ECLI:NL:TADRSGR:2026:180 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-473/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:180 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-07-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-473/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ne bis in idem-beginsel en de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde. Misbruik van recht-bepaling. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 29 juli 2026
in de zaak 26-473/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 5 juni 2026 met kenmerk K119 2026 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 11 juni 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 28 februari 2024 heeft klaagster bij de deken een eerste tuchtklacht ingediend
over verweerder. Klaagster heeft het griffierecht niet tijdig betaald, waardoor de
klacht niet is voorgelegd aan de raad.
1.2 Op 27 september 2024 heeft klaagster een tweede tuchtklacht ingediend (24-813/DH/DH).
Deze tuchtklacht is bij beslissing van 15 januari 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:5) kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van procesrecht, nu het een herhaling
van de eerste tuchtklacht was die klaagster niet heeft doorgezet. Het verzet van klaagster
tegen deze beslissing is op 21 juli 2025 (ECLI:NL:TADRSGR:2025:144) ongegrond verklaard.
1.3 Op 16 december 2025 heeft klaagster een derde tuchtklacht ingediend over
verweerder (26-125/DH/DH). Hierin is onder meer geklaagd in relatie tot een brief
die verweerder op 14 november 2025 namens de minister aan de Centrale Raad van Beroep
heeft gestuurd.
1.4 Op 10 maart 2026 heeft klaagster de onderhavige, vierde, tuchtklacht ingediend
over verweerder.
1.5 De derde tuchtklacht is bij beslissing van 22 april 2026 (ECLI:NL:TADRSGR:2026:97)
deels kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het een herhaling van de verwijten
uit de eerdere klacht(en) was. Eén klachtonderdeel is wel inhoudelijk beoordeeld omdat,
hoewel zij veel lijkt op de eerdere klacht, de reacties van verweerder van 29 oktober
en 14 november 2025 daarop niet concreet beoordeeld waren in die zaak. Het klachtonderdeel
is vervolgens kennelijk ongegrond verklaard wegens een gebrek aan onderbouwing. Klaagster
heeft verzet ingesteld tegen deze beslissing. Op het verzet is op het moment van deze
beslissing nog niet beslist.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende.
1) Schending doeltreffendheid en onrechtmatig handelen: door de bemoeienis van
verweerder met klaagsters medische gegevens, heeft verweerder zijn doel voorbijgestreefd.
Het ging hem enkel om de aansprakelijkheid van het dienstongeval in 2005 te voorkomen;
2) Onrechtmatig handelen, fraude, poging tot doodslag door een arts met wie tot
4 april 2022 een behandelrelatie was met betrekking tot letsel wat mogelijk voortkwam
uit het dienstongeval, aan te zetten tot manipulatie van de medische gegevens;
3) Schending doelmatigheid: verweerder heeft klaagsters gerechtvaardigde belangen
(zoals blijkt in en uit Besluit 24-813/DH/DH) uit het oog verloren.
a. Gerechtvaardigde belangen van grondrecht op goede en veilig zorg;
b. Om zijn bemoeienis met de medische gegevens te rechtvaardigen in juridische
procedures maakt verweerder gebruik van machtsmisbruik om alle procedures te manipuleren
tot een besluit passend bij immuniteit voor hem, zijn cliënt en alle partijen die
hij aangezet heeft tot (toedekken van) onrechtmatige bemoeienis met klaagsters medische
gegevens;
c. Daarmee enkel handelend uit eigen belang en klaagsters rechtspositie op goede
en veilige zorg te verzwakken
d. En klaagsters rechtspositie op herstel van medische gegevens dusdanig verzwakt
werd dat, ondanks het gebeuren op 2 juli 2025, klaagsters medische gegevens nog steeds
niet herstel zijn = onrechtmatig handelen, fraude, poging tot doodslag.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 In het tuchtrecht geldt het ne bis in idem-beginsel. Dit beginsel houdt in
dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover
de tuchtrechter al heeft geoordeeld. Daarnaast verzet het beginsel zich ertegen dat
een advocaat, nadat is geoordeeld over een klacht die een bepaald feitencomplex betreft,
wordt geconfronteerd met een andere klacht van dezelfde klager die zijn grondslag
vindt in datzelfde feitencomplex. Het voormelde beginsel brengt dan ook mee dat een
klager, die zich naar aanleiding van een bepaald feitencomplex over een advocaat wenst
te beklagen, zijn klachten in één keer kenbaar dient te maken. Een advocaat moet er
na de (onherroepelijke) beslissing van de tuchtrechter immers op kunnen vertrouwen
dat de klacht definitief afgewikkeld is. Dit kan slechts anders zijn in uitzonderlijke
omstandigheden waarbij klager feiten of omstandigheden aan de herhaalde klacht ten
grondslag legt die hem bij de formulering van de eerdere klacht niet bekend waren
en hem evenmin bekend konden zijn.
