ECLI:NL:TADRSGR:2026:193 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-471/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:193 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2026 |
| Datum publicatie: | 26-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-471/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening in een letselschadeprocedure. Niet gebleken dat verweerder heeft gedaan aan ontoelaatbare acquisitie of zijn zorgplicht richting klager heeft geschonden. Verweerder heeft een plan van aanpak opgesteld en aldus dat plan gehandeld. Verweerder heeft zijn werkzaamheden kunnen neerleggen na een ontstane vertrouwensbreuk. Dat heeft hij in overeenstemming met gedragsregel 14 lid 2 gedaan. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 26 augustus 2026
in de zaak 26-471/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 5 juni 2026 met kenmerk K370 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 9 juni 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft letselschade opgelopen bij een verkeersongeval. Hij heeft zich
hiervoor aanvankelijk laten bijstaan door een letselschadejurist.
1.2 Op 26 augustus 2025 hebben klager en verweerder een intakegesprek gevoerd.
Verweerder heeft de zaak vervolgens overgenomen. Op 27 augustus 2025 heeft verweerder
een opdrachtbevestiging verstuurd, met daarin plan van aanpak. Afgesproken is dat
er een arbeidsdeskundige zou worden ingeschakeld en dat verweerder medische informatie
zou opvragen bij klagers behandelaren.
1.3 Eind november 2025 heeft verweerder de opgevraagde medische informatie ontvangen.
Op 28 november 2025 heeft verweerder de medische informatie doorgezonden aan de medisch
adviseur van de verzekeraar.
1.4 Op 2 december 2025 heeft klager de arbeidsdeskundige aangeschreven, waarin
hij onder meer aangeeft zijn medewerking te zullen stoppen als de verzekeraar zijn
zaak niet serieus neemt en dat hij zich dan genoodzaakt ziet om een andere advocaat
in te schakelen. De arbeidsdeskundige heeft dit bericht doorgestuurd aan verweerder.
Verweerder heeft daarop bij klager aangedrongen om zijn medewerking aan het onderzoek
te blijven verlenen en heeft gevraagd of hij nog voor klager op kan blijven treden.
Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat hij nog in overleg is met de verzekeraar over
een aanvullende bevoorschotting, zoals hij eerder aan klager bericht zou hebben.
1.5 Nadat verweerder enkele keren om antwoord heeft gevraagd of hij verder kan
gaan als klagers advocaat, heeft hij op 4 december 2025 aan de hand van de e-mails
van klager geconcludeerd dat klager geen vertrouwen meer heeft in de samenwerking
en dat het hem beter lijkt om de opdrachtrelatie te beëindigen. Klager heeft gereageerd
en onder meer de verwachting uitgesproken dat hij van verweerder een bevestiging krijgt
dat de verzekeraar uiterlijk een week later uitbetaalt en dat hij zijn zaak anders
zal overdragen aan een andere advocaat. Verweerder heeft geantwoord dat hij die bevestiging
niet namens de verzekeraar kan geven, dat hij vaststelt dat er inderdaad geen vertrouwen
meer is, hij de opdrachtrelatie stopzet en dat klager de naam van zijn nieuwe advocaat
kan doorgeven voor de overdracht van het dossier. Klager heeft vervolgens verzocht
om zijn dossier.
1.6 Op 10 december 2025 heeft verweerder het dossier aan klager verstuurd en
een toelichting gegeven op wat hij voor klager had verricht.
1.7 Op 11 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft klager op onprofessionele wijze benaderd en mogelijk aan
ontoelaatbare acquisitie gedaan, door klager actief te benaderen terwijl hij zijn
zaak elders liet behandelen;
b) Verweerder is structureel nalatig geweest en er was een gebrek aan voortgang,
waardoor gedurende vijf maanden geen wezenlijke stap is gezet in het dossier. Zo is
er geen voorschot aangevraagd ondanks dat de aansprakelijkheid erkend was en klager
dat gezien zijn financiële situatie nodig had;
c) Verweerder heeft zijn zorgplicht geschonden door onvoldoende te communiceren,
klager niet tijdig van informatie te voorzien en door niet te reageren op vragen.
Verweerder had geen aandacht voor klagers financiële en medische situatie;
d) Verweerder heeft de opdracht eenzijdig en onmiddellijk opgezegd, zonder voorafgaande
waarschuwing, zonder redelijke grond en zonder rekening te houden met klagers belangen.
