ECLI:NL:TADRSGR:2026:197 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-692/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:197 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-08-2026 |
| Datum publicatie: | 16-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-692/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een familiekwestie. Klacht deels niet-ontvankelijk, omdat de klacht te laat is ingediend. Voor zover ontvankelijk is de klacht over de kwaliteit van de bijstand deels gegrond. Verweerster is op meerdere punten tekortgeschoten in de behartiging van klagers belangen, onder meer door zonder toelichting of berekening een jaaropgave in te dienen, waar de rechtbank vervolgens geen rekening mee heeft gehouden. Verweerster heeft aangifte tegen klager gedaan naar aanleiding van door hem bij de Geschillencommissie ingediende stukken. Verweerster heeft daarmee niet gehandeld als een betamelijk advocaat, omdat er geen noodzaak was om aangifte te doen en verweerster niet vooraf overleg heeft gevoerd met de deken. Zij heeft daarbij ook haar geheimhoudingsplicht geschonden door een e-mail uit haar dossier aan de politie te overleggen. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 31 augustus 2026
in de zaak 25-692/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: mr. M.J.S. Spanjersberg
over
verweerster
gemachtigde: mr. R. Sanders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 18 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 9 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K092 2025 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zittingen van de raad van 18 mei 2026 en 6 juli
2026. Bij de zittingen waren aanwezig: klager en zijn gemachtigde, alsmede verweerder
en zijn gemachtigde.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen
van:
- de e-mail (met bijlagen) van de gemachtigde van klager van 7 november 2025;
- de e-mail (met bijlage) van 10 november 2025 van verweerster;
- de e-mail (met bijlagen) van de gemachtigde van klager van 24 april 2026, met
dien verstande dat de raad alleen kennis heeft genomen van de begeleidende brief van
de gemachtigde en productie 24. De overige producties (21 t/m 23 en 25) zijn door
de raad geweigerd;
- de e-mail (met bijlagen) van de gemachtigde van verweerster van 1 mei 2026;
- de e-mail (met bijlagen) van klager van 22 juni 2026, met dien verstande dat
de raad alleen kennis heeft genomen van productie 26. De overige producties (27 en
28) zijn door de raad geweigerd.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
De echtscheidingsprocedure
2.2 Klager is gehuwd geweest. Uit dit (eerste) huwelijk is een dochter (E) geboren.
Klager is gescheiden. In 2016 is klager opnieuw getrouwd. Uit dit (tweede) huwelijk
is eveneens een dochter (A) geboren. Klagers ex-vrouw (uit het eerste huwelijk) is
in 2020 overleden, waardoor de kosten van de dochter uit het eerste huwelijk volledig
ten laste van klager kwamen. Klager verbleef na het overlijden van de ex-vrouw regelmatig
in de woning van de ex-vrouw. Klager droeg de kosten voor zichzelf, zijn beide dochters,
de woning van zijn ex-vrouw en de zijn (tweede) vrouw en haar woning.
2.3 Medio 2021 is klagers tweede vrouw een echtscheidingsprocedure gestart. Op
4 augustus 2021 heeft zij een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen
bij de rechtbank Den Haag ingediend, waarin onder meer is verzocht dat de man een
bedrag van € 600,- per maand aan de vrouw zal betalen als kinderalimentatie voor dochter
A en een bedrag van € 2.500,- per maand als partneralimentatie, beiden met ingang
van 1 augustus 2021.
2.4 Op 19 augustus 2021 heeft klager zich tot verweerster gewend voor bijstand.
Op 31 augustus 2021 heeft verweerster een verweerschrift ingediend bij de rechtbank.
Op 1 september 2021 heeft verweerster de opdracht aan klager bevestigd, te weten bijstand
in de door de vrouw gestarte voorlopige voorzieningenprocedure. Op 3 september 2021
heeft de rechtbank Den Haag het verzoek voorlopige voorziening behandeld ter zitting.
2.5 Bij beschikking van 17 september 2021 heeft de voorzieningenrechter onder
meer bepaald dat klager met ingang van 1 augustus 2021 een bedrag van € 330,- per
maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen en een bedrag van € 658,- per
maand aan partneralimentatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.6 Op 12 oktober 2021 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding met
nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank.
2.7 Op 14 januari 2022 heeft verweerster een verweerschrift tevens zelfstandig
verzoek ingediend namens klager.
2.8 Op 17 januari 2022 heeft de vrouw een verzoek wijziging voorlopige voorzieningen
ingediend bij de rechtbank, gericht op het wijzigen van de omgangsregeling tussen
klager en dochter A.
2.9 Op 8 februari 2022 heeft verweerster een verweerschrift hiertegen ingediend,
tevens inhoudend een zelfstandig verzoek, te weten dat de door de man betaalde bedragen
aan het levensonderhoud van de vrouw worden verrekend met door hem nog te betalen
partneralimentatie.
