroting. Ook heeft zij een samenvatting gegeven van de onderhandelingen in de periode november t/m februari. 
2.19    Op 20 maart 2025 heeft verweerster een concept van het wijzigingsverzoek kinderalimentatie aan klaagster en haar gemachtigde gestuurd. 
2.20    Op 22 maart 2025 heeft de gemachtigde van klaagster het concept, voorzien van feedback, aan verweerster gestuurd. Hij schrijft daarbij: ´Goed en krachtig verhaal, [verweerster].”  
2.21    Diezelfde dag heeft verweerster gereageerd en laten weten dat zij het grootste deel van het commentaar heeft verwerkt. Zij schrijft dat zij alleen nog een uitdraai wil opvragen van het kadaster van de man (privé en zakelijk) voor zij een aangepaste versie naar klaagster en haar gemachtigde stuurt. 
2.22    Op 24 maart 2025 heeft de gemachtigde van klaagster verweerster geïnformeerd over “een nieuw feit dat mogelijk relevant is voor de rechtszaak” tegen de man. Hij schrijft dat klaagster een factuur heeft ontvangen van de aannemer die 2,5 jaar geleden werkzaamheden heeft uitgevoerd, in opdracht van de man. De factuur betreft € 51.000,- voor werkzaamheden die destijds waren betaald via een vennootschap van de man. Klaagster en haar gemachtigde hebben vraagtekens bij de factuur. De gemachtigde heeft voorgesteld een e-mail aan de man en de aannemer te sturen, die als productie bij het verzoekschrift kan worden gevoegd.
2.23    Op 24 maart 2025 heeft verweerster gereageerd en onder meer geschreven:
“Voor de rechtbank in de kinderalimentatiekwestie is dit nieuwe feit niet zo van belang. Het is hoogstens het noemen waard in het kader van het openbreken van het ouderschapsplan maar daar ligt niet mijn grootste zorg. Die ligt zoals je weet meer in de vraag in hoeverre de rechtbank bereid is om van Nibud af te wijken. (…)
Ik ga geen brief sturen naar (de advocaat van) [de man] en [aannemer] over deze nieuwe kwestie. Dat is een andere zaak. Dat staat (juridisch) los van de kinderalimentatie. Dit is niet mijn expertise, dus ik ga daar mijn handen niet aan branden. Ik snap heel goed dat [klaagster] daar werk van wil maken en ook dat zij hiervan melding wil maken aan de rechtbank die over de kinderalimentatie oordeelt. Ik verwacht geen zitting voor het einde van het jaar. Tegen de tijd van de zitting kunnen wij de rechtbank altijd nog informeren over de stand van zaken in deze nieuwe kwestie. Dat traject zal [klaagster] echter met een andere advocaat moeten opstarten (met een brief), niet met mij.”
2.24    Op 25 maart 2025 heeft verweerster een overzicht uit het kadaster betreffende de eigenaarsinformatie van de man aan klaagster en haar gemachtigde gestuurd. Verweerster heeft de gemachtigde gevraagd een nieuw overzicht te sturen van al het vastgoed van de man, zodat de rechtbank een idee heeft van het vermogen en het inkomen van de man. 
2.25    Op 26 maart 2025 heeft de gemachtigde van klaagster een stukken (een visualisatie van de welstand en financiële overzichten) aan verweerster gestuurd. 
2.26    Op 27 maart 2025 heeft verweerster een aangepaste versie van het concept wijzigingsverzoek kinderalimentatie aan klaagster en de gemachtigde gestuurd. 
2.27    Op 31 maart 2025 heeft de gemachtigde van klaagster een terugkoppeling gestuurd en gevraagd of het nog lukt het verzoekschrift dezelfde dag in te dienen. Diezelfde dag heeft de gemachtigde stukken (berekening en overzicht) aan verweerster gestuurd. 
2.28    Op 31 maart 2025 heeft verweerster het concept wijzigingsverzoek kinderalimentatie aan klaagster en de gemachtigde gestuurd, met de vraag of deze versie akkoord is. 
