ECLI:NL:TADRSGR:2026:176 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-010/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:176 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-010/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verwijt is dat verweerder aanwezig was terwijl zijn cliënt een vrachtwagen onttrok aan het retentierecht van klager. Het is in een dergelijke situatie aan de advocaat om, gelet op de kernwaarde onafhankelijkheid, voldoende afstand te bewaren en zich niet te laten meeslepen in de escalatie van het geschil. Het vergezellen van de cliënt ter plaatse om de situatie op te nemen, is op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat wordt anders op het moment dat verweerder zijn cliënt informeert dat de politie niet zal ingrijpen zijn cliënt daarmee in feite een vrijbrief geeft om de vrachtwagen mee te nemen. Verweerder had zijn cliënt erop moeten wijzen dat sprake was van een door klager gesteld retentierecht. Hij had in een situatie als deze zijn cliënt moeten weerhouden van het plegen van eigenrichting of afstand moeten nemen van het gedrag van de cliënt. Klacht gegrond. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 juli 2026
in de zaak 26-010/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager 1
en
klager 2
gemachtigde: mr. […] (klager 1)
over
verweerder
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 mei 2025 heeft klager 1 bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 8 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/119
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 juni 2026. Daarbij
waren klager 1 en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 18. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mail (met bijlagen) van de gemachtigde van verweerder van 20 mei 2026 en
de e-mail (met bijlagen) van klager 1 van 23 mei 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager 2 is verwikkeld (geweest) in een geschil met zijn werkgever. Hij heeft
(de sleutels van) de aan de werkgever toebehorende vrachtwagen onder zich gehouden
en zich beroepen op zijn retentierecht in verband met een loonvordering.
2.3 Klager 1 is advocaat en staat klager 2 bij.
2.4 Op 12 februari 2025 heeft verweerder zich tot klager 1 gewend, zich bekend
gemaakt als advocaat van de werkgever en om overleg gevraagd over de situatie.
2.5 Klager 1 heeft diezelfde dag gereageerd. In reactie daarop heeft verweerder
geschreven dat de vordering van klager 2 totaal niet onderbouwd is en in geen enkele
verhouding staat tot de schade die veroorzaakt wordt door het ten onrechte uitgeoefend
retentierecht. Ook heeft verweerder geschreven dat klager 2 in ieder geval gestopt
is met het uitoefenen van enig retentierecht door de vrachtwagen onbeheerd achter
te laten. Verweerder heeft verzocht de sleutels van de vrachtwagen aan zijn cliënt
af te geven. Als dat niet gebeurt, heeft verweerder de instructie om teruggave van
de sleutels in kort geding te vorderen. Verweerder heeft de verhinderdata van klager
1 opgevraagd.
2.6 Op 13 februari 2025 heeft klager 1 gesteld dat zijn cliënt terecht een retentierecht
heeft ingeroepen en dat niet valt in te zien dat hij dat recht niet (meer) uitoefent:
zijn cliënt heeft de vrachtwagen op een parkeerplaats gezet, heeft de sleutels en
maakt middels A4-papieren op de auto zijn recht kenbaar. Klager 1 heeft zijn verhinderdata
vermeld.
2.7 Op 14 februari 2025 heeft verweerder per e-mail gemotiveerd aan klager 1
laten weten dat geen sprake is van een retentierecht.
2.8 Op 20 februari 2025 is de werkgever (c.q. medewerkers van de werkgever) met
verweerder naar de truckstop gegaan waar de vrachtwagen geparkeerd stond. Medewerkers
van de werkgever hebben de vrachtwagen opengebroken en de vrachtwagen meegenomen.
2.9 Op 20 februari 2025 heeft klager 1 aan verweerder onder meer geschreven:
“Vandaag spraken wij elkaar telefonisch, nadat u eerder ruim een uur geweigerd heeft
mij te woord te staan. U cq uw cliënte was op dat moment doende om middels ondermeer
een hamer en schroevendraaier de truck waarop door mijn cliënt een retentierecht is
uitgeoefend (hetgeen ondermeer middels a4-tjes kenbaar was, maar ook duidelijk was,
gezien onderstaande mail) open te breken en de diefstal bescherming onklaar te maken
en de truck te starten.”