2.10 Op 1 maart 2022 heeft de rechtbank een beschikking gewezen, waarin over
het door verweerster gedane verzoek over het verrekenen van bedragen is opgenomen:
“De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat door hem betaalde bedragen
worden verrekend met de door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de
vrouw afwijzen, omdat dit verzoek naar zijn aard niet kan worden gekwalificeerd als
een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 233 Rv. Evenmin valt
dit verzoek onder de in artikel 822 Rv genoemde voorzieningen.”
2.11 Op 22 april 2022 heeft verweerster, namens klager, bij de rechtbank een
aanvullend verzoek met producties (8 t/m 22) ingediend. In het verzoek is een overzicht
gegeven van de door klager betaalde bedragen, onderbouwd met producties, waarbij het
verzoek is gedaan de door klager betaalde bedragen te verrekenen met het door klager
te betalen openstaande bedrag aan partneralimentatie. Onder punt 16 is opgenomen:
“Verder treft u als productie 18 een schuldenoverzicht van de belastingdienst aan
waaruit een totale schuld van € 7.992,00 blijkt. De man verzoekt uw rechtbank in uw
beschikking op te nemen dat partijen bij helfte draagplichtig zijn voor deze schuld.”
Productie 18 betreft onder meer een schuldenoverzicht gedateerd op 11 februari 2022,
totaal € 7.992,00 en een brief van de Belastingdienst aan klager over een getroffen
betalingsregeling.
2.12 Op 11 mei 2022 heeft verweerster, in reactie op een bericht van klager,
aan klager gemaild dat het niet de bedoeling is dat verzoeken telkens schriftelijk
worden gewijzigd en dat bewijsstukken tot tien dagen voor de zitting kunnen worden
ingediend. Verweerster schrijft verder:
“Wat betreft de schulden, alles is ingediend wat u heeft toegestuurd. (…)
De verhuiskosten en opknapkosten kunnen meegenomen worden als u kunt onderbouwen
dat u kosten heeft gemaakt. Dit moet met bewijsstukken aangetoond worden.
Het gaat dan niet om kosten maar de schulden die hiervoor zijn gemaakt. De aflossing
van deze schulden wordt dan meegenomen bij de berekening van alimentatie.”
2.13 Op 16 mei 2022 heeft klager diverse stukken aan verweerster gestuurd ter
indiening in de (bodem)procedure, waaronder stukken over vaste lasten, salaris, een
jaaropgaaf 2021 en schulden. Hij schrijft daarbij:
“Er blijft bijna geen geld over voor [klager] en [dochter E] door de VOVo beschikking
03.09.3031. Er moet recalculatie beide alimentaties met terugwerkende kracht per
01.08-2021 gedaan worden!! Daadwerkelijk salaris v/d man 2021 is € 69.390 met € 5.210
minder (in plaats eerder van € 74.600).”
2.14 Op 24 mei 2024 heeft verweerster per e-mail aan klager laten weten dat hij
om de zoveel dagen stukken danwel een nieuw verzoek toestuurt dat bij de rechtbank
ingediend moet worden. Verweerster schrijft dat het de bedoeling is dat een verweerschrift
met alle stukken compleet ingediend wordt en dat, als dit niet kan, stukken tot 10
dagen voor de zittingsdatum ingediend kunnen worden.
2.15 Op 25 mei 2022 heeft de advocaat van de vrouw een verweerschrift ingediend
bij de rechtbank. Verweerster heeft dit verweerschrift niet aan klager doorgestuurd.
2.16 Op 26 mei 2022 heeft verweerster een aanvullend verzoek met producties (producties
23 t/m 34) ingediend bij de rechtbank. In het aanvullend verzoek heeft verweerster
de rechtbank geschreven dat het onder andere aanvullende producties betreft ‘die bij
de verdeling van de goederengemeenschap meegenomen dienen te worden.’ Verweerster
heeft de rechtbank concreet verzocht de als productie 23 bijgevoegde stukken/kosten
(over reparatie echtelijke woning) bij de verdeling te betrekking.
De producties betreffen onder meer:
23. Gemaakte kosten reparatie echtelijke woning (vlak voordat de man de woning
moest verlaten);
24. Onderhandse lening bij de overleden ex-vrouw tevens afbetaling (afbetaling heeft
plaatsgevonden met het geleende geld bij diens zus;
25. Onderhandse lening bij de zus van de man tevens aflossingen;
26. Jaaropgave man 2021, (…)
30. Termijn betalingen belastingschuld
2.17 Op 8 juni 2022 heeft de rechtbank de zaak op zitting behandeld. Klager en
verweerster waren daarbij aanwezig.