2.29    Op 1 april 2025 heeft verweerster een aangepaste versie van het verzoekschrift gestuurd, met haar wijzigingen in geel gearceerd en één vraag nog aan klaagster en haar gemachtigde. Diezelfde heeft de gemachtigde gereageerd op de vraag en aangegeven dat de inhoud wat hem betreft akkoord is. Ook klaagster heeft haar akkoord gegeven. 
2.30    Op 1 april 2025 heeft verweerster het verzoekschrift wijziging kinderalimentatie (inclusief 12 producties) ingediend bij de rechtbank. Zij heeft de definitieve versie diezelfde dag ook aan klaagster en haar gemachtigde gestuurd. 
Factuur en interne klacht
2.31    Het dossier bevat een factuur van 1 april 2025, voor werkzaamheden van verweerster en mr. B tot en met 31 maart 2025. Het totaalbedrag (inclusief) BTW is € 5.104,55. De factuur is voorzien van een specificatie. Uit die specificatie blijkt dat mr. B acht uur heeft besteed aan onder meer het opstellen van het (concept) verzoekschrift en het zoeken naar jurisprudentie. Daarvan is vier uur gefactureerd. 
2.32    Op 3 april 2025 heeft de gemachtigde van klaagster een e-mail aan verweerster gestuurd over de factuur. De gemachtigde schrijft dat vooraf is gesproken over een inschatting van de totale kosten en dat de procedure zou worden uitgevoerd voor circa € 6.000,-. Tot op heden is alleen het verzoekschrift ingediend, wat binnen de inschatting van 6 uren had moeten kunnen plaatsvinden, terwijl er nu bijna 15 uur is gedeclareerd. De gemachtigde schrijft dat hij dat niet in verhouding vindt, dat meerdere correctierondes nodig waren voor het verzoekschrift en dat er zonder overleg uren van een tweede advocaat in rekening zijn gebracht, terwijl verweerster het stuk uiteindelijk heeft herschreven. De gemachtigde heeft verweerster gevraagd de factuur de herzien conform de eerder gemaakte afspraken. 
2.33    Op 5 april 2025 heeft verweerster in een gemotiveerde reactie aangegeven dat ze niet te veel heeft gerekend. Verweerster schrijft vervolgens:
“Deze e-mail heeft me een uur gekost, welke ik niet kan rekenen. Ik wil niet elke maand een discussie over de factuur. Op die manier kan ik niet werken. In de praktijk loopt het altijd anders dan van te voren bedacht, reden waarom ik geen kostenraming wilde geven. Ik heb me daartoe toch laten verleiden en uiteindelijk blijkt dat er meer tijd aan de zaak moest worden besteed dan ik van te voren heb begroot. De kostenraming van EUR 6.000 is dus onjuist gebleken. Ik zal deze helaas moeten bijstellen. De afspraak is dat ik bij EUR 5.000 een seintje zou geven. Dat bedrag is nog niet bereikt, maar wel bijna en gelet op deze mail is dit wel het moment om over het vervolg te praten. (…)
Verder ben ik bereid om EUR 750 te matigen op de factuur maar dan wil ik niet meer heen en weer mailen of bellen over de declaratie.”  
2.34    Op 6 april 2025 heeft de gemachtigde van klaagster in een reactie aan verweerster onder meer geschreven:
“Wij hebben vooraf duidelijk afgesproken dat de procedure zou worden uitgevoerd voor circa € 6.000 inclusief btw, met als enige voorbehoud de reactie van de wederpartij. (…)
Wij willen deze discussie nu afsluiten. (…) Wij maken nu 8 uur over en beschouwen daarmee deze fase als financieel afgerond. Ik zie een credit factuur dan ook graag tegemoet.”
2.35    Op 7 april 2025 heeft verweerster in reactie daarop aan klaagster en haar gemachtigde geschreven:
“Ik ga het kort houden omdat ik geen tijd en negatieve energie hieraan wil besteden.”
Verweerster laat weten dat zij het niet eens is met de e-mail en de inhoud van het voorstel, maar dat zij desondanks instemt met het voorstel in de e-mail van 6 april 2025.
