ECLI:NL:TADRSGR:2026:191 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-667/DH/DH/D

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:191
Datum uitspraak: 07-08-2026
Datum publicatie: 07-08-2026
Zaaknummer(s): 26-667/DH/DH/D
Onderwerp: Artikel 60 b e.v., subonderwerp: Artikel 60 b Advocatenwet
Beslissingen: 60b
Inhoudsindicatie: Verzoek op grond van artikel 60b Advocatenwet toegewezen. Onmiddellijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor onbepaalde tijd. Als voorziening wordt getroffen dat verweerder verplicht is een coachingstraject te doorlopen. Ook mag de deken een waarnemer aanwijzen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 7 augustus 2026 in de zaak 26-667/DH/DH/D
naar aanleiding van het verzoek op grond van artikel 60ab dan wel artikel 60b van de Advocatenwet:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
deken

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 17 juni 2026 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder. Het dekenbezwaar is bij de raad bekend met zaaknummer 26-509/DH/DH/D. Het dekenbezwaar zal ter zitting worden behandeld op 7 september 2026.
1.2    Op 29 juli 2026 heeft de deken het onderstaande verzoek op grond van artikel 60ab dan wel artikel 60b van de Advocatenwet (hierna: het schorsingsverzoek) ingediend tegen verweerder. 
1.3    Het schorsingsverzoek is behandeld op de zitting van de raad van 6 augustus 2026. Daarbij waren de deken, bijgestaan door haar stafjurist, en verweerder en, met instemming van partijen, diens juridisch medewerker aanwezig.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
Toezicht door de deken
2.2    Verweerder is op 19 november 2025 een eigen kantoor gestart. De Opgave Nieuw Kantoor en een vragenlijst voor een kantooronderzoek zijn door hem, ondanks herhaald rappel, niet (tijdig) ingediend bij de deken. 
2.3    Op 17 juni 2026 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder. Daarin wordt verweerder verweten gedragsregel 29 te hebben geschonden, door, ondanks herhaald rappel, niet (tijdig) te reageren op verzoeken van de deken over de Opgave Nieuw Kantoor, de vragenlijst en een bemiddelingsverzoek.
2.4    Op 24 juni 2026 heeft de deken een brief gestuurd aan verweerder naar aanleiding van de door hem ingevulde vragenlijst. Daarin heeft de deken verweerder diverse nadere vragen gesteld over zijn kantoororganisatie en hem verzocht om diverse nog ontbrekende stukken daarover samen met de Opgave Nieuw Kantoor binnen twee weken aan haar toe te sturen. 
2.5    Op 10 juli 2026 heeft de deken verweerder een rappel verstuurd.
2.6    Op 20 juli 2026 heeft verweerder in een e-mail aan de deken geschreven dat hij diverse stukken heeft doorgestuurd en verzocht om een ontvangstbevestiging. Diezelfde dag heeft de deken medegedeeld geen stukken te hebben ontvangen. Verweerder heeft hierop niet meer gereageerd. 
2.7    Per e-mail van 24 juli 2026, verzonden om 13.49 uur, heeft de deken aangekondigd op 27 juli 2026 een kantoorbezoek te zullen verrichten, omdat er meerdere klachten over verweerder zijn ingediend en omdat verweerder niet reageert op verzoeken van de deken. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
2.8    Op 27 juli 2026 heeft de deken een bezoek gebracht aan het kantoor van verweerder. De receptionist van het kantoorgebouw waar verweerder kantoor houdt, heeft getracht verweerder daarover te informeren, maar kreeg noch per telefoon noch per e mail een reactie van verweerder. De deken heeft de kantoorkamer van verweerder daardoor niet kunnen betreden en is onverrichter zake teruggekeerd naar haar kantoor. Om 15.10 uur heeft de deken een e mailbericht ontvangen van een juridisch medewerker van verweerder dat verweerder niet in staat is om de deken te ontvangen of te woord te staan vanwege familieomstandigheden. Verweerder heeft daarop geen contact gezocht met de deken om een nieuwe afspraak te maken.