2.18 Bij beschikking van 13 juli 2022 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding
tussen klager en de vrouw uitgesproken. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat klager
een bedrag van € 357,- per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen (per datum
beschikking) en een bedrag van € 563,- per maand aan partneralimentatie (per datum
inschrijving van de echtscheidingsbeschikking). De rechtbank heeft klager, onder verwijzing
naar artikel 827 lid 1 onder f Rv, niet-ontvankelijk verklaart in zijn nevenverzoeken
die zien op (onder meer) de onderhandse leningen en belastingschulden, verrekening
van kosten met partneralimentatie en reparatiekosten woning.
Over de schulden heeft de rechtbank overwogen:
“Hoewel niet voor alle schulden is aangetoond wanneer deze zijn ontstaan en hoeveel
daar maandelijks op wordt afgelost, zal de rechtbank in redelijkheid rekening houden
met een aflossing op deze schulden van in totaal € 200,- per maand.”
2.19 Op 30 augustus 2022 heeft verweerster de rechtbank verzocht om een herstelbeschikking.
Daarbij heeft verweerster erop gewezen dat de rechtbank in de beschikking van 13 juli
2022 ten onrechte is uitgegaan van het (hogere) inkomen van klager over 2020, nu met
de aanvullende stukken van 25 mei 2022 de jaaropgave 2021 was ingestuurd.
2.20 Bij beschikking van 13 september 2022 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen
en daarbij overwogen:
“De rechtbank is bij de draagkrachtberekening uitgegaan van het inkomen van de man
uit 2020, omdat de man daarmee in de door hem overgelegde draagkrachtberekening ook
had gerekend en dat inkomen voor zijn draagkracht niet ter discussie stond. De enkele
omstandigheid dat uit – niet nader toegelichte of besproken – aanvullende stukken
van de man blijkt dat het jaarsalaris van de man in 2021 is gedaald van € 74.600,-
naar € 69.390,-, betekent niet dat sprake is van een kennelijke, ook voor partijen
kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare rekenfout, schrijffout of andere kennelijke
fout, die tot verbetering op de voet van artikel 31 Rv moet leiden.”
2.21 Klager heeft, bijgestaan door een andere advocaat, hoger beroep ingesteld
tegen de beschikking van de rechtbank van 13 juli 2022. Bij beschikking van 10 juli
2024 heeft het gerechtshof de beschikking van de rechtbank deels vernietigd. Het gerechtshof
heeft:
- de kinderalimentatie in de periode van 13 juli 2022 tot 1 augustus 2023 bepaald
op het bedrag wat hij in die periode daadwerkelijk heeft betaald;
- de door klager vanaf 1 augustus 2023 te betalen kinderalimentatie voor dochter
A op € 25,- per maand bepaald;
- bepaald dat de vrouw het in de periode vanaf 1 augustus 2023 eventueel te veel
ontvangen bedrag aan kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen;
- de door klager te betalen partneralimentatie met ingang van 6 januari 2023
op nihil gesteld;
- bepaald dat de vrouw in het verleden eventueel te veel ontvangen partneralimentatie
niet hoeft terug te betalen.
Het gerechtshof heeft rekening gehouden met een aflossing op een schuldenlast van
€ 550,- per maand.
Interne klachtenprocedure
2.22 Klager heeft op 26 augustus 2022 een klacht tegen verweerster ingediend
bij het kantoor waar zij werkzaam was. Diezelfde dag is de klacht besproken, waarbij
klager, verweerster en kantoorgenoot mr. J aanwezig waren.
2.23 Op 31 augustus 2022 heeft verweerster een schriftelijke reactie op de klacht
aan klager gestuurd, waarin onder meer staat:
“U heeft aangegeven het laatste verweerschrift van de wederpartij op het aanvullend
verzoek niet ontvangen te hebben. Dit is hoogstwaarschijnlijk aan de aandacht van
mijn medewerkers ontgaan, waarvoor mijn excuses. Deze stukken heeft u inmiddels vooralsnog
toegestuurd gekregen.”
2.24 Op 18 september 2022 heeft klager gereageerd op het bericht van verweerster.
Hij schrijft dat de klachtbehandeling niet tot een bevredigend resultaat heeft geleid
en stelt dat hij door de gebrekkig dienstverlening van verweerster schade heeft opgelopen,
in totaal een bedrag van € 9.041,25.
Geschillencommissie Advocatuur
2.25 Op 10 juli 2023, 11 augustus 2023 en 14 augustus 2023 heeft klager bij de
Geschillencommissie Advocatuur (hierna: de geschillencommissie) klachten ingediend
over de dienstverlening van verweerster.
