ECLI:NL:TADRSGR:2026:196 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-516/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:196 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2026 |
| Datum publicatie: | 26-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-516/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij/werkgever in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Klager lijkt niet te (willen) begrijpen dat verweerder optreedt als advocaat van de wederpartij en daarmee partijdig is. Klager kan zelf een advocaat inschakelen. Verweerder mocht afgaan op de juistheid van de informatie van zijn cliënt. Het is voor klager steeds duidelijk geweest dat verweerder het aanspreekpunt was. Geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 26 augustus 2026
in de zaak 26-516/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 18 juni 2026 met kenmerk R 2026/059 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 33. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de brief van klager van 30 juni 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is verwikkeld (geweest) in een geschil met zijn werkgever, stichting
X. Verweerder staat de stichting bij.
1.2 Op 27 februari 2024 heeft verweerder, namens de stichting, een verzoekschrift
tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van klager ingediend.
1.3 Klager heeft geen verweerschrift ingediend. Hij is, zonder gemachtigde, op
de zitting van de kantonrechter van 14 mei 2024 verschenen.
1.4 Bij beschikking van 19 juni 2024 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst
per direct ontbonden zonder toekenning van een transitievergoeding aan klager. In
de beschikking is onder meer overwogen:
“4.14. (…) Dat werknemer naar eigen zeggen op diverse vlakken wel naar behoren
functioneert en met een aantal andere collega’s en stagiaires wel goed heeft kunnen
samenwerken, maakt deze conclusie niet anders.”
Klager heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
1.5 Op 7 augustus 2024 heeft een HR-adviseur van de stichting per e-mail aan
klager geschreven dat klager langs de personeelsadministratie is geweest, maar de
voor klager klaar liggende usb-stick niet heeft meegenomen.
1.6 Bij brief van 21 augustus 2024 heeft verweerder, namens de stichting, klager
met onmiddellijke ingang de toegang tot alle locaties van de stichting ontzegd. In
de brief is vermeld dat klager op 20 augustus 2024 de usb-stick met zijn personeelsdossier
niet heeft meegenomen.
1.7 Op 6 september 2024 heeft verweerder, namens de stichting, klager in kort
geding gedagvaard en verzocht om oplegging van een contact- en locatieverbod aan klager.
1.8 Bij (verstek)vonnis in kort geding van 19 september 2024 heeft de voorzieningenrechter
de eis toegewezen en klager verboden om zich binnen een straal van 100 meter van diverse
locaties van de stichting te bevinden of op enige wijze contact op te nemen met de
huidige of voormalige medewerkers van de stichting, op straffe van een dwangsom van
€ 1.000,- per overtreding met een maximum van € 25.000,-. Het vonnis is uitvoerbaar
bij voorraad verklaard.
1.9 Klager heeft het opgelegde contact- en locatieverbod hierna meermaals overtreden.
De stichting heeft vervolgens besloten het vonnis in kort geding van 18 september
2024 te executeren en aanspraak te maken op de door klager verbeurde dwangsommen.
Verweerder heeft de deurwaarder opdracht gegeven tot het leggen van executoriaal derdenbeslag
op het loon van klager bij zijn nieuwe werkgever. Dit (loon)beslag is op 21 oktober
2024 gelegd.
1.10 De stichting, de bestuurder van de stichting en de deurwaarder hebben aangifte
tegen klager gedaan. Op 17 juni 2025 is klager aangehouden door de politie. Klager
heeft vervolgens enige tijd in voorlopige hechtenis gezeten.
1.11 Op 20 juni 2025 heeft verweerder per e-mail aan klager onder meer geschreven:
“Ik heb u inmiddels diverse malen geïnformeerd onder welke voorwaarden stichting
[X] bereid is het beslag op te heffen. U dient dan volledig en onverkort te stoppen
met het benaderen van, corresponderen met en lastig vallen van stichting [X] en haar
(oud) medewerkers. Hetzelfde geldt voor alle andere betrokkenen, zoals de deurwaarder.
Indien u meent dat stichting [X] u iets verschuldigd is en/of het beslag ten onrechte
is gelegd, kunt u hiertegen een procedure starten bij de rechter. Ook dit heb ik u
inmiddels herhaaldelijk medegedeeld.”
1.12 Op enig moment (datum onbekend) heeft verweerder aan klager onder meer geschreven:
“Zoals u weet, sta ik al lange tijd mijn cliënte, stichting [X], bij in de kwestie
tegen u als (oud)werknemer en dat is tot op heden ongewijzigd. Mijn bevoegdheid om
namens cliënte met u te communiceren, hoeft en kunt u niet in twijfel (te) trekken.