2.36    Op 8 april 2025 heeft de gemachtigde van klaagster een klacht over verweerster ingediend bij het kantoor waar zij werkzaam is. In de klacht staat onder meer:
“Alles overziend achten wij voortzetting van de samenwerking niet wenselijk. Wij zullen op zoek gaan naar een andere advocaat, wat naar verwachting extra kosten en vertraging met zich meebrengt. “
2.37    De klachtenfunctionaris van het kantoor heeft de ontvangst van de klacht diezelfde dag bevestigd. 
2.38    Op 9 april 2025 heeft de gemachtigde een aanvulling op de klacht gestuurd over het schriftelijk advies van verweerster van 16 oktober 2024. De gemachtigde schrijft onder meer: 
“In haar schriftelijke terugkoppeling concludeerde zij onder meer dat de samenlevingsovereenkomst “niet meer van belang” zou zijn en dat daaruit geen verdere vorderingen te verwachten waren. Inmiddels heeft [de man] echter wél een vordering van € 51.000,- ingesteld – gebaseerd op door hem bekostigde verbouwingskosten tijdens de samenleving. Wij hebben dit risico destijds nadrukkelijk met haar besproken.”
2.39    Op 14 april 2025 heeft de gemachtigde van klaagster aan de klachtenfunctionaris onder meer nog geschreven:
“Daarnaast wil ik nadrukkelijk bespreken dat in het adviestraject van [verweerster] een voor [klaagster] wezenlijke juridische positie tegenover haar ex-partner – in de vorm van een latente vordering uit hoofde van de samenleving(overeenkomst) – volledig onbenoemd door haar is gebleven.”
2.40    Op 17 april 2025 heeft de klachtenfunctionaris een reactie aan de gemachtigde van klaagster gestuurd met betrekking tot de (laatste) factuur. De klachtenfunctionaris schrijft onder meer:
“De inschatting van [verweerster] voor het opstellen van 1) het verzoekschrift, 2) het voorbereiden van de zitting en 3) het bijwonen van de zitting kwam uit op € 6.000,= inclusief BTW met een groot voorbehoud voor het bestuderen en reageren op een verweerschrift van [de man]. Onlangs is een factuur verzonden van € 5.104,55 inclusief BTW. Geconstateerd is dat het opstellen van het verzoekschrift wijziging kinderalimentatie aanzienlijk meer tijd in beslag heeft genomen dan voorzien. Dat is, in het kader van een minnelijke regeling, een risico dat ons kantoor voor rekening neemt. Het voorbereiden van de zitting en het bijwonen van de zitting moet nog plaatsvinden, al dan niet extern. Voor het volledig crediteren van de factuur zien wij echter geen aanleiding. Er is werk verricht en het heeft geleid tot indiening van een verzoekschrift. Wij achten het dan ook redelijk om, onder voorbehoud van alle rechten en weren, de factuur te matigen tot € 2.500,= inclusief BTW.”
2.41    Op 23 april 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de gemachtigde van klaagster, verweerster en de klachtenfunctionaris in het kader van de klacht. In het door de klachtenfunctionaris opgestelde gespreksverslag staat onder meer: 
“Verweerster vertelt dat zij zich, in de aanloop naar dit gesprek maar ook tijdens dit gesprek, gerealiseerd heeft dat zij zich te veel geconcentreerd heeft op de inhoud van de zaak en te weinig op de relatie met [klaagster]. De focus lag op de juridische kwesties en mogelijk te weinig op hoe [klaagster] zich in het proces voelde. (…) Dat vindt [verweerster] vervelend, het had anders gemoeten en gekund en dit is een leermoment voor haar. 
Gesproken wordt vervolgens over de wijze waarop [verweerster] heeft gereageerd op de email die gestuurd is over de factuur. [Verweerster] realiseert zich dat dat anders had gemoeten. Zij legt uit dat zij primair heeft gereageerd uit irritatie. In de eerste plaats irritatie naar zichzelf, omdat haar kostenraming niet goed was. Dat had natuurlijk anders gemoeten. Zij had de door haar opgestelde reactie even moeten laten liggen en nog eens moeten doorlezen. Dan had zij de toon van haar email aangepast en had een redelijk gesprek kunnen plaatsvinden over de factuur. Dat is anders gelopen en dat is niet goed.”