2.26 Op 27 november 2023 heeft verweerster een reactie op de klachten aan de
geschillencommissie gestuurd. Zij schrijft onder meer:
“Hierop heeft [klager] middels een e-mail van 18 september 2023 gereageerd met nogmaals
de opgenomen klachten waarvan de inhoud niet overeenkomst met de inhoud van de e-mail
die [klager] bij de geschillencommissie heeft aangeleverd. (…) Pagina drie van de
mailcorrespondentie betreft een e-mail van [klager] als reactie op onze e-mail van
31 augustus 2022. De inhoud van deze e-mail (de klachten en het bedrag) komt echter
niet overeen met de e-mail die wij oorspronkelijk hebben ontvangen. (…) De e-mail
is hoogstwaarschijnlijk door [klager] recentelijk aangevuld en bijgewerkt teneinde
bewijs te creëren en de klacht dan wel het bedrag uit te breiden.
Bovenaan de e-mail die [klager] bij de geschillencommissie heeft aangeleverd ontbreekt
tevens de kop met verzenddatum, verzender en ontvanger, waaruit geconcludeerd kan
worden dat de e-mail bewerkt is. De oorspronkelijke klacht betrof een schadebedrag
van € 9.041,25, terwijl de bij de geschillencommissie ingediende klacht een schadebedrag
betreft van € 22.575,25. (…)
Daarbij is het zeer kwalijk dat [klager] de geschillencommissie tracht te misleiden
teneinde voordeel te behalen en het schadebedrag zo hoog mogelijk te houden. Hij heeft
de klacht zo gepresenteerd alsof de aan de commissie voorgelegde klacht in dezelfde
vorm en dezelfde omvang eerder op kantoor is besproken hetgeen hij wenst de bewijzen
met de bewerkte e-mail.”
2.27 Op 13 februari 2024 heeft de Geschillencommissie een deel van de klachten
op zitting behandeld.
2.28 Op 27 augustus 2024 heeft verweerster een melding gedaan over klager bij
de politie. In de melding schrijft zij dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan
valsheid in geschrifte, omdat klager volgens verweerster een door hem bewerkte e-mail
als zijnde een originele e-mail heeft ingediend bij de geschillencommissie.
2.29 Op 10 september 2024 heeft verweerster aan de geschillencommissie onder
meer geschreven:
“Op 30 september hebben wij een gesprek op het politiebureau (…) gehad om aangifte
te doen. In overleg is besloten de aangifte na de uitspraak door te zetten. (…)
Als bijlage treft u de bevestiging van de afspraak, nogmaals de e-mail die [klager]
heeft aangeleverd en de originele e-mail aan.”
Als bijlage is gevoegd:
- een stuk van de politie waaruit volgt dat op 30 augustus 2024 een afspraak
is geweest voor het doen van aangifte van valsheid in geschrifte;
- de door klager ingebrachte e-mail;
- de e-mail zoals klager die op 18 september 2022 naar verweerster heeft gestuurd.
2.30 Op 17 september 2024 is het resterende deel van de klachten door de geschillencommissie
op zitting behandeld.
2.31 Op 25 september 2024 heeft de geschillencommissie een bindend advies gegeven
over (het deel van) de klacht die ziet op het door verweerster op 25 mei 2022 aan
de rechtbank toesturen van de jaaropgave 2021, zonder daarbij een nieuwe alimentatieberekening
te voegen. In het advies is overwogen dat het op de weg van verweerster had gelegen
om aan de hand van de jaaropgave 2021 de alimentatieberekening aan te passen en een
nieuwe alimentatieberekening aan de rechtbank te doen toekomen. Dit heeft verweerster
nagelaten. Dat de rechtbank, ondanks dat de jaaropgave 2021 tijdig is ingediend, toch
is uitgegaan van de jaaropgave 2020, valt de advocaat niet te verwijten. De geschillencommissie
heeft de klacht ongegrond verklaard.
2.32 Op 10 januari 2025 heeft de geschillencommissie een bindend advies gegeven
over de resterende klachten over de dienstverlening van verweerster. In het advies
overweegt de Geschillencommissie dat vaststaat dat een deel van de klachten zoals
ingediend bij de commissie niet is voorgehouden aan de advocaat. Desondanks verklaart
de Geschillencommissie klager ontvankelijk in zijn klacht. De Geschillencommissie
overweegt onder meer:
“De advocaat heeft erkend dat het verweerschrift door haar medewerkers te laat aan
de cliënt is toegestuurd. Wat de belastingstukken betreft, heeft de cliënt ter zitting
nader toegelicht dat de advocaat geen aandacht heeft gevraagd voor zijn specifieke
overzicht van de belastingschulden. Indien hij het verweerschrift tijdig had ontvangen,
had hij dit met verweerster kunnen afstemmen. De advocaat heeft dit niet voldoende
weersproken. De rechtbank overweegt in de beschikking van 13 juli 2022 dat niet voor
alle schulden is aangetoond wanneer deze zijn ontstaan en hoeveel daarop wordt afgelost.