Bemiddelingsverzoek dossieroverdracht
2.9    Op 12 mei 2026 heeft een voormalig cliënt van verweerder een bemiddelingsverzoek gedaan aan de deken voor de overdracht van een dossier. De voormalig cliënt had al op 6 maart 2026 aan verweerder verzocht om zijn dossier over te dragen, maar heeft daarop geen reactie gekregen. Verweerder heeft, ook na rappel, niet gereageerd binnen de door de deken gestelde termijn.
2.10    De voormalig cliënt heeft nadien diverse malen contact gehad met verweerder, waarin verweerder toezeggingen heeft gedaan om het dossier door te sturen. Op 23 juli 2026 heeft de voormalig cliënt aan de deken medegedeeld dat verweerder nieuwe toezeggingen wederom niet is nagekomen.
2.11    Op 24, 26 en 29 juni en op 15 en 24 juli 2026 heeft de deken aan verweerder verzocht om het dossier alsnog over te dragen aan de voormalig cliënt. Verweerder heeft hierop niet gereageerd.
Tuchtklachten.
2.12    Sinds maart 2026 zijn er negen tuchtklachten tegen verweerder ingediend, waarin onder andere wordt geklaagd over zijn onbereikbaarheid. Daaronder bevindt zich ook een klacht tegen verweerder die ziet op het onjuist informeren van de klager(s) over het aanhangig zijn van een gerechtelijke procedure, die bij navraag bij de rechtbank niet aanhangig bleek te zijn. 
2.13    Tot de negen genoemde tuchtklachten behoort een tuchtklacht die door de deken op 24 juli 2026 om 15.17 uur is doorgestuurd aan verweerder met het verzoek daarop te reageren. Dat heeft verweerder niet gedaan, maar om 15.38 uur ontving de deken wél een e-mail bericht van de klager waarin deze schreef dat verweerder hem naar aanleiding van de tegen hem ingediende klacht had gesmeekt om hem nog een kans te geven. De klacht is daarop weliswaar ingetrokken, maar de deken heeft ter zitting aangegeven het standpunt in te nemen dat de behandeling van de klacht om redenen van algemeen belang dient te worden voortgezet. 

3    VERZOEK
3.1    Volgens de deken heeft verweerder er geen blijk van gegeven zijn praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen. Daaraan legt de deken de structurele onbereikbaarheid en het stelselmatig niet nakomen van afspraken en verplichtingen ten grondslag. De deken acht het in het bijzonder onverantwoord dat (potentiële) cliënten worden blootgesteld aan de wijze waarop verweerder op dit moment praktijk voert. Ter zitting heeft zij toegelicht een schorsing op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet passend te vinden, in combinatie met het treffen van maatregelen in die zin dat verweerder wordt verplicht om een coachingstraject te doorlopen en dat er een waarnemer wordt benoemd.
3.2    Ook bestaat volgens de deken een ernstig vermoeden dat door het handelen dan wel nalaten van verweerder de door artikel 46 van de Advocatenwet beschermde belangen zijn geschaad dan wel dreigen te worden geschaad. Zij wijst er in dat verband op dat verweerder gedurende langere tijd nagenoeg onbereikbaar is voor zowel de Haagse Orde als voor cliënten. De deken doet daarom ook een verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet. 
