ECLI:NL:TADRSGR:2026:175 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-863/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:175 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-863/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in de echtscheidingsprocedure. Kern van de verwijten is dat verweerster klaagster niet goed heeft bijgestaan en onder druk heeft gezet bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Hoewel voorstelbaar is dat klaagster druk heeft gevoeld om een keuze te maken, blijkt niet dat verweerster klaagster onder druk heeft gezet. Verweerster heeft klaagster juist duidelijk geadviseerd en haar de opties voorgelegd, waarbij zij klaagster erop heeft gewezen dat het klaagster is die de keuze moet maken. Niet gebleken van onvoldoende advisering of onvoldoende belangenbehartiging. Klacht in alle onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 juli 2026
in de zaak 25-863/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerster
gemachtigde: mr. R.W.S. Nijman
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 30 september 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 15 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K199 2024
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 juni 2026. Daarbij
waren klaagster en verweerster en haar gemachtigde aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 19 januari 2026 van klaagster ontvangen audiobestanden.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is gehuwd geweest. Klaagster en haar (ex-)man hebben twee kinderen,
waarvan één nog minderjarig. Verweerster heeft klaagster bijgestaan in de echtscheidingsprocedure.
2.3 Op 9 juli 2021 heeft verweerster bij de rechtbank een verzoekschrift voorlopige
voorzieningen ingediend, met het verzoek te bepalen dat de man aan klaagster voorlopig
een bijdrage in haar levensonderhoud van € 4.984,- per maand zou voldoen.
2.4 Op 12 juli 2021 heeft verweerster bij de rechtbank een verzoekschrift echtscheiding
met nevenvoorzieningen ingediend.
2.5 Op 16 augustus 2021 heeft de rechtbank het verzoek op zitting behandeld.
Klaagster en de man hebben ter zitting afspraken gemaakt, die in een vaststellingsovereenkomst
(VSO) zijn vastgelegd.
2.6 Op 20 september 2021 heeft een viergesprek plaatsgevonden om nadere afspraken
te maken over onder meer de wijze van verdeling.
2.7 Op 27 september 2021 heeft de advocaat van de man aan verweerster laten weten
dat de man akkoord is met toedeling van de auto aan klaagster voor een bedrag van
€ 15.500,-, met de vraag hoe klaagster dit geregeld wil hebben.
2.8 Klaagster en verweerster hebben vervolgens per e-mail gecorrespondeerd over
de overdracht en waarde van de auto. Klaagster heeft op 29 september 2021 aan verweerster
laten weten dat zij op een dagprijs van € 14.650,- komt.
2.9 Op 1 oktober 2021 heeft verweerster per e-mail aan de advocaat van de man
voorgesteld om de waarde van de auto te stellen op € 14.600,-.
2.10 Op 7 oktober 2021 heeft de advocaat van de man gereageerd en onder meer
geschreven dat de auto al op 30 september 2021 is overgeschreven op naam van klaagster,
dat daarbij twee nieuwe banden aan klaagster zijn afgegeven en dat er – gezien de
e-mail van 29 september 2021 – van werd uitgegaan dat klaagster akkoord was met de
genoemde waarde van € 15.500,-. De advocaat van de man wijst voor wat betreft de waarde
van de auto op een waardebepaling van 21 september 2021 en op een nieuwe opgave waaruit
een waarde van € 15.100,- komt. De advocaat van de man heeft voorgesteld om de waarde
van € 15.100,- te hanteren.
2.11 Op 8 oktober 2021 heeft verweerster klaagster hierover geïnformeerd en daarbij
geschreven dat zij het bedrag van € 15.500,- meer dan begrijpelijk vindt. Verweerster
heeft klaagster gevraagd wat ze van het voorstel vindt.
2.12 Het dossier bevat een waardebepaling van de auto door een garage, gedateerd
op 20 oktober 2021. De auto is gewaardeerd op € 13.500,-.
2.13 Op 5 november 2021 heeft verweerster de advocaat van de man laten weten
dat klaagster akkoord kan gaan met € 15.500,- als waarde van de auto.
2.14 Op 10 december 2021 heeft een tweede viergesprek plaatsgevonden. Voor dit
viergesprek is de woning (en bedrijfspand) door makelaar G. getaxeerd op € 915.000,-.
2.15 Het dossier bevat een document (gedateerd op 20 januari 2022) met drie voorstellen
van klaagster voor de wijze van verdeling.
2.16 In februari 2022 is er per mail correspondentie tussen verweerster en de
advocaat van de man over (verder praten over) voorstel 3 en de waarderingswijze van
de onderneming. Op 8 februari 2022 heeft verweerster dit doorgestuurd aan klaagster
en daarbij onder meer geschreven:
“Het is juist dat als alles verkocht dient te worden, dat dan geen alimentatie kan
worden betaald. Ik denk dat het verstandig is, om alles gewoon eerst te waarderen
om dan te weten wat er is en hoe dit te verdelen. Overleg openhouden om informatie
te krijgen, lijkt mij voor nu dan ook raadzaam.”
2.17 In mei 2022 is er per mail gecorrespondeerd over de overdracht van de woning
c.q. de erfafscheiding. Op 18 mei 2022 heeft verweerster aan klaagster onder meer
geschreven dat voor de wederpartij de maat vol is en er een procedure wordt gestart.
Verweerster heeft klaagster geadviseerd het voorstel van de wederpartij te accepteren.
Verweerster heeft verder benadrukt dat als klaagster het tot een procedure laat komen,
verkoop van de woning de enige optie lijkt.
2.18 Verweerster heeft op 31 mei 2022 aan klaagster gevraagd of ze akkoord is
met de overdracht van de woning zoals in de bijlage aangegeven. Verweerster schrijft
daarbij dat als klaagster hiermee niet akkoord is, de afspraken worden afgeblazen
en alles aan de rechter moet worden voorgelegd. Klaagster laat verweerster diezelfde
dag weten dat ze de rechter wil laten beslissen.
2.19 Bij brief van 14 oktober 2022 heeft verweerster de rechtbank geïnformeerd
over de tussen partijen gevoerde onderhandelingen die niet tot overeenstemming hebben
geleid. Verweerster schrijft in de brief dat voor klaagster het belangrijkste is dat
zij graag een eigen woning wil betrekken waar zij in rust kan wonen. In de brief is
een (geschatte) vermogensstaat opgenomen en zijn zelfstandige verzoeken gedaan.
2.20 Op 25 oktober 2022 is de zaak op zitting behandeld door de rechtbank. Op
22 november 2022 heeft de rechtbank een beschikking gewezen, waarin de echtscheiding
tussen klaagster en de man is uitgesproken. De rechtbank heeft verder:
- bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking een bedrag van
€ 278,- per maand aan alimentatie betaalt aan klaagster voor de minderjarige dochter;
- bepaald dat klaagster jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke
(bedrijfs)woning (exclusief bedrijfsruimte en schuren) voort te zetten tot zes maanden
na inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld (onder voorwaarde van
inschrijving van de beschikking), waaronder dat:
o de echtelijke (bedrijfs)woning wordt verkocht aan een derde en de overwaarde
bij helfte wordt gedeeld;
o de auto wordt toegedeeld aan klaagster en zij de helft van de waarde van de
auto (€ 15.500,-) aan de man dient te vergoeden;
o de boot en de roeiboot worden verkocht en de opbrengt bij helft wordt gedeeld;
o het eigendomsaandeel van klaagster in het appartement in Spanje ter waarde
van € 60.000,- wordt toegedeeld aan klaagster, waarbij zij de helft van de waarde
aan de man dient te vergoeden;
o in de eindafrekening rekening zal worden gehouden met een voorschot op de verdeling
dat klaagster heeft ontvangen van € 30.000,-.
De rechtbank heeft de beschikking (met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding)
uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft het verzoek om partneralimentatie
vast te stellen afgewezen, omdat de man geen draagkracht heeft om die te voldoen.
2.21 Op 25 november 2022 heeft verweerster de beschikking van de rechtbank aan
klaagster gestuurd. Zij schrijft daarbij dat klaagster nu de middelen in de hand heeft
om tot een scheiding te komen en dat nu drie makelaars moeten worden voorgesteld om
de woning te gaan verkopen, met de vraag aan klaagster wie zij voorstelt.