Dat geldt ook voor het door mij doorsturen van uw berichten aan cliënte en het afstemmen
van mijn reacties aan u namens haar. Zoals ik u al eerder berichtte, laat cliënte
het bij deze bevestiging en is ondertekening door de bestuurders niet nodig. Aan uw
overige verzoeken zal cliënte geen gevolg geven. (…) Nogmaals verzoek en sommeer ik
u namens haar wel om per direct te stoppen met het (voortdurend) blijven lastig vallen
van alle betrokkenen, zowel door het blijven sturen van mails, het bellen van betrokkenen
en het bezoeken van de locaties van cliënte. U kunt dit bewerkstellingen door mij
dit schriftelijk te bevestigen. Dan kan cliënte het beslag opheffen. Verder verwijs
ik u naar alle eerdere aan u verzonden correspondentie.”
1.13 Op 27 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.14 Bij brief van 15 september 2025 heeft klager verweerder aangeschreven over
onder meer de volgens klager onrechtmatige beslaglegging.
1.15 In reactie op berichten van klager van 15 en 18 september 2025 heeft verweerder
aan klager onder meer geschreven:
“Allereerst ben ik namens mijn cliënte, stichting [X], schriftelijk benaderbaar
voor u. (…)
Het personeelsdossier is geruime tijd geleden al integraal aan u aangeboden. (…)
In augustus 2024 bent u vervolgens twee keer op deze locatie langs geweest, maar hebt
u de bewuste USB-stick tot twee keer toe niet meegenomen/geweigerd. Cliënte ziet zich
thans, mede gezien de ontstane situatie, op geen enkele wijze gehouden dit dossier
nogmaals aan u aan te bieden.”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
1) Het inbrengen van een aantoonbaar onware verklaring zonder ondertekening.
Klager heeft toegelicht dat in de eerste procedure (ontbinding arbeidsovereenkomst)
door verweerder een verklaring van een medewerker is ingebracht die aantoonbaar feitelijk
onjuist was. Deze verklaring is nooit ondertekend door een natuurlijk persoon en een
direct betrokkene heeft zich hier schriftelijk van gedistantieerd. Desondanks bleef
de verklaring gehandhaafd en werd zij benut om vergaande maatregelen tegen klager
te bepleiten. Klager stelt dat de rechter hierdoor is misleid, dat misbruik is gemaakt
van recht en dat de waarheidsplicht is geschonden.
2) Ontduiking van bestuursverantwoordelijkheid en obstructie
Klager heeft toegelicht dat hij niet in contact kan komen met het bestuur van de
stichting. Al het contact verloopt via verweerder en het contact met het bestuur wordt
door hem gefrustreerd. Verweerder weigert een ondertekend bestuursmandaat en de contactgegevens
van de Raad van Toezicht van de stichting te overleggen.
3) Het niet verstrekken van het volledige personeelsdossier
Klager stelt dat, ondanks herhaalde verzoeken, het volledige personeelsdossier niet
aan hem is verstrekt.
4) Bewuste weigering tot herstel
Klager stelt dat verweerder, ondanks herhaalde verzoeken tot vrijwillige herroeping
van de gewraakte procedure, namens zijn cliënt geen actie heeft ondernomen. Verweerder
bevestigt daarmee impliciet de juistheid van de ingebrachte informatie.
5) Misbruik van beslag
Klager stelt dat het beslag wordt gebruikt als chantage-instrument in een latere
procedure, waarin de stichting heeft verzocht om een locatie- en contactverbod. Verweerder
wil het beslag slechts laten opheffen als klager schriftelijk verklaart geen contact
meer op te nemen. Dat is geen normale afdoening van een beslag. Het beslag wordt gebruikt
om klager een zwijgverklaring te ontlokken. De gestelde voorwaarde is onrechtmatig.
6) Strafrechtelijk toezicht wordt als dreiging gebruikt
Klager stelt dat hij op 13 augustus 2025 weer is aangehouden op verzoek van de stichting
wegens schending van het locatie- en contactverbod. De rechter heeft een dag later
geoordeeld dat hier geen sprake van was en dat is op 19 augustus 2025 ook door de
reclassering bevestigd.
7) Misbruik van procesrecht en schending waarheidsplicht
Klager stelt dat sprake is van een patroon van misbruik van procesrecht en schending
van de waarheidsplicht.
2.2 Klager stelt verder dat verweerder per e-mail heeft verklaard dat er voor
advocaten “geen waarheidsplicht” zou bestaan, want haaks staat op artikel 21 Rv en
de kernwaarden integriteit en eerlijkheid.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Opvragen c.q. indienen van stukken
4.2 Voor zover klager in zijn brief van 30 juni 2026 verzoekt om stukken beschikbaar
te laten stellen door verweerder, geldt dat het aan klager is om zijn klacht met stukken
te onderbouwen. Klager had in ieder geval een deel van de door hem genoemde stukken
al kunnen overleggen tijdens het onderzoek bij de deken. Een deel van de door klager
genoemde stukken (zoals de verklaringen van de stagiaires) bevinden zich overigens
ook al in het dossier. De voorzitter ziet geen grond om op dit moment stukken op te
vragen, mede omdat niet het onderliggende geschil tussen klager en zijn werkgever
ter beoordeling voorligt, maar (alleen) de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld.