2.42    Op 6 mei 2025 heeft nog een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de gemachtigde van klaagster en de klachtenfunctionaris. Op 10 mei 2025 heeft de gemachtigde van klaagster vervolgens een voorstel gedaan voor de afhandeling van de klacht. De gemachtigde van klaagster heeft ook een update gegevens over de onderhandelingen met de man.
2.43    Op 16 mei 2025 heeft de klachtenfunctionaris gereageerd en onder meer geschreven dat, zoals ook in het gesprek aan de orde is geweest, verweerster in gesprek wil met klaagster zelf en haar excuses wil maken. De klachtenfunctionaris heeft de klacht over het niet inhoudelijke deel van de behandeling van de zaak, vanwege de erkenning van verweerder, gegrond verklaard. De klachtenfunctionaris schrijft verder dat zij niet heeft kunnen constateren dat er een beroepsfout is gemaakt door verweerster danwel dat zij de kwestie onvoldoende professioneel heeft opgepakt. In de e-mail staat verder onder meer:
“Tijdens het klachtgesprek, het telefoongesprek dat ik daarna had met [gemachtigde klaagster] en in de email van 10 mei jl. is namens [klaagster] aangegeven dat er, tijdens de periode van klachtbehandeling, een aantal stappen zijn gezet namens [klaagster], waarin [verweerster] niet is betrokken. (…) Tijdens het klachtgesprek is al aangegeven dat [verweerster] ziet niet kan vinden in deze acties en heeft zij uitgelegd waarin dat zo is. (…)
[Verweerster] heeft een en ander goed overdacht en met mij en de andere partners van kantoor besproken. Wij komen allen tot de conclusie dat deze strategie, naar onze professionele mening, niet in het belang van [klaagster] is en ook niet in het belang van [zoon]. (…) De door [klaagster] gewenste strategie sluit niet aan bij het advies van [verweerster]. (…) Dat betekent dat ons kantoor het dossier zal gaan sluiten en dat [klaagster] zich zal moeten richten op een advocaat van een ander kantoor. (…)
Ter afronding van deze klacht en gelet op het bovenstaande, maar zonder enige erkenning van aansprakelijkheid, zullen wij in plaats daarvan de gehele factuur crediteren. Het processtuk dat is goedgekeurd door [klaagster] en is ingediend kan worden overgenomen door een opvolgend advocaat.”
2.44    Op 20 mei 2025 heeft de gemachtigde van klager gereageerd op de mail van de klachtenfunctionaris van 16 mei 2025. Hij schrijft onder meer:
“De beslissing om het dossier op dit moment formeel te sluiten, terwijl zich juist nu een opening voor structurele afwikkeling voordoet, achten wij niet passend. In plaats van afronding, ontstaat nu juist een mogelijkheid tot inhoudelijke oplossing. Die ruimte verdient, in onze ogen, professionele begeleiding van degene die het dossier kent en inhoudelijk heeft opgebouwd. (…)
Afgelopen weekend is er een wezenlijke nieuwe ontwikkeling ontstaan: [de man] heeft op eigen initiatief aan [klaagster] voorgesteld om als nog tot een regeling te komen. (…)
Daarmee ligt de bal letterlijk op de stip: er is een kansrijke mogelijkheid om het dossier in volle omvang te regelen via een vaststellingsovereenkomst.”
De gemachtigde van klaagster heeft voorgesteld dat verweerster het overleg met de man begeleidt en toewerkt naar een mogelijke vaststellingsovereenkomst 
2.45    Op 21 mei 2025 heeft de klachtenfunctionaris geregeerd en geschreven dat de ontwikkelingen van de afgelopen dagen geen aanleiding geven voor een aanpassing van de reactie op de ingediende klacht en dat het dossier door het kantoor gesloten zal worden. De klachtenfunctionaris schrijft onder meer:
“Gedurende het klachttraject is er onderhandeld met [de man] over andere onderwerpen dan de kinderalimentatie zonder dat [verweerster] daarbij betrokken was. Wij hebben laten weten dat [verweerster] zich niet kan vinden in de gekozen strategie. Het staat partijen uiteraard vrij om een vaststellingsovereenkomst te sluiten, maar dat zal niet begeleid kunnen worden door [verweerster] danwel iemand anders van ons kantoor. Immers, wij zijn niet betrokken geweest bij de onderhandelingen en onderschrijven de strategie niet.”
