ECLI:NL:TADRSGR:2026:199 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-020/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:199 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 16-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-020/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 31 augustus 2026
in de zaak 26-020/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 25 maart 2026 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. M.J. de Jong
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 augustus 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 12 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K215 2026
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 25 maart 2026 heeft de voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is diezelfde
dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 16 april 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 20 juli 2026. Daarbij
waren klager en verweerder met zijn gemachtige aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen
van klager van 1 juli 2026.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager stelt dat verweerder redelijkerwijs kon weten dat de door hem geponeerde feiten
onjuist waren. Klager wijst onder meer op het vonnis van de rechtbank Den Haag van
10 juli 2019, de door klager aan de deskundige afgegeven stukken, waarvan verweerder
een kopie heeft ontvangen, en het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari
2026. De tekst in het vonnis uit 2019 is helder: de rekeninghouder en enige gemachtigde
van de rekening was de cliënte van verweerder. Ieder feit dat verweerder poneert in
tegenspraak hiermee, is het poneren van een feit waarvan verweerder weet of kan weten
dat dit onjuist is.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
2.3 Ter zitting heeft klager aangevoerd dat de voorzitter een onjuist toetsingskader
heeft gebruikt. Klager wijst op het toetsingskader zoals het Hof van Discipline dat
in zaak 230086 heeft vastgelegd, wat verschilt van het door de voorzitter gebruikte
toetsingskader. Volgens klager heeft de voorzitter namelijk alleen getoetst of verweerder
destijds wist dat de door hem namens zijn cliënte ingenomen standpunten onjuist waren,
maar heeft de voorzitter nagelaten om tevens te toetsen of verweerder destijds redelijkerwijs
had behoren te weten dat deze standpunten onjuist waren.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Hoewel
de precieze formulering van het door de voorzitter in 4.1 gebruikte toetsingskader
enigszins verschilt van het toetsingskader zoals het Hof van Discipline dat in de
door klager genoemde beslissing heeft geformuleerd, komt het toetsingskader feitelijk
overeen en heeft de voorzitter feitelijk de juiste maatstaf gehanteerd. De voorzitter
refereert daar ook aan in overweging 4.3 van de voorzittersbeslissing waar hij oordeelt
dat niet is gebleken dat verweerder feiten heeft geponeerd waarvan hij wist of redelijkerwijs
moest weten dat deze onwaar waren. Van het hanteren van een onjuist toetsingskader
is dan ook geen sprake.
4.3 De raad is met de voorzitter van oordeel dat verweerder, in het belang van
zijn cliënte, zich op het standpunt kon stellen dat de feitelijke beschikkingsmacht
over de rekening, ondanks dat deze bankrekening op naam van de cliënte van verweerder
stond, bij klager lag. Dat de cliënte van verweerder volgens de regels van de Rabobank
als enige gebruik mocht maken van deze bankrekening, wat er ook zij van deze stelling,
maakt dit niet anders. Dit zegt immers niets over de feitelijke situatie. De raad
heeft in redelijkheid geen twijfel aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter.
4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden, D.M. de Knijff, A.T. Bol en M.H. Janssen, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 augustus 2026