ECLI:NL:TADRSGR:2026:195 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-492/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:195 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2026 |
| Datum publicatie: | 26-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-492/DH/RO |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Overige gronden |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde wegens verwevenheid met eerdere tuchtklacht. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 26 augustus 2026
in de zaak 26-492/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. R. Sanders
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 12 juni 2026 met kenmerk R 2026/055 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 16.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft opgetreden namens een wederpartij van klager. Klager heeft
over verweerders handelen een klacht ingediend bij de directie van verweerders advocatenkantoor.
Dit heeft geleid tot een gesprek op 1 februari 2024 tussen klager en verweerder, in
het bijzijn van de klachtenfunctionaris van het kantoor.
1.2 Op 6 februari 2024 heeft klager een eerste tuchtklacht ingediend tegen verweerder.
Deze klacht is bij beslissing van de voorzitter van 11 september 2024 (ECLI:NL:TADRSGR:2024:158)
kennelijk ongegrond verklaard. Nadat klager verzet heeft ingesteld tegen de voorzittersbeslissing,
is het verzet bij beslissing van 22 april 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:78) ongegrond
verklaard. Bij beslissing van 19 september 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:178) heeft het
Hof van Discipline het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk verklaard, omdat
het hoger beroep te laat is ingesteld. Bij beslissing van 19 december 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:265)
heeft het Hof van Discipline het herzieningsverzoek van klager niet-ontvankelijk verklaard.
1.3 Op 19 december 2025 heeft klager deze tweede tuchtklacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft met zijn houding, doen en laten ertoe bijgedragen dat klagers
tuchtklacht tijdens de bijeenkomst op 1 februari 2024 niet inhoudelijk besproken werd.
Verweerder heeft niet aan voldaan aan zijn inspanningsverplichting om bij te dragen
aan het oplossen van het verschil van inzicht dat hij had met klager. Verweerder heeft
klagers inbreng compleet genegeerd en heeft niets van klagers klachten besproken.
Verweerder heeft tijdens zijn monoloog niets gedaan met klagers reacties “dat klopt
niet” en “u kletst” en toonde geen bereidheid om op de inhoud van klagers inbreng
in te gaan;
b) Verweerder heeft in zijn dupliek op de eerste tuchtklacht op pagina 7 verzwegen
dat:
- klager tijdens de bijeenkomst van 1 februari 2024 een samenvatting van zijn
verwijten aan het adres van verweerder heeft ingebracht;
- de samenvatting niet of nauwelijks bekeken werd;
- verweerder het betreffende A4’tje onbesproken naar klager heeft teruggeschoven;
- tijdens de bijeenkomst met geen woord over de inhoud van klagers klacht gesproken
werd.
Verweerder maakt zich hiermee schuldig aan het in rechte welbewust verstrekken van
een onjuiste weergave van de werkelijkheid. Ook bevestigt dit hoe onbelangrijk verweerder
de inbreng van klager destijds achtte.
2.2 Klager heeft ter onderbouwing van zijn klacht twee getuigenverklaringen ingebracht.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet
bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid
en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen
te nemen.
Ne bis in idem(?)
4.2 Verweerder beroept zich op artikel 47b lid 1 van de Advocatenwet. Dat artikel
luidt:
Niemand kan in gevolge de bepalingen in deze paragraaf andermaal tuchtrechtelijk
worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk
geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen.
4.3 De voorzitter volgt verweerder daarin niet. In de eerdere tuchtklacht is
niet geklaagd over verweerders handelen tijdens de bijeenkomst van 1 februari 2024
en de inhoud van zijn dupliek. Over dat handelen is dus nog niet eerder een onherroepelijke
tuchtrechtelijke eindbeslissing genomen.
4.4 Ook doet verweerder een beroep op het ne bis in idem-beginsel en de goede
procesorde, onder verwijzing naar ECLI:NL:TADRSGR:2025:5. Dat beroep slaagt deels.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline kan in een concreet geval het
indienen van een opvolgende klacht in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke
tuchtprocesorde, als deze zodanig verweven is met de eerdere klacht dat van een klager
redelijkerwijs verlangd had mogen worden om daarover direct met de eerste klacht te
klagen. De beginselen van een behoorlijke procesorde kunnen dan aan een inhoudelijke
beoordeling van de tweede klacht in de weg staan (zie HvD 10 juli 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:116
en HvD 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111). De voorzitter is van oordeel dat van
klager redelijkerwijs verlangd kon worden dat hij bij zijn eerste klacht van 6 februari
2024 ook zijn klachten over de wijze waarop het gesprek van 1 februari 2024 is verlopen
naar voren had kunnen en moeten brengen. Klachtonderdeel a) wordt daarom kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard.
4.5 Over de inhoud van de dupliek heeft klager niet eerder in de voorgaande procedure
kunnen klagen. Na een dupliek is er binnen de Leidraad dekenaal klachtonderzoek in
beginsel geen ruimte meer voor nadere schriftelijke reacties, zodat klager zijn eerste
klacht ook niet meer heeft kunnen uitbreiden ten aanzien van de inhoud van de dupliek.
Klachtonderdeel b) is daarom ontvankelijk.
Klachtonderdeel b)
4.6 Verweerder wordt verweten in zijn dupliek een onjuiste weergave van het gesprek
van 1 februari 2024 te hebben gegeven, door niets te vermelden over het A4’tje waarop
klager zijn klachten had samengevat en dat er tijdens de bespreking niet over de inhoud
van de klacht zou zijn gesproken.
4.7 Aan verweerder komt de vrijheid toe om verweer te voeren op een tuchtklacht
zoals hem dat goeddunkt. Aangezien de eerste tuchtklacht niet ging over het gesprek
van 1 februari 2024, wordt ook niet ingezien waarom verweerder op dat gesprek had
moeten ingaan in de vorige tuchtklacht. Er is geen tuchtrechtelijke norm geschonden.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus
2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 augustus 2026