2.46    Op 22 mei 2025 heeft verweerster aan de gemachtigde van klaagster laten weten dat zij tot uiterlijk 30 juni 2025 procesvertegenwoordiger van klaagster bij de rechtbank blijft om te voorkomen dat berichten van de rechtbank niet bij klaagster zouden aankomen. Verweerster heeft daarbij een voorstel gedaan voor een bericht aan de advocaat van de man en een aantal suggesties gedaan voor een opvolgend advocaat. 
2.47    Op 26 mei 2025 heeft de advocaat van de man een verweerschrift ingediend bij de rechtbank. Verweerster heeft het verweerschrift diezelfde dag doorgestuurd aan klaagster en haar gemachtigde. Zij heeft vervolgens, op verzoek van de gemachtigde van klaagster, de rechtbank verzocht om uitstel voor het voeren van verweer. Op 13 juni 2025 heeft verweerster klaagster en haar gemachtigde geïnformeerd over de verlengde verweertermijn (tot 21 juli 2025). 
2.48    Het dossier bevat een creditfactuur van 30 mei 2025, waarin een bedrag van € 5.104,55 wordt gecrediteerd. 
2.49    Op 27 juni 2025 heeft verweerster klaagster en haar gemachtigde erop gewezen dat zij zich uiterlijk op 30 juni 2025 bij de rechtbank zal onttrekken.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende: 
1)    Strategisch nalaten in advies 16 oktober 2024: verweerster bestempelde de samenlevingsovereenkomst als niet relevant, liet daarmee zowel de artikel 6:212 BW- vordering als het risico op een verbouwingstegenvordering onbenut. 
2)    Geen integrale scenarioplanning: geen regie of planmatige aanpak ondanks cruciale documenten.
3)    Communicatiefouten met juridische impact: een interne e-mail werd per abuis doorgestuurd naar de wederpartij, die deze gebruikte om klaagsters onafhankelijkheid te ondermijnen.
4)    Ondeugdelijk verzoekschrift en onaangekondigde inzet tweede advocaat: de stukken bevatten wezenlijke fouten, de betrokkenheid van een tweede advocaat vond plaats zonder afstemming.
5)    Geen opvolging bij schikkingskans en plotselinge dossierafsluiting: verweerster heeft zich abrupt onttrokken terwijl er een reële schikkingsmogelijkheid aanwezig was.
6)    Facturering en overschrijding kostenkader: de signaalgrens werd genegeerd en er werd gefactureerd zonder waarschuwing.
7)    Geen herstel of verantwoordelijkheid na gegrondverklaring klacht: er was geen zelfonderzoek, geen overdracht, geen lering.
8)    Communicatie toonzetting onder het professionele niveau: verweerster liet zich uit op een wijze die tekortschiet in distantie, reflectie en cliëntgerichtheid. De benadering ontbeerde empathie en maatvoering. Klaagster wijst op een aantal concrete citaten.
a.    ‘Ik wil niet elke maand een discussie over de factuur. Op die manier kan ik niet werken.’
b.    ‘Deze e-mail heeft me een uur gekost, die ik niet kan rekenen.’
c.    ‘Ik ga het kort houden omdat ik geen tijd en negatieve energie hieraan wil besteden.’
d.    ‘In de praktijk loopt het altijd anders dan van te voren bedacht, reden waarom ik geen kostenraming wilde geven.’
3.2    De kern van de klacht is dat verweerster gedurende haar bijstand aan klaagster op meerdere punten tekort is geschoten in de professionele standaard die van een advocaat mag worden verwacht. Dit heeft niet alleen geleid tot juridische en financiële schade, maar heeft ook een diepe persoonlijke impact gehad op klaagster, die zich in een kwetsbare situatie bevond en mocht rekening op zorgvuldige, strategische en betrokken begeleiding. 