2.10 Op 21 februari 2025 heeft verweerder gereageerd en onder meer geschreven:
“Ik heb daarna contact opgenomen met de politie en de situatie besproken. De politie
heeft daarop (terecht) haar eerdere standpunt herzien en besloten dat zij cliënte
niet langer in haar eigendomsrecht zou beperken. Hierna heeft cliënte besloten om
haar vrachtwagen mee te nemen.”
2.11 Vanaf 1 mei 2025 is verweerder geen advocaat meer.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerder het volgende:
Op 20 februari 2025 heeft verweerders cliënt de vrachtwagen onttrokken aan het retentierecht.
Verweerder was hierbij aanwezig en heeft zijn cliënt niet behoed tegen het begaan
van het misdrijf. Verweerder was aanwezig bij een handeling die onmiskenbaar kan worden
aangemerkt als het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 348 lid 1 Wetboek
van Strafrecht.
3.2 Klagers hebben toegelicht dat verweerder de illegale onttrekking heeft aangemoedigd.
Zijn aanwezigheid zorgde voor ‘legitimiteit’: als er een advocaat bij is, zal het
wel conform de regels zijn. Verweerder heeft (zo blijkt uit camerabeelden) opgemerkt
dat ‘de politie het niet ging stoppen’. Dit maakt de handeling nog niet legaal. Verweerder
had zijn cliënte moeten waarschuwen en moeten behoeden voor het plegen van het misdrijf.
Klagers stellen dat sprake is van eigenrichting en daarmee gedrag dat een advocaat
niet betaamt.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat de klacht
berust op aannames over zijn advisering aan zijn (voormalig) cliënt, miskent dat de
feitelijke handelingen van een cliënt niet aan een advocaat toe te rekenen zijn en
berust op de onjuiste stelling dat sprake was van een retentierecht. Dat was namelijk
niet het geval. Verweerder heeft zijn cliënt ingelicht over de mededeling die hij
van de politie had ontvangen, te weten dat de politie niet langer bezwaar had tegen
het verplaatsen van de vrachtwagen. De reden voor verweerders bijstand op locatie
was gelegen in het feit dat zijn cliënt de eerste keer dat zij ter plaatse was veel
hinder ondervonden heeft van het feit dat de namens haar aanwezige medewerker de Nederlandse
taal niet machtig is.
4.2 Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat geen sprake was van een vooropgezet
plan. Zijn cliënt was in Nederland en wilde afspreken. Er is eerst een bespreking
geweest, waarbij ook twee andere Litouwse bedrijven en hun advocaten aanwezig waren.
Vervolgens zijn zij gezamenlijk naar de truckstop gegaan om de situatie te bekijken.
Toen verweerder daar was, belde de politie en gaf aan dat ze niet zouden ingrijpen.
Verweerder heeft zijn cliënt daarover geïnformeerd. Verweerder kon klager 1 op dat
moment niet te woord staan, omdat er nogal veel gebeurde. Hij heeft later die dag
met klager 1 gesproken.
4.3 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid klagers
5.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het
algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om
te klagen.
5.2 Niet ter discussie staat dat klager 2 direct in zijn belang is getroffen
door het handelen waarover wordt geklaagd. De raad is van oordeel ook klager 1 in
zijn belang getroffen is, omdat hij op grond van de gevoerde correspondentie mocht
verwachten dat de rechter over het retentierecht zou beslissen en hij zijn bijstand
op deze verwachting heeft afgestemd. Ook gelet op de welwillendheid tussen advocaten
onderling (gedragsregel 24) ziet de raad een eigen belang voor klager 1. Beide klagers
zijn dan ook ontvankelijk in de klacht.
Toetsingskader
5.3 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Advocaten
hoeven in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen
bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
5.4 Duidelijk is dat tussen partijen discussie bestond over de vraag of sprake
was van een retentierecht op de vrachtwagen. Het is niet aan de raad, maar aan de
civiele rechter om daarover een oordeel te geven. De raad zal ook geen oordeel geven
over de vraag of sprake is van het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel
348 Wetboek van Strafrecht. Dat oordeel is voorbehouden aan de strafrechter. De raad
zal alleen een oordeel geven over de vraag of verweerder op 20 februari 2026 tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld.
5.5 De raad stelt vast dat verweerder met (werknemers van) zijn cliënt naar de
truckstop is gegaan, na een bespreking met zijn cliënt elders. Kennelijk was geen
sprake van een vooropgezet plan om de vrachtwagen mee te nemen, maar is dit ingegeven
door het contact dat verweerder op dat moment met de politie heeft gehad. In dat contact
gaf de politie aan dat niet zou worden ingegrepen. Verweerder heeft zijn cliënt hierover
geïnformeerd, waarna (medewerkers van) de cliënt met een hamer en/of schroevendraaier
de vrachtwagen hebben opengemaakt en meegenomen.
5.6 De raad stelt voorop dat het in een dergelijke situatie aan de advocaat is
om, gelet op de kernwaarde onafhankelijkheid, voldoende afstand te bewaren en zich
niet te laten meeslepen in de (verdere) escalatie van het geschil. Het vergezellen
van de cliënt ter plaatse om de situatie op te nemen, is op zichzelf niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar. Dat wordt anders op het moment dat verweerder zijn cliënt informeert
dat de politie niet zal ingrijpen en zijn cliënt daarmee in feite een vrijbrief geeft
om de vrachtwagen mee te nemen, ondanks het (door klager 2 gestelde) retentierecht.
Verweerder had zijn cliënt erop moeten wijzen dat sprake was van een door klager 2
gesteld retentierecht en dat er juridische mogelijkheden gevolgd dienen te worden
door het retentierecht aan de rechter voor te leggen of om afgifte van de (sleutels
van de) vrachtwagen af te dwingen. Verweerder had eerder ook een kort geding aangekondigd
en verhinderdata opgevraagd. Klager 1 mocht er daarom vanuit gaan dat de juridische
weg gevolgd zou worden. Verweerder had in een situatie als deze zijn cliënt moeten
weerhouden van het plegen van eigenrichting of afstand moeten nemen van het gedrag
van de cliënt. Verweerder heeft dat niet gedaan, maar is ter plaatse gebleven en heeft
klager 1 (als advocaat van klager 2) niet te woord willen staan. Daarmee heeft hij
het gedrag van zijn cliënt ondersteund en blijk gegeven onvoldoende afstand te hebben
bewaard ten opzichte van de cliënte. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde
onafhankelijkheid. De klacht is in dat opzicht gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft onvoldoende afstand bewaard tot zijn cliënt door op een
truckstop zijn cliënt te informeren dat de politie niet zal ingrijpen als de cliënt
de truck (waarop klager 2 stelde een retentierecht te hebben) openbreekt en meeneemt.
Verweerder heeft zijn cliënt daarmee in feite een vrijbrief gegeven om de vrachtwagen
mee te nemen, ondanks het gestelde retentierecht. Verweerder had in een situatie als
deze zijn cliënt op de juridische mogelijkheden tot afgifte van de vrachtwagen moeten
wijzen en zijn cliënt moeten weerhouden van het plegen van eigenrichting, of daarvan
afstand moeten nemen. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid.
6.2 Dat verweerder op dit moment geen advocaat is, vormt voor de raad geen reden
om af te zien van het opleggen van een maatregel. Omdat sprake is van schending van
een kernwaarde, legt de raad de maatregel van berisping op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden
binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven
binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen
twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder
door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klagers;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klagers,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in 7.4.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek, D.M. de Knijff,
M. van Eck en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 juli 2026