De rechtbank houdt daarom in redelijkheid rekening met een bepaald bedrag. De commissie
is van oordeel dat tijdig overleg voorafgaande aan de zitting hier tot een andere
uitkomst had kunnen leiden. Door het nalaten van de advocaat is dit overleg er niet
gekomen. Zoals hierna aan de orde zal komen, zal de commissie in redelijkheid een
vergoeding toekennen.”
De geschillencommissie heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard.
2.33 Op 20 februari 2025 is klager door de politie uitgenodigd voor een verhoor
op 27 februari 2025. Bij brief van 29 september 2025 heeft de officier van justitie
aan klager bericht dat de zaak geseponeerd wordt vanwege onvoldoende bewijs.
Klacht bij de deken
2.34 Verweerster heeft zich per 1 januari 2025 laten uitschrijven als advocaat.
2.35 Op 18 april 2025 heeft (de gemachtigde van) klager deze klacht tegen verweerster
ingediend bij de deken.
2.36 Op 28 mei 2025 heeft verweerster aan de gemachtigde van klager onder meer
geschreven:
“Indien [klager] bereid is de tuchtklacht in te trekken zal ik de officier van justitie
verzoeken niet tot vervolging over te gaan. Ik heb recentelijk contact gelegd waarbij
ik heb vernomen dat de officier nog geen besluit heeft genomen.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
a) Verweerster heeft onvoldoende kennis genomen van de relevante feiten en omstandigheden,
heeft onvoldoende stelling ingenomen, onvoldoende verweer gevoerd, geen rechtsgevolg
aan belangrijke stellingen en verweren koppelt, waardoor zij de belangen van klager
onvoldoende heeft behartigd en klager schade heeft geleden (artikel 10a lid 1 aanhef
en onder b en c Advocatenwet). Klager heeft concreet gewezen op het et volgende:
- In de procedure voorlopige voorzieningen is geen verweer gevoerd tegen de verzochte
ingangsdatum van de alimentatie. Door het gebrekkige c.q. onvolledige verweer, zowel
in de stukken als op zitting, zijn in de beschikking van 17 september 2021 diverse
onjuistheden opgenomen. Deze onjuistheden zijn later, zo volgt uit de eindbeschikking,
door verweerster niet rechtgetrokken.
- In de bodemprocedure heeft verweerster onvoldoende acht heeft geslagen op het
gewijzigde inkomen van klager, althans hieraan geen expliciet rechtsgevolg heeft verbonden.
Verweerster heeft nagelaten te voorzien in een alimentatieberekening waarbij rekening
is gehouden met het actuele (lagere) inkomen van klager. Ook heeft zij de schulden
onvoldoende geduid. Hierdoor is bij eindbeschikking een te hoge alimentatie bepaald.
In het in januari 2022 ingediende verweerschrift staan diverse onjuistheden. Verweerster
heeft op 26 mei 2022 twaalf producties ingediend zonder verdere toelichting. Zij heeft
geweigerd om klagers verhuiskosten op te nemen en zij heeft enkel de reparatiekosten
opgenomen en zeer summier vermeld.
- Verweerster heeft een verweer tevens zelfstandig verzoek ingediend strekkende
tot verrekening van reeds betaalde bedragen met nog te betalen bedragen, terwijl een
dergelijke vordering dient te worden ingeleid met een dagvaarding.
b) Verweerster heeft niet betamelijk en niet integer gehandeld door tijdens een
lopende procedure oneigenlijke druk uit te oefenen op klager door naar aanleiding
van (de bijlagen bij) zijn klaagschrift aangifte tegen klager te doen (art. 10a lid
1 aanhef en onder d Advocatenwet);
c) Verweerster heeft de geheimhoudingsplicht geschonden door (onnodig) aangifte
te doen en heeft daarbij de belangen van klager onnodig en onevenredig heeft geschaad
(art 10a lid 1 aanhef en onder e Advocatenwet en gedragsregel 3).
Aanvullende klacht 13 juni 2025
d) Verweerster heeft na indiening van de tuchtklacht aan klager in haar e-mail
van 28 mei 2025 een voorstel gedaan om de door haar ingediende aangifte in te trekken
onder de voorwaarde dat klager zijn tuchtklacht intrekt. Dit kwalificeert als afdreiging,
wat strafbaar is en in strijd met de betamelijkheid.
3.2 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht is aangevoerd dat in
de bodemprocedure uitspraak is gedaan op 13 juli 2022 en dat klager dus tijdig heeft
geklaagd ten aanzien van de in de bodemprocedure gemaakte fouten. Verweerster zou
de door haar gemaakte fouten herstellen in de bodemprocedure. Zij heeft ook na 17
september 2021 fouten gemaakt, welke fouten pas op 13 juli 2022 ‘definitief’ zijn
geworden met de beschikking en pas nadien bekend zijn geworden. Klager dient dan ook
ontvankelijk te worden verklaard, omdat niet gesteld of gebleken is dat klager daadwerkelijk
al op 17 september 2021 bekend was of had moeten zijn met het handelen van verweerster.