3.3    In de nagekomen e-mail van 22 juni 2026 heeft klaagsters gemachtigde zich nader uitgelaten over het adviestraject (oktober 2024) en heeft hij de raad verzocht om toepassing van artikel 48b Advocatenwet, namelijk de bijzondere voorwaarde dat verweerster het (factuur)bedrag van € 2.066,68 aan klaagster vergoedt. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat zij niet tekort is geschoten in haar advisering van klaagster. Het behoorde niet tot de opdracht om op basis van de samenlevingsovereenkomst te adviseren over mogelijke vorderingen. Verweerster heeft de overeenkomst alleen bestudeerd in het verlengde van de aan haar verstrekte opdracht om tot wijziging van de kinderalimentatie te komen. Klaagster heeft zich gedurende de bijstand nimmer uitgelaten over een mogelijke vordering op de man. De factuur van de aannemer werd kort voor indiening van het verzoekschrift ontvangen. De vermeende latente vordering van klaagster op de man is pas tijdens de interne klachtenprocedure ter sprake gebracht. Onderzoek naar dergelijke vorderingen viel buiten het bestek van de opdracht. 
4.2    Verweerster erkent dat zij de gemachtigde van klaagster abusievelijk één keer in de cc in plaats van de bcc heeft gezet. Zij heeft hiervoor omgaand zowel schriftelijk als in persoon haar excuses aan klaagster en haar gemachtigde aangeboden. Dit leidt echter niet tot een gegronde tuchtrechtelijke klacht. Klaagster is door de fout niet in haar belangen geschaad. 
4.3    Verweerster stelt dat onjuist is dat de inzet van de tweede advocaat niet is aangekondigd. Zij wijst op de opdrachtbevestiging waarin dit is opgenomen. Uiteindelijk is voor werkzaamheden van deze advocaat vier uur in rekening gebracht. Verweerster had deze werkzaamheden anders zelf moeten verrichten, tegen een hoger uurtarief. 
4.4    Verweerster betwist dat een ondermaats verzoekschrift is opgesteld. Het is juist dat de noodzakelijke cijfermatige onderbouwing door de gemachtigde van klaagster is samengesteld en dat hier veel tijd aan is besteed. Dit vormde de basis van het verzoekschrift en voor het behoefteoverzicht was verweerster afhankelijk van de informatie van klaagster. 
4.5    Verweerster erkent dat zij ten minste bij het versturen van de declaratie ad € 5.100,- klaagster had moeten inlichten en bij voorkeur daarvoor, dat de begroting overschreden zou worden. Dat is niet gebeurd en dat betreurt verweerster. Om dit te compenseren heeft verweerster de volledige declaratie gecrediteerd. Gelet daarop heeft klaagster geen belang meer bij dit klachtonderdeel. 
4.6    Van een abrupte beëindiging van de samenwerking is geen sprake. Op 8 april 2025 heeft de gemachtigde van klaagster een interne klacht tegen verweerster ingediend. Verweerster heeft diezelfde dag aan klaagster bevestigd dat daarmee de opdracht als beëindigd moest worden beschouwd. Tijdens de interne klachtenprocedure is onderwerp van gesprek geweest of en zo ja in welke vorm de samenwerking toch voorgezet zou kunnen worden. Na intern overleg is besloten de samenwerking niet te continueren. Het stond verweerster vrij zich te onttrekken, gelet op het verschil van inzicht. Zij heeft dat zorgvuldig gedaan.