3.3    Ter zitting heeft de deken er nog op gewezen dat zij op 5 augustus 2026 van de verhuurder van verweerders kantoorruimte heeft vernomen dat de huurovereenkomst inmiddels is opgezegd wegens een betalingsachterstand. Ook zou de verhuurder hebben verklaard dat er veel ontevreden en boze cliënten van verweerder zijn langsgekomen die uren op hem hebben moeten wachten en/of hun stukken niet ontvangen. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft ter zitting verweer gevoerd. Verweerder heeft erkend dat zijn communicatie ondermaats is geweest, zowel richting cliënten als de deken. Van zodanige urgentie dat een ordemaatregel moet worden getroffen is volgens hem echter geen sprake, terwijl een schorsing voor hem tot reputatieschade kan leiden. Verweerder heeft toegelicht sinds maart 2026 met vervelende persoonlijke omstandigheden te maken te hebben gehad, waaronder dat hij sinds maart 2026 plotseling de volledige zorg voor zijn minderjarige zoon had alsmede andere ingrijpende privéomstandigheden. Hij heeft inmiddels sinds medio juli 2026 een juridisch medewerker ingeschakeld die hem gemiddeld 3 à 4 dagen per week helpt met zijn kantoororganisatie, en onder andere de telefoon aanneemt en e-mails van cliënten kan beantwoorden over de stand van zaken. De diverse klachten die over hem zijn ingediend bij de deken liggen genuanceerder en zijn gedeeltelijk ook onjuist. Verweerder heeft benadrukt dat er geen fatale termijnen in de dossiers van zijn cliënten zijn verstreken. Anders dan hem in een van de klachten wordt verweten, heeft hij niet ten onrechte aan een cliënt verklaard dat er een procedure aanhangig zou zijn, maar betreft het nog een conceptdagvaarding die klaarligt om uitgebracht te worden. Van een opzegging van de huurovereenkomst is hem niets bekend. Er is juist op 4 augustus 2026 een regeling getroffen met de verhuurder om uiterlijk 6 augustus 2026 te betalen en dat zal hij ook na de zitting doen. Verweerder erkent dat de situatie hem de afgelopen periode boven het hoofd is gegroeid maar stelt alles sinds kort weer volledig onder controle te hebben en wil dat graag aan de deken laten zien. Ook heeft hij aangeboden om alle ontbrekende stukken uiterlijk de dag na de zitting aan de deken toe te zenden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij ongeveer 100 lopende zaken heeft, dat hij via AON een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft gesloten en dat hij nog geen overeenkomst met een waarnemer heeft gesloten, maar verwacht dat het geen probleem zal zijn om op korte termijn een waarnemer te vinden. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    In deze beslissing beoordeelt de raad zowel het artikel 60ab-verzoek als het artikel 60b-verzoek. De raad gebruikt daarbij de hierna te noemen toetsingskaders.
5.2    Voor het verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet:
Artikel 60ab Advocatenwet bepaalt dat de raad op verzoek van de deken een advocaat, jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang is geschaad of dreigt te worden geschaad, met onmiddellijke ingang kan schorsen in de uitoefening van de praktijk of een voorlopige voorziening met betrekking tot diens praktijkuitoefening kan treffen, indien enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang dit vergt.
5.3    Voor het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet:
Op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet kan de raad op verzoek van de deken de advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft zijn praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen, voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk schorsen dan wel een of meer voorzieningen met betrekking tot de praktijkuitoefening van de betrokken advocaat treffen die hij geboden acht. De raad kan tegelijkertijd met het opleggen van een schorsing een voorziening treffen. 
Beoordeling verzoek artikel 60b lid 1 Advocatenwet
5.4    De raad is van oordeel dat verweerder blijk heeft gegeven (tijdelijk) zijn praktijk niet behoorlijk te kunnen uitoefenen. De communicatie van verweerder schiet zodanig tekort dat de raad het niet verantwoord acht dat rechtszoekenden zich op dit moment nog tot verweerder kunnen wenden voor rechtsbijstand. Er zijn in korte tijd diverse klachten ingediend over verweerder door zijn cliënten omdat hij onbereikbaar voor hen is, dossierstukken niet afgeeft en hen in het ongewisse laat over de stand van zaken in procedures en andere kwesties die zij aan zijn zorg hebben toevertrouwd. Verweerder heeft ook erkend dat zijn communicatie beter moet. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat enkele cliënten kennelijk ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat hun zaak al was aangebracht bij de rechtbank, terwijl verweerder de conceptdagvaarding nog niet had verstuurd. Ook dat wijst er niet op dat verweerder zijn plicht om zijn cliënten over de procedurele gang van zaken voor te lichten en hen in hun zaken “mee te nemen” serieus neemt. Een en ander bevestigt het beeld dat de kantoororganisatie van verweerder dusdanig ondermaats is dat ingrijpen via een ordemaatregel noodzakelijk is. Hierbij komt dat verweerder, hoewel hij al sinds november 2025 solo zijn praktijk uitoefent, nog steeds niet heeft voorzien in een waarnemingsovereenkomst ter bescherming van zijn cliënten.
5.5    Dit beeld wordt versterkt doordat verweerder verzoeken van de deken maandenlang heeft genegeerd, terwijl hem gevraagd werd om essentiële informatie aan te leveren over onder meer het hebben van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering en een waarnemer. Nadat verweerder eindelijk op (een gedeelte van) die verzoeken had gereageerd, heeft hij nadere vragen daarover van de deken genegeerd. Hij heeft de deken weliswaar in een e-mail gevraagd of zijn stukken waren ontvangen, maar ter zitting kon hij desgevraagd geen antwoord geven op de vraag over welke stukken het ging en kon hij die stukken evenmin alsnog verzenden, hoewel verweerder zijn laptop bij zich had. Op de ommegaande reactie van de deken dat geen stukken waren binnengekomen heeft verweerder ook niet meer gereageerd. Zelfs de indiening van het onderhavige verzoek heeft verweerder er niet toe bewogen om die documenten alsnog aan de deken na te sturen. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat hij graag op de zitting nog stukken had willen indienen, maar dat hij daartoe niet de gelegenheid had omdat de zitting op korte termijn was gepland. De raad kan verweerder daarin niet volgen, omdat verweerder daartoe ruim een week de tijd heeft gehad vanaf het moment van indiening van het schorsingsverzoek en de deken bovendien al vanaf december 2025 tevergeefs doende is om verweerder ertoe te bewegen dat hij een Opgave Nieuw Kantoor doet en al vanaf 10 juli 2026 wacht op de beantwoording van nadere vragen voor het kantooronderzoek. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat hij aantoonbaar aan alle eisen voldoet, maar op de zitting had verweerder de door de deken bij herhaling opgevraagde documenten niet tot zijn beschikking. De raad heeft er dan ook geen vertrouwen in dat verweerder de ter zitting gedane toezegging om uiterlijk de dag na de zitting aan al zijn verplichtingen te voldoen, nu wel zal (kunnen) nakomen.
5.6    Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de vereiste urgentie ontbreekt, omdat hij inmiddels verbetering heeft laten zien sinds hij een juridisch medewerker heeft ingeschakeld die hem helpt met de kantoororganisatie. Die verbetering is de raad echter niet (voldoende) gebleken, aangezien veel van wat de deken aanvoert ter onderbouwing van haar verzoek heeft plaatsgevonden vanaf medio juli 2026, toen de juridisch medewerker al was ingeschakeld. Ook heeft verweerder toegelicht het onwenselijk te vinden als hij wordt geschorst, omdat hij ervoor vreest zijn vaste clientèle kwijt te raken en dat zijn banden met onder meer het Juridisch Loket daardoor kunnen verslechteren. De raad acht dit persoonlijke (commerciële) belang van verweerder echter niet opwegen tegen het belang van rechtszoekenden om zich bij hem van adequate rechtsbijstand verzekerd te weten.