2.22 Op 29 november 2022 heeft verweerster een mail gestuurd aan de advocaat
van de wederpartij (met cc aan klaagster) met een voorstel voor drie makelaars. Verweerster
heeft verder geschreven dat verschillende zaken afgerekend en verkocht moeten worden
en dat klaagster daar graag afspraken over wil maken. Verweerster schrijft verder
dat klaagster het wat betreft het appartement in Spanje niet eens is met de rechtbank:
het appartement is 50% eigendom van de man en staat op zijn naam, zodat dit notarieel
afgewikkeld moet worden in Spanje. Verder is het appartement volgens klaagster niet
€ 120.000,- waard en is het voor klaagster onbegrijpelijk hoe de rechtbank dit heeft
geoordeeld. Klaagster wil het appartement in Spanje wel toebedeeld krijgen, maar niet
voor € 60.000,-. Klaagster wil hierover tot nadere afspraken komen. Verweerster heeft
verder voorgesteld de auto te verkopen en de opbrengst bij helfte te delen, omdat
klaagster meent dat de auto geen € 15.500,- waard is. Verweerster heeft voorgesteld
een viergesprek te plannen om de uitvoering van de beschikking nader met elkaar te
bespreken.
2.23 Op 8 december 2022 heeft verweerster aan klaagster laten weten dat de man
openstaat voor een viergesprek om afspraken te maken over de uitvoering van de verkoop
van alles en dat de man bereid is om af te wijken van de beschikking voor wat betreft
het appartement in Spanje. Verweerster schrijft dat alleen nog wordt gewacht op informatie
van de man over eventuele andere makelaars. Verweerster schrijft daarbij:
“Ik zou dit even afwachten en afhankelijk van dit antwoord keuze maken, doorgaan
via viergesprek of met een eigen andere advocaat in hoger beroep. Persoonlijk denk
ik dat je een viergesprek toch eerst zal moeten doen, omdat je dan bij een rechter
ook kan aantonen dat je hebt geprobeerd om de beschikking uit te voeren, maar dat
het is mislukt.”
2.24 Klaagster heeft diezelfde dag laten weten dat ze akkoord is en dat ze eerst
een viergesprek zal doen.
2.25 Op 15 december 2022 heeft de advocaat van de man aan verweerster laten weten
dat de man akkoord is met een viergesprek en dat hij daarin wil worden begeleid door
een financiële man, te weten PH.
2.26 Op 21 december 2022 heeft verweerster aan klaagster geschreven dat klaagster
heeft aangegeven graag in hoger beroep te willen gaan en dat verweerster heeft laten
weten dat zij geen hoger beroep zal indienen. Verweerster heeft daarbij onder meer
geschreven:
“Hoger beroep staat los van het viergesprek dat ik nog zal doen, want als het viergesprek
geen uitkomst geeft waar je tevreden mee bent, dan kan je alleen nog via hoger beroep
je recht halen. (…)
Een laatste viergesprek om afspraken te maken over de afwikkelwijze zal ik nog voor
je doen. Mocht dit gesprek geen positief resultaat opleveren, dan zal ik overgaan
tot sluiting van het dossier.”
2.27 Op 10 januari 2023 heeft verweerster mr. H gemaild met de vraag of hij het
hoger beroep voor klaagster zal instellen en om de overdracht van het dossier af te
stemmen.
2.28 Op 11 januari 2023 heeft verweerster een e-mail gestuurd aan PH om een afspraak
te maken voor een viergesprek. Klaagster heeft een cc van dit bericht ontvangen.
2.29 Op 11 januari 2023 heeft verweerster een e-mail aan de advocaat van de man
gestuurd over het formaliseren van de echtscheiding door middel van het tekenen van
een akte van berusting.
2.30 Op 11 januari 2023 heeft verweerster aan klaagster onder meer geschreven:
“Hopelijk lukt het met [de man] om nadere afspraken te maken. U zult er echter rekening
mee moeten houden dat als dit niet mocht lukken de beschikking van 22 december 2022
in stand blijft en u zonder hoger beroep verplicht ben eur 30.000,00 aan [de man]
te betalen voor het appartement in Spanje. Indien u dit wil voorkomen, zal u voor
22 februari 2023 dus hoger beroep moeten hebben ingesteld.”
2.31 