4.7    Verweerster heeft toegelicht dat zij in de interne klachtenprocedure excuses heeft aangeboden voor de toonzetting van haar e-mailbericht. Die reactie was emotioneel en onvoldoende zakelijk. Verweerster heeft lering getrokken uit deze kwestie. Verweerster heeft verantwoordelijkheid genomen en inzicht getoond in haar eigen handelen. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 
Omvang opdracht (klachtonderdeel 1)
5.2    Verweerster heeft de opdracht in haar opdrachtbevestiging van 10 oktober 2024 samengevat als 1) de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon (kinderalimentatie), 2) een mogelijke verhuizing van klaagster wanneer de zoon naar de middelbare school gaat en 3) aanpassing van de geldleningsovereenkomst. De (vermeende) civiele vordering van klaagster op haar ex-partner uit hoofde van verrekening van te veel door haar betaalde kosten voor de huishouding was dus geen onderdeel van de opdracht. Dat klaagster (c.q. haar gemachtigde) deze vordering toen wel al aan de orde heeft gesteld, blijkt ook niet. Uit het klachtdossier leidt de raad af dat de vordering pas gedurende de interne klachtenprocedure door klaagster ter sprake is gebracht. Ook de factuur van € 51.000,- voor verbouwingskosten was geen onderdeel van de opdracht en is pas eind maart 2025 met verweerster gedeeld. Verweerster heeft daarover toen duidelijk laten weten dat dit een andere zaak is, juridisch los staat van de kinderalimentatie en dat klaagster dat traject met een andere advocaat moet opstarten. 
5.3    In haar advies van 16 oktober 2024 heeft verweerster de in het advies genoemde documenten beoordeeld in het licht van de gegeven opdracht: de kinderalimentatie en de wijziging van de geldleningsovereenkomst. Dat zij de samenlevingsovereenkomst in dat licht als niet relevant heeft beschouwd, acht de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Hoe verweerster op basis van de samenlevingsovereenkomst had moeten voorzien dat (later) nog een factuur voor verbouwingskosten zou kunnen volgen, is de raad niet duidelijk. Klachtonderdeel 1 is daarom ongegrond. 
Scenarioplanning (klachtonderdeel 2) 
5.4    De raad overweegt dat het plan aanvankelijk helder was: verweerster zou een advies geven en geprobeerd zou worden om in onderling overleg met de wederpartij tot een schikking te komen. Eind november 2024 heeft de gemachtigde van klaagster verzocht het dossier te sluiten en is kennelijk verder onderhandeld zonder bijstand van verweerster. Dat heeft niet tot een oplossing geleid, waarna de opdracht eind februari 2025 weer is hervat en ingezet werd op het opstarten van een procedure tot wijziging van de kinderalimentatie. Daarmee was naar het oordeel van de raad steeds duidelijk wat de aanpak was en verweerster heeft ook steeds regie gevoerd. Klachtonderdeel 2 is daarom ongegrond. 
Communicatiefout (klachtonderdeel 3)
5.5    Op 18 oktober 2024 heeft verweerster een e-mail aan de advocaat van de man gestuurd, waarbij zij klaagsters gemachtigde in de cc heeft gezet (kennelijk in plaats van in de bcc). Duidelijk is dat dit heeft geleid tot boosheid aan de zijde van de man, de ex van klaagster. Verweerster heeft op 23 oktober 2024 excuses aangeboden. Dat is naar het oordeel van de raad afdoende geweest. Hoe vervelend ook, een dergelijke slordigheid is onder die omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.      
Verzoekschrift (klachtonderdeel 4)
5.6    Het is duidelijk dat het (concept) verzoekschrift een aantal keer heen en weer is gegaan tussen verweerster en klaagster c.q. haar gemachtigde voor correctie. Het gaat om een conceptstuk wat nog moet worden aangepast en goedgekeurd en dan is dat een gebruikelijke gang van zaken. Dat het verzoekschrift aanvankelijk wellicht fouten bevatte, is mogelijk te wijten aan wat onzorgvuldigheid, maar die fouten zijn niet zodanig dat dit leidt tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt. Het uiteindelijk ingediende verzoekschrift voldoet naar het oordeel van de raad aan de professionele standaard en kan niet worden aangemerkt als ondeugdelijk. Het is duidelijk dat klaagster (c.q. haar gemachtigde) veel werk heeft verricht bij het aanleveren van informatie en overzichten. Ook dat is niet ongebruikelijk, omdat de informatie bij uitstek bij de cliënt bekend is en de advocaat zich daarop dient te baseren. Klaagster wilde bovendien afwijken van het TREMA-rapport en wilde een (veel) hogere behoefte van het kind aantonen. Een dergelijke afwijking moet (extra) goed onderbouwd worden. Ook om die reden lag het op de weg van klaagster (c.q. haar gemachtigde) om concrete informatie aan te leveren. 