Pas na het wijzen van de beschikking van 13 juli 2022 is hij daar daadwerkelijk mee
bekend geworden.
Verder is aangevoerd dat verweerster in de klachtenprocedure bij het kantoor een
aantal fouten heeft erkend en dat klager pas na deze erkenning daadwerkelijk kennis
heeft genomen van het handelen en nalaten waar de klacht betrekking op heeft. Klager
heeft bovendien niet stilgezeten: hij heeft een kantoorklacht en later een klacht
bij de geschillencommissie ingediend. De tuchtklacht komt dan ook niet uit de lucht
vallen. Deze procedurele handelingen hebben een ‘stuitende werking’.
3.3 Klager heeft de raad verzocht om de financiële schade te verhalen op verweerster,
te weten een totaal van € 8.954,50.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij heeft zich op het
standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van
artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet, omdat de klacht buiten de daarvoor geldende
termijnen is ingediend.
4.2 Voor zover de klacht ontvankelijk is, heeft verweerster betwist klagers belangen
onvoldoende te hebben behartigd. Zij heeft zich actief laten informeren, is meermalen
met klager in overleg getreden en heeft alle processtukken aan klager voorgelegd.
Klager heeft ieder processtuk voorzien van aantekeningen en aanvullende stukken, waarna
de processtukken zijn aangevuld en pas daarna zijn ingediend bij de rechtbank.
4.3 Verweerster kan zich ook niet vinden in klagers stelling dat zij niet betamelijk
en/of integer zou hebben gehandeld door aangifte te doen. Verweerster wijst erop dat
klager bij het indienen van een klacht bij de geschillencommissie mailcorrespondentie
tussen klager en verweerster heeft aangevuld met klachtonderdelen die niet daadwerkelijk
besproken zijn. Klager heeft tevens het vermeende schadebedrag aangepast. Klager heeft
zelf de geschillencommissie niet ingelicht dat de e-mail door hem is aangevuld en
aangepast. Hij deed het voorkomen alsof het een originele e-mail betrof en alle daarin
genoemde klachtonderdelen tijdens het gesprek op kantoor met verweerster besproken
waren. Klager heeft verder een e-mail aangeleverd bij de geschillencommissie die nooit
is verstuurd door klager. Klager deed het voorkomen alsof hij deze e-mail eerder naar
het kantoor had verstuurd. Verweerster vindt dat klager (welbewust) valsheid in geschrift
heeft gepleegd en daarmee een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven aan de
geschillencommissie. Van onder druk zetten is geen sprake, verweerster heeft geen
enkele poging gedaan om klager te bewegen de procedure bij de geschillencommissie
in te trekken. Verweerster heeft in de aangifte en verdediging geen vertrouwelijke
cliëntinformatie verstrekt buiten het kader van noodzakelijke toelichting op het vermoeden
van valsheid in geschrifte.
4.4 Verweerster meent dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. Mocht de
klacht deels gegrond worden verklaard, verzoekt verweerster geen maatregel op te leggen,
omdat zij inmiddels geen advocaat meer is, reeds excuses heeft gemaakt aan klager,
zij geen tuchtrechtelijk verleden heeft en zij niet voornemens is terug te keren in
de advocatuur.
4.5 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Klachtonderdeel a) deels niet-ontvankelijk
5.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van
dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
5.2 De raad overweegt dat klager zijn klacht op 18 april 2025 heeft ingediend.
Dit betekent dat de klacht te laat is ingediend, voor zover de klacht ziet op handelen
of nalaten waarmee klager al voor 18 april 2022 bekend was. Klager heeft in augustus
en september 2021 kennis genomen van het verweerschrift en de beschikking in de voorlopige
voorzieningenprocedure. Hij was dan ook toen al bekend met het handelen c.q. nalaten
van verweerster. De termijn van drie jaar om daarover te klagen heeft klager laten
verstrijken. Datzelfde geldt voor de verweerschriften die door verweerster in januari
en februari 2022 zijn ingediend. De beschikking van 13 juli 2022 is het moment geweest
waarop klager kennis heeft kunnen nemen van de gevolgen van verweersters handelen
en/of nalaten. De termijn van artikel 46g lid 2 (een jaar) is daarom op dat moment
gaan lopen. De termijnen van artikel 46g Advocatenwet zijn vervaltermijnen die niet
kunnen worden gestuit. Klager is dan ook niet-ontvankelijk voor zover dit klachtonderdeel
ziet op handelen en/of nalaten van verweerster voor 18 april 2022.
Toetsingskader – klachtonderdeel a)
5.3 Klager is wel ontvankelijk waar zijn klacht ziet op handelen en/of nalaten
van verweerster vanaf 18 april 2022. Daarvoor geldt het volgende toetsingskader.
5.4 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Beoordeling - klachtonderdeel a)
5.5 Klager verwijt verweerster in de kern dat zij bij het indienen van verzoeken
en stukken op 22 april 2022 en 26 mei 2022 tekort is geschoten wat betreft zijn inkomen
en schulden, met als gevolg dat een te hoge alimentatie is vastgesteld.
5.6 De rechtbank heeft in haar beschikking overwogen dat niet van alle schulden
is aangetoond wanneer deze zijn ontstaan en hoeveel daar maandelijks op wordt afgelost
en heeft daarom in redelijkheid een bedrag vastgesteld. De raad is van oordeel dat
dat voor verweersters rekening komt. Verweerster heeft op 22 april en 26 mei 2022
stukken ingediend, waaronder stukken over de schulden van klager. Uit de correspondentie
tussen klager en verweerster blijkt dat klager steeds, op verschillende momenten,
stukken aan verweerster heeft toegestuurd. Het was verweersters verantwoordelijkheid
om dat te stroomlijnen en de daadwerkelijk benodigde stukken over de schulden bij
klager op te vragen en deze vervolgens in te dienen met een toelichting zoals een
daaraan gekoppeld verzoek of verweer. Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat
er niet meer stukken waren, maar niet blijkt dat zij concreet bij klager navraag heeft
gedaan c.q. nadere stukken heeft opgevraagd. Dat had zij wel moeten doen. Verweerster
is tekortgeschoten in het behartigen van klagers belangen.
5.7 Op 26 mei 2022 heeft verweerster ook de jaaropgave van klager over 2021 ingediend.
Ook hierbij ontbrak een concrete toelichting, zoals een nieuwe alimentatieberekening.
Dat had wel op haar weg gelegen. Zij had minst genomen in haar verzoek uitdrukkelijk
erop moeten wijzen dat een recente jaaropgave werd ingediend, met het concrete verzoek
aan de rechtbank om bij de alimentatieberekening uit te gaan van het inkomen uit deze
jaaropgave. Verweerster is ook op dit punt tekortgeschoten.
5.8 Verweerster heeft het door de wederpartij op 25 mei 2022 ingediende verweerschrift
niet (tijdig) aan klager doorgestuurd. Klager heeft dit in de klachtenprocedure bij
het kantoor aan de orde gesteld en kennelijk heeft hij het verweerschrift pas toen
ontvangen. Dat is veel te laat en daarvan kan verweerster eveneens een verwijt worden
gemaakt.
5.9 De raad is dan ook van oordeel dat verweerster klagers belangen niet heeft
behartigd op een manier zoals van haar verwacht mocht worden. De raad is van oordeel
dat verweerster heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde deskundigheid. Klachtonderdeel
a) is, voor zover ontvankelijk, wat betreft de hierboven genoemde punten gegrond.
5.10 Klager verwijt verweerster tot slot ook dat zij heeft geweigerd zijn verhuiskosten
op te nemen en dat zij enkel reparatiekosten heeft opgenomen en deze zeer summier
heeft vermeld. Verweerster heeft toegelicht dat zij klager heeft laten weten dat zij
de verhuiskosten alleen kon opvoeren als hij die (concreet en met stukken) kon onderbouwen.
Verweerster stelt dat klager dit niet heeft gedaan. Om die reden zijn de verhuiskosten
niet gevorderd. Klager heeft deze gang van zaken niet betwist. Het verwijt hierover
is verder onvoldoende onderbouwd. Datzelfde geldt voor het verwijt over de reparatiekosten.
Klachtonderdeel a is op dit punt ongegrond.
Toetsingskader – klachtonderdelen b) en c)
5.11 De tuchtrecht dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in
de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. In dit verband spelen de kernwaarden
vertrouwelijkheid en integriteit een rol. De kernwaarde vertrouwelijkheid (geheimhouding)
houdt – voor zover hier van belang - in dat de advocaat zich gedraagt in overeenstemming
met de professionele normen voor de advocatuur, zoals die zijn samengevat in artikel
46 Advocatenwet. Deze verplichting tot geheimhouding is ook nadrukkelijk neergelegd
in artikel 11a Advocatenwet, inhoudende dat de advocaat dient te zwijgen over bijzonderheden
van de door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang
van diens belangen (zoals ook is neergelegd in gedragsregel 3 lid 1). Conform artikel
11a lid 2 Advocatenwet duurt de geheimhoudingsplicht voort na de beëindiging van de
relatie met de cliënt. De doorbreking van de plicht tot geheimhouding kan slechts
in uitzonderlijke gevallen aan de orde komen. Daarbij valt te denken aan een directe
dreiging van ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat zelf of een betrokkene dat
zonder het doorbreken van het beroepsgeheim niet kan worden afgewend. Ingeval de advocaat
doorbreking van de geheimhoudingsplicht overweegt, dient hij volgens vaste jurisprudentie
van het Hof van Discipline daarover voorafgaand met de deken overleg te plegen en
diens advies in te winnen. Of vervolgens sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per
geval beoordeeld (vergelijk HvD 15 mei 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:86 en HvD 17 oktober
2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:182).