4.3 Namens verweerder is op 6 en 7 juli 2026 gevraagd om uitstel voor het indienen
van eventuele nadere stukken. Daarop is niet (direct) beslist. Omdat de voorzitter
reden ziet om de klacht bij voorzittersbeslissing af te doen, is verweerder niet in
zijn belangen geschaad door het feit dat hij geen stukken heeft ingediend.
Klachtonderdeel 1)
4.4 De voorzitter overweegt dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat klager
pas op 28 februari 2025, dus ruim acht maanden na de ontbindingsbeschikking, een aantal
verklaringen van stagiaires aan de stichting en verweerder heeft gestuurd. Op het
moment van het indienen van het verzoekschrift en gedurende de procedure waren deze
verklaringen dus kennelijk niet bij de stichting en/of verweerder bekend. Verweerder
heeft zich in zijn verzoekschrift – dat zich overigens niet in het klachtdossier bevindt
– gebaseerd op de informatie die hij van zijn cliënt ontving. Verweerder mocht uitgaan
van de juistheid van die informatie. Het is niet gebleken dat er op dat moment aanleiding
bestond om de juistheid van die informatie verder te controleren. Dat een verklaring
achteraf (mogelijk) onjuist blijkt, betekent niet dat bewust een onjuiste verklaring
is ingebracht. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Klachtonderdeel 2)
4.5 De voorzitter overweegt dat steeds duidelijk is geweest dat verweerder voor
de stichting optrad. Klager heeft zich niet voor niets steeds (ook) tot verweerder
gewend. Een advocaat wordt op zijn woord geloofd als hij stelt voor een partij op
te treden. Verweerder is dan ook niet verplicht een machtiging aan klager te overleggen.
Klager kon zich via verweerder tot (het bestuur van) de stichting wenden. Van obstructie
of het frustreren van contact is daarmee geen sprake. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen.
Klachtonderdeel 3)
4.6 De voorzitter overweegt dat het aan de stichting, als werkgever, is om een
personeelsdossier aan klager te verstrekken. Dat is niet verweerders verantwoordelijkheid.
Alleen al om die reden is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Uit
het klachtdossier blijkt bovendien dat de werkgever een aantal keer een usb-stick
met het personeelsdossier ter beschikking heeft gesteld, maar dat klager deze usb-stick
niet in ontvangst heeft willen nemen, kennelijk omdat hij een hardcopy van het personeelsdossier
wil. Wat daar ook van zij, verweerder kan op dit punt geen verwijt worden gemaakt.
Klachtonderdeel 4)
4.7 De voorzitter overweegt dat het in deze zaak niet verweerders taak en verantwoordelijkheid
is om over te gaan tot herroeping van een procedure en/of rectificatie van stukken.
Verweerder is de advocaat van de stichting en behartigt (alleen) de belangen van de
stichting. Als klager vindt dat de procedure moet worden herroepen of dat anderszins
actie nodig is, dient hij zelf in actie te komen, al dan niet bijgestaan door een
juridisch adviseur of advocaat. Verweerder heeft daarin, als advocaat van de wederpartij,
geen taak. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Klachtonderdeel 5)
4.8 De voorzitter overweegt dat verweerder in de communicatie met klager na de
beslaglegging het standpunt van de stichting, zijn cliënt, heeft verwoord. Verweerder
mocht afgaan op de informatie van de stichting, waaronder de informatie over het overtreden
van het contact- en locatieverbod. Op verzoek van de stichting heeft verweerder beslag
laten leggen. Verweerder heeft vervolgens aan klager gecommuniceerd onder welke voorwaarde
de stichting bereid is over te gaan tot opheffing van het beslag, te weten de voorwaarde
dat klager schriftelijk zou bevestigen dat hij zich aan het contact- en locatieverbod
zou houden. Die voorwaarde is niet onrechtmatig, gezien het eerder aan klager opgelegd
contact- en locatieverbod. De stichting mag een dergelijk voorstel doen en verweerder
mag dat namens de stichting aan klager communiceren. Van misbruik van beslag of tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen is geen sprake.
Klachtonderdeel 6)
4.9 De voorzitter overweegt dat onder meer (de bestuurder van) de stichting aangifte
tegen klager heeft gedaan, wat heeft geleid tot zijn aanhouding in juni 2025. Kennelijk
is klager ook in augustus 2025 weer aangehouden. Het is niet duidelijk waarom verweerder
hierin een verwijt kan worden gemaakt. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is
niet gebleken.
Klachtonderdeel 7)
4.10 De voorzitter verwijst naar het oordeel op de klachtonderdelen hiervoor.
Niet gebleken is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder. Klager lijkt
niet te (willen) begrijpen dat verweerder optreedt als advocaat van de wederpartij
van klager en daarmee partijdig optreedt. Verweerder behartigt niet klagers belangen.
Klager kan zelf een advocaat inschakelen die zijn belangen behartigt en die voor hem
opkomt. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder de belangen van klager (nodeloos)
heeft geschaad zonder redelijk doel. Van (een patroon van) misbruik van procesrecht
of schending van de waarheidsplicht is niet gebleken.
Conclusie
4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing
van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 augustus 2026