5.7    Verweersters kantoorgenoot (mr. B) heeft ook werkzaamheden verricht. Dat is in overeenstemming met de opdrachtbevestiging, waarin is opgenomen dat ook een andere advocaat werkzaamheden kan verrichten. Er is dan ook geen sprake van het onaangekondigd inzetten van een tweede/andere advocaat. Dat dit inefficiënt zou zijn verlopen, is de raad niet gebleken. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond. 
Onttrekking (klachtonderdeel 5) 
5.8    De raad overweegt dat in de interne klacht van 8 april 2025 is opgenomen dat voortzetting van de samenwerking niet wenselijk werd geacht en dat klaagster op zoek zou gaan naar een andere advocaat. In het interne klachtentraject is vervolgens toch gesproken over de mogelijkheid dat verweerster (of een kantoorgenoot) de zaak zou voortzetten. Verweerster heeft de opdracht uiteindelijk toch beëindigd, omdat klaagster ondertussen (tijdens de interne klachtenprocedure) verder in onderhandeling was getreden met de man en verweerster zich niet kon vinden in de door klaagster gekozen strategie. Daarmee was sprake van een verschil van mening over de manier waarop de opdracht moest worden uitgevoerd. Verweerster mocht zich dan ook onttrekken. Dat heeft zij op zorgvuldige wijze gedaan. Dat er kennelijk toen toch een opening was om verder te onderhandelen met de man maakt dat niet anders, nu daarvoor geen advocaat is vereist en klaagster ook (al dan niet met haar gemachtigde) zelf met de man kon onderhandelen, zoals zij daarvoor ook al had gedaan. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Dit klachtonderdeel is ongegrond. 
Facturering (klachtonderdeel 6)
5.9    Op 25 februari 2025 heeft verweerster een kosteninschatting gegeven en daarbij geschreven dat zij een signaal zou afgeven als de grens van € 5.000,- zou worden bereikt. Vaststaat dat verweerster dat signaal niet heeft gegeven, maar dat zij op 1 april 2025 een factuur heeft gestuurd voor een bedrag van € 5.104,55. Verweerster heeft erkend dat dit niet goed is gegaan. De raad volstaat met die vaststelling. Verweerster heeft uiteindelijk de volledige nota gecrediteerd, waardoor klaagster geen verder belang meer heeft bij dit verwijt. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond. 
Communicatie en verantwoordelijkheid (klachtonderdelen 7 en 8)
5.10    Verweerster heeft in haar e-mails van 5 en 7 april 2025 wat geïrriteerd gereageerd op de discussie over de klacht. Desondanks acht de raad de inhoud van de e-mails (ook de door klaagster citeerde uitlatingen) niet zodanig onprofessioneel dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Verweerster heeft bovendien in het interne klachtentraject voldoende verantwoordelijkheid genomen, gereflecteerd op haar handelen en excuses aangeboden. Dat verweerster zich in de verdere communicatie ook niet professioneel zou hebben uitgelaten, is de raad niet gebleken. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond. 
Tot slot
5.11    In de aanvulling van 22 juni 2026 heeft de gemachtigde van klaagster voor het eerst geklaagd over (onder meer) het ontbreken van een concrete kostenvoorlichting in het eerste adviestraject van oktober 2024. Dat is een nieuw klachtonderdeel en daarvoor geldt dat dit op gespannen voet staat met artikel 46c Advocatenwet. Daarin is bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat die daarnaar onderzoek doet. De raad laat eventuele aanvullende klachten daarom verder buiten beschouwing, zoals op zitting ook al aan partijen is meegedeeld. 
5.12    Omdat de raad de klacht in al zijn onderdelen ongegrond verklaard, is er geen grond voor toewijzing van de door klaagster gevorderde schade. De raad wijst het verzoek om vergoeding van schade dan ook af.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond;
-    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter