ECLI:NL:TADRSGR:2026:183 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-504/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:183 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-08-2026 |
| Datum publicatie: | 05-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-504/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 augustus 2026
in de zaak 25-504/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 1 oktober 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: mr. R. Sanders
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 5 april 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 29 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K090 2024 van
de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 1 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard.
1.4 Op 31 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 22 juni 2026. Daarbij
waren klager, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 De voorzitter heeft ten onrechte in overweging 4.2 geoordeeld dat het enkel
mr. Van D is geweest die de inhoud van het processtuk naar buiten heeft gebracht door
dit in te brengen in de procedure. Klager acht dit een formalistisch standpunt dat
de daadwerkelijke betrokkenheid van verweerder negeert. Volgens klager moet worden
aangesloten bij de bestuursrechtelijke maatstaf voor ‘betrokkenheid’, die op verweerder
van toepassing is , nu hij mr. Van D heeft geadviseerd.
2.3 Klager is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het klachtonderdeel
over de kosten die verweerder in rekening heeft gebracht bij zijn cliënte. De cliënte
van verweerder ontvangt een subsidie van de gemeente, die wordt betaald uit belastinggelden
waaraan klager als belastingbetaler direct bijdraagt.
2.4 De voorzitter heeft ten onrechte geoordeeld dat het niet relevant is welke
bestuursrechtelijke terminologie over een achterliggende bestuursrechtelijke procedure
correct is. Dat onderscheid is volgens klager van cruciaal belang in het bestuursrecht.
Verweerder heeft in zijn reactie op de tuchtklacht nagelaten de waarheid te spreken.
2.5 Tegen de vaststaande feiten komt klager in verzet niet op. Over de klachtomschrijving
heeft klager gesteld dat de voorzitter de klachtonderdelen niet had mogen samenvatten.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
Wat betreft de klachtomschrijving heeft klager niet gesteld dat deze onjuist is samengevat,
zodat de raad ook wat dit punt betreft verwijst naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A. Schaberg en H. Warendorp
Torringa, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 3 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 augustus 2026