4.2 Naar het oordeel van de voorzitter is over de onderhavige klacht al eerder
geklaagd en door de tuchtrechter in verschillende uitspraken geoordeeld (24-813/DH/DH
en 26 125/DH/DH). Deze klachten zien in de kern opnieuw op dezelfde feiten als de
eerder door klaagster tegen verweerder ingediende klachten en zien ook op hetzelfde
feitencomplex.
4.3 Klaagster stelt dat geen sprake kan zijn van ne bis in idem omdat in een
brief die verweerder namens de minister op 14 november 2025 bij de Centrale Raad van
Beroep heeft ingediend staat dat zaken die klaagster aan de orde wil stellen niet
behoren tot het geschil met de minister en dat het een geschil met verweerder betreft.
Dit terwijl de eerste drie tuchtklachten allemaal betrekking hadden op een geschil
met de minister. De voorzitter begrijpt dat klaagster hiermee doelt op de afsluitende
alinea van voornoemde brief die als volgt luidt:
“Uit de door verzoekster toegestuurde stukken blijkt dat zij de zitting van 4 december
a.s. (ook) zaken aan de orde wil stellen, die naar het oordeel van de minister buiten
de omvang van het geding vallen. De minister geeft hierdoor reeds op voorhand aan
dat hij zich bij deze zitting zal laten vertegenwoordigen, maar dat enkel verweer
zal worden gevoerd in reactie op het herzieningsverzoek van verzoekster en de daarin
door haar genoemde onderdelen.”
4.4 De voorzitter stelt voorop dat de brief waar klaagster op doelt ook deel
uitmaakt van het klachtdossier met nummer 26-125/DH/DH en daarmee geen nieuwe informatie
bevat. Daarbij geldt dat de eerdere drie tuchtklachten niet gingen over een conflict
met de minister, maar dat het – net als nu – klachten gericht tegen verweerder waren,
die samenhingen met verweerders bijstand aan de minister. Hoewel strikt genomen nog
geen sprake is van een schending van het ne bis in idem-beginsel, zoals neergelegd
in artikel 47b lid 1 van de Advocatenwet, omdat er nog niet onherroepelijk is beslist
in de zaak 26-125/DH/DH – de verzetsprocedure loopt immers nog – is de voorzitter
van oordeel dat het indienen van onderhavige klacht in strijd is met de beginselen
van een behoorlijke tuchtprocesorde (vgl. HvD 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111).
4.5 Ook voor het overige heeft klaagster geen nieuwe feiten of omstandigheden
naar voren gebracht die zouden maken dat de klacht wederom inhoudelijk zou moeten
worden beoordeeld. Gelet op het voorgaande staan het ne bis in idem-beginsel en de
beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde eraan in de weg dat opnieuw door de
tuchtrechter wordt geoordeeld over dezelfde onderwerpen en hetzelfde feitencomplex.
Klaagster wordt daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Klaagster
dient er bovendien rekening mee te houden dat nieuwe tuchtklachten over verweerder
niet meer in behandeling zullen worden genomen door de deken en/of de raad wegens
misbruik van recht.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.
M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 29 juli 2026