Er heeft geen veilige overgang plaatsgevonden naar een nieuwe belangenbehartiger,
waardoor klagers positie in de letselschadezaak rechtstreeks is geschaad;
e) Verweerder heeft onprofessioneel gedrag vertoond, door boos te worden en vervolgens
uit emotie de belangenbehartiging te beëindigen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.2 Op basis van het dossier is niet vast te stellen dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld in de wijze waarop hij voor klager is gaan optreden. Klager
heeft dit klachtonderdeel ook niet voorzien van een onderbouwing. Dat verweerder aan
acquisitie doet is niet klachtwaardig. Dat hij dit op ongeoorloofde wijze heeft gedaan
blijkt nergens uit. Bij gebrek aan onderbouwing en omdat dit klachtonderdeel door
verweerder wordt betwist, dient klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond te worden verklaard.
Klachtonderdelen b) en c)
4.3 Het is de voorzitter evenmin gebleken dat verweerder nalatig is geweest of
zijn zorgplicht richting klager heeft geschonden. Bij de opdrachtbevestiging heeft
verweerder een plan van aanpak meegezonden, waarin onder meer is ingegaan op het inschakelen
van een arbeidsdeskundige en het eventueel laten verrichten van een tussentijdse medische
expertise. Verweerder heeft, voor zover dat op basis van het dossier is vast te stellen,
ook conform dit plan van aanpak gehandeld. Zo is de arbeidsdeskundige ingeschakeld
en heeft verweerder ook medische informatie bij klagers behandelaren opgevraagd. Voor
zover het heeft geleid tot vertraging in de behandeling van de zaak, kan niet worden
vastgesteld dat dit te wijten is aan verweerder. Klager heeft ook niet concreet gemaakt
op welke momenten verweerder te kort zou zijn geschoten in zijn informatieverplichting
richting hem. Dat is de voorzitter ook niet gebleken. Klachtonderdelen b) en c) zijn
kennelijk ongegrond.
4.4 In zijn aanvullende stukken van 9 juni 2026 heeft klager zijn klacht op dit
punt nog uitgebreid door erop te wijzen dat verweerder een usb-stick met gegevens
zou zijn verloren en dat klager nooit uitleg heeft gekregen over de omstandigheden
waaronder de usb-stick is verloren of welke maatregelen verweerder zou hebben genomen
ter bescherming van de op de usb-stick opgenomen persoonsgegevens. De voorzitter wijst
erop dat klachten op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet enkel bij de
deken kunnen worden ingediend. Het (wezenlijk) uitbreiden of het aanvoeren van nieuwe
klachtonderdelen is dan ook niet meer mogelijk nadat het dossier is doorgezonden aan
de raad. De voorzitter kan daarom niet ingaan op dit aanvullend verwijt.
Klachtonderdelen d) en e)
4.5 Gedragsregel 14 lid 2 en 3 luiden:
2. Indien tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over de
wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling overleg
kan worden opgelost, dient de advocaat zich terug te trekken.
3. Wanneer de advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, dient
hij dat op zorgvuldige wijze te doen en dient hij ervoor zorg te dragen dat zijn cliënt
daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.
4.6 Verweerder heeft via de arbeidsdeskundige een bericht onder ogen gekregen
waarin klager opmerkt zich genoodzaakt te zien een andere advocaat in te schakelen
als de verzekeraar zijn zaak niet serieus zou nemen. Daaruit heeft verweerder kunnen
afleiden dat er een gebrek aan vertrouwen was vanuit de zijde van klager in verweerder.
Verweerder heeft in de periode van 2 tot en met 4 december 2025 diverse keren bij
klager nagevraagd of hij, gelet op dat bericht, hem nog kon vertegenwoordigen als
advocaat. Daarop is geen bevestiging, maar een ultimatum gekomen van klager in reactie
waarop verweerder heeft uitgelegd waarom hij daar niet aan kon voldoen. Verweerder
is vervolgens tot de conclusie is gekomen dat de vereiste vertrouwensband ontbrak
en heeft de opdrachtrelatie beëindigd. De voorzitter is van oordeel dat verweerder
daarmee in overeenstemming heeft gehandeld met gedragsregel 14 lid 2. Van boosheid
vanuit verweerder is niet gebleken. Uit de e-mailcorrespondentie in het dossier blijkt
juist dat verweerder zich heeft ingespannen om helder te krijgen of hij nog voor klager
verder kon werken. Dat heeft hij steeds gedaan in neutrale bewoordingen. Evenmin is
gebleken dat verweerder bij het neerleggen van zijn werkzaamheden in strijd heeft
gehandeld met gedragsregel 14 lid 3. Niet gebleken is dat verweerder zijn werkzaamheden
onzorgvuldig of ontijdig heeft neergelegd. Klachtonderdelen d) en e) zijn kennelijk
ongegrond.
Conclusie
4.7 Op grond van het voorgaande, zal de voorzitter de klacht in het geheel en
met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 augustus 2026