Beoordeling klachtonderdelen b) en c)
5.12 Deze klachten zien er in de kern op dat verweerster oneigenlijke druk op
klager heeft uitgeoefend door aangifte tegen hem te doen, waarbij verweerster haar
geheimhoudingsplicht heeft geschonden, aldus klager.
5.13 Hoewel het een advocaat in beginsel vrijstaat om (ook tegen een eigen cliënt)
aangifte te doen, is de raad van oordeel dat daarvoor wel voldoende zwaarwegende gronden
moeten zijn, zoals een (levens)bedreigende situatie. Daarvan was in dit geval geen
sprake. Het ging (alleen) om door klager bij de geschillencommissie ingebrachte stukken,
die niet overeenkwamen met eerder door klager aan verweerster (c.q. haar kantoor)
gestuurde e-mails. Verweerster had hiertegen bij de geschillencommissie verweer kunnen
voeren en kunnen toelichten wat het originele bericht was. Dat heeft zij ook gedaan.
De raad ziet de noodzaak niet voor het daarnaast doen van aangifte tegen klager en
is van oordeel dat verweerster onder deze omstandigheden met het doen van aangifte
tegen klager niet heeft gehandeld als een betamelijk advocaat.
5.14 Verder staat vast dat er, voorafgaand aan de aangifte van verweerster tegen
klager, bovendien geen overleg tussen verweerster en de deken heeft plaatsgevonden,
omdat verweerster de deken niet heeft geraadpleegd. Omdat verweerster zonder overleg
met de deken de originele e-mail uit haar dossier aan de politie heeft overgelegd,
heeft zij ook haar geheimhoudingsplicht geschonden. Ook dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.15 Gezien het voorgaande heeft verweerster de kernwaarden integriteit en vertrouwelijkheid
geschonden. De klacht is in zoverre gegrond.
5.16 De raad kan niet vaststellen dat verweerster aangifte heeft gedaan om oneigenlijke
druk uit te oefenen op klager. Dat blijkt niet uit het klachtdossier. De klacht is
in zoverre ongegrond.
Klachtonderdeel d)
5.17 De tuchtrechter is op grond van artikel 46 van de Advocatenwet alleen bevoegd
om te oordelen over het handelen van advocaat. Dit klachtonderdeel ziet op verweersters
bericht van 28 mei 2025. Zij was op dat al geen advocaat meer. De tuchtrechter mag
daarom niet oordelen over dit klachtonderdeel. De raad is in zoverre onbevoegd.
Verzoek schadevergoeding
5.18 Voor zover klager een verzoek om schadevergoeding heeft gedaan, overweegt
de raad dat de mogelijkheden tot toewijzing van schadevergoedingsvorderingen in het
tuchtrecht in zijn algemeenheid beperkt zijn. De raad kan de (gevorderde) schade in
dit geval niet eenvoudig vaststellen. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom
afgewezen. Klager dient zich hiervoor (zo nodig) tot de civiele rechter te wenden.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster is op meerdere punten tekortgeschoten in haar bijstand aan klager
in de echtscheidingsprocedure. Ook heeft zij aangifte gedaan tegen klager, zonder
daar eerst overleg over te voeren met de deken. Bij het doen van aangifte heeft zij
bovendien haar geheimhoudingsplicht geschonden. Verweerster heeft dan ook gehandeld
in strijd met de kernwaarden deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid.
6.2 De raad houdt bij het bepalen van de maatregel rekening met het blanco tuchtrechtelijk
verleden van verweerster. Dat zij op dit moment geen advocaat meer is, vormt echter
voor de raad geen reden om af te zien van het opleggen van een maatregel. Dit geldt
temeer nu verweerster ter zitting heeft gezegd dat zij voor de toekomst een terugkeer
in de advocatuur overweegt. Omdat sprake is van schending van kernwaarden, legt de
raad de maatregel van berisping op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht
van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk voor handelen en/of nalaten
van verweerster voor 18 april 2022 gegrond;
- verklaart klachtonderdeel a) voor het overige deels gegrond en deels ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) deels gegrond en deels ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
- verklaart zich onbevoegd met betrekking tot klachtonderdeel d)
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. W.R. Arema en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 31 augustus 2026.