5.7    De raad zal het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet dan ook toewijzen. Vanwege de zorgen over verweerders kantoororganisatie, acht de raad het noodzakelijk om verweerder met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd te schorsen in de praktijkuitoefening. Daarbij zal de raad, bij wijze van voorziening, aan verweerder de verplichting opleggen om een coachingstraject te doorlopen, zodat verweerder de nodige verbeteringen kan doorvoeren om in de toekomst weer adequaat te kunnen functioneren. Ook zal hij de door de deken gevraagde informatie moeten aanleveren, zijn advocatuurlijke verplichtingen moeten nakomen en het in het bemiddelingsverzoek van 12 mei 2026 genoemde dossier moeten overdragen aan zijn voormalig cliënt. Omdat verweerder momenteel geen waarnemer heeft geregeld, zal de raad het verzoek van de deken tot aanwijzing van een waarnemer ook toewijzen, zodat de belangen van verweerders cliënten kunnen worden veiliggesteld gedurende verweerders schorsing.
Beoordeling verzoek artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet
5.8    Omdat het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet met onmiddellijke ingang wordt toegewezen, bestaat geen noodzaak (meer) om het verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet toe te wijzen. De raad wijst dit verzoek dan ook af.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    wijst het verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet af;
- wijst het verzoek op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet toe en schorst verweerder voor onbepaalde tijd in de uitoefening van zijn praktijk;
- treft de voorziening op grond van artikel 60b lid 1 Advocatenwet dat verweerder een coachingstraject (op het gebied van kantoor-/financiële administratie, communicatie en overige wettelijke en gedragsrechtelijke verplichtingen die horen bij de uitoefening van het vak van advocaat) zal doorlopen, waarop de deken toezicht zal houden. Hierbij geldt het volgende:
* Verweerder zoekt in samenspraak met de deken een coach en meldt zich binnen uiterlijk vier weken na deze beslissing aan bij deze, door de deken goedgekeurde, coach;
* Verweerder legt, binnen een met de deken afgesproken termijn, een plan van aanpak van deze coach ter goedkeuring voor aan de deken. Uit dat plan van aanpak blijken in ieder geval de doelen waaraan verweerder gaat werken. Daarnaast stemt verweerder met de deken af op welke wijze en met welke frequentie hij het coachingstraject met de deken evalueert en verweerder houdt zich vervolgens aan de met de deken gemaakte afspraken;
* Verweerder doorloopt het coachingstraject volledig en legt aan het eind van het traject aan de deken een verklaring van de coach over waaruit het resultaat van het traject blijkt;
- treft de voorziening dat verweerder op grond van artikel 60b lid 1 Advocatenwet naar genoegdoening van de deken moet aantonen:
* te hebben voldaan aan alle verplichtingen die op een advocaat rusten uit hoofde van de Advocatenwet en lagere regelgeving, waaronder de dertien punten uit de brief van de deken van 24 juni 2026 en het aanleveren van de Opgave Nieuw Kantoor;
* het dossier zoals genoemd in het bemiddelingsverzoek van 12 mei 2026 te hebben overgedragen aan zijn (voormalige) cliënt;
- treft de voorziening op grond van artikel 60b lid 1 Advocatenwet dat een door de deken, eventueel in overleg met verweerder, aan te wijzen advocaat wordt aangewezen als waarnemer van verweerders praktijk, waarbij verweerder verplicht is om de waarnemer de toegang te verschaffen tot de ruimte waarin de praktijk wordt gevoerd en de dossiers worden bewaard en/of tot de (digitale) dossiers, teneinde in het belang van de cliënten van verweerder al die maatregelen te treffen waartoe verweerder als advocaat zelf bevoegd zou zijn. De aan te wijzen waarnemer mag – in overleg met de cliënten van verweerder – de dossiers onderbrengen bij andere advocaten en is gemachtigd om alle voorzieningen te treffen die hij of zij nodig acht, zo nodig in overleg met de deken. De kosten van de waarneming door de waarnemer worden ten laste van verweerder gebracht.


Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en D.G.M. van den Hoogen, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.