ECLI:NL:TADRSGR:2026:198 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-723/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:198 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 16-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-723/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 31 augustus 2026
in de zaak 25-723/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 24 december 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
gemachtigde: mr. C.J.R. van Binsbergen
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 21 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K182 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 24 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) beslist op de klacht. Deze beslissing is diezelfde
dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 21 januari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 6 juli 2026. Daarbij
waren klager en verweerster en haar gemachtigde aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail (met bijlagen)
van de gemachtigde van verweerster van 16 juni 2026 en van de e-mail (met bijlage)
van klager van 22 juni 2026.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager heeft onder meer gewezen op de onjuiste beoordeling van c.q. onduidelijkheid
over de hoedanigheid van de gemachtigde van verweerster. Klager stelt verder dat de
voorzitter klachtonderdeel a ten onrechte niet heeft beoordeeld, terwijl verweerster
de grenzen van de aan haar toekomende vrijheid heeft overschreden. Klager heeft verder
gewezen op de verklaring van de heer B, als feitelijke grondslag voor het verwijt
dat verweerster betrokken is geweest bij de betrokkenheid van de raadsheer. Klager
stelt verder dat de bewijsregel ‘wie stelt, moet bewijzen’ is geschonden.
2.2 Klager heeft in zijn aanvulling van 22 juni 2026 onder meer gewezen op recente
ontwikkelingen en op de innerlijke tegenstrijdigheid in de voorzittersbeslissing,
doordat bepaalde klachtonderdelen in de motivering inhoudelijk worden besproken en
beoordeeld, wat past bij een oordeel van kennelijke ongegrondheid, terwijl dezelfde
klachtonderdelen in het dictum worden aangemerkt als kennelijk niet-ontvankelijk.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet (concreet) op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
4.3 Ten aanzien van klachtonderdelen b en c heeft klager terecht opgemerkt dat
het dictum (kennelijk niet-ontvankelijk) niet overeenkomt met de conclusie in de overweging
van de beslissing (kennelijk ongegrond). Uit de motivering in de overwegingen (4.5
en 4.6 van de voorzittersbeslissing) blijkt naar het oordeel van de raad duidelijk
dat de klachtonderdelen inhoudelijk zijn beoordeeld en kennelijk ongegrond zijn verklaard.
Ten onrechte is in het dictum vervolgens opgenomen dat de klachtonderdelen b en c
kennelijk niet-ontvankelijk zijn. De raad is van oordeel dat sprake is van een evident
kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. De raad herstelt de fout dan
ook via deze beslissing en is van oordeel dit niet tot gegrond verzet leidt.
4.4 Ten aanzien van de (hoedanigheid van de) gemachtigde van verweerster, geldt
dat dit geen onderdeel is van de klacht tegen verweerster. Klager heeft ook klachten
ingediend tegen de gemachtigde. Dat de voorzitter de hoedanigheid van de gemachtigde
onbesproken heeft gelaten, leidt niet tot enige twijfel aan de juistheid van de voorzittersbeslissing.
4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel a is de raad met de voorzitter van oordeel
dat klager zijn klacht hierover al eerder had kunnen indienen in de eerdere klachtprocedures
tegen verweerster. Dat betekent dat de raad er redelijkerwijs van uit gaat dat de
beslissing van de voorzitter juist is. Ten aanzien van klachtonderdelen b en c heeft
de raad eveneens geen twijfel aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter.
4.6 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 augustus 2026