ECLI:NL:TADRSGR:2026:194 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-472/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:194
Datum uitspraak: 26-08-2026
Datum publicatie: 26-08-2026
Zaaknummer(s): 26-472/DH/DH
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van kantoorgenoot
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over het standpunt dat een advocaat heeft ingenomen over de aansprakelijkheid van haar (kantoor) jegens klager. Klager dient zich daarvoor te wenden tot de civiele rechter. Niet gebleken van klachtwaardig handelen. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 26 augustus 2026
in de zaak 26-472/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 5 juni 2026 met kenmerk K007 2026 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 15 juni 2026.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerster maakt sinds 2022 deel uit van een samenwerkingsverband van advocaten die voor eigen rekening en risico ondernemen. Het samenwerkingsverband bestaat al langer. Tot aan 2007 heeft [naam advocaat] deel uitgemaakt van dit samenwerkingsverband, waarna zij met pensioen is gegaan. [Naam advocaat] is de curator geweest in het faillissement van klagers vennootschap. Klager verkeerde op het moment van faillissement in detentie.
1.2    Op 24 december 2025 heeft klager een brief naar de rechtbank gestuurd waarin hij aangeeft daarmee de verjaring van zijn vordering in het faillissement van zijn vennootschap te willen stuiten.
1.3    Op 25 december 2025 heeft klager verweerster gesommeerd om € 748.738,15 aan achterstallig salaris te betalen, omdat klager meent als preferente schuldeiser te zijn gepasseerd door de curator.
1.4    Op 2 januari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. 
a)    Verweerster heeft ten onrechte gesteld dat klagers vordering is verjaard;
b)    Verweerster neemt geen verantwoordelijkheid voor een dossier dat onder de vlag van haar kantoor is afgehandeld;
c)    Verweerster heeft de bijzondere zorgplicht miskend die een advocaat heeft jegens personen in een kwetsbare positie, door te beweren dat ‘gedetineerd zijn geen overmacht is’.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad en van handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
Beoordeling
4.2    Verweerster heeft jegens klager ten verwere tegen diens aan haar gerichte sommatie het standpunt ingenomen (1) dat klagers vordering is verjaard, (2) dat zij niet verantwoordelijk of aansprakelijk kan worden gehouden voor het handelen van [naam advocaat] en (3) dat gedetineerd zijn geen overmachtssituatie oplevert. Klager is het kennelijk niet eens met de (juridische) standpunten die verweerster heeft ingenomen. Voor de beoordeling van de vraag of dat terecht is dient klager zich echter te wenden tot de civiele rechter, die voor dat soort kwesties de enig bevoegde rechter is. Voor de tuchtrechter is daarvoor geen taak weggelegd. Dat het optreden van verweerster gepaard is gegaan met een handeling of gedraging die tuchtrechtelijk niet door de beugel kan is de voorzitter overigens ook niet gebleken. De klacht is in zijn geheel kennelijk ongegrond.

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 26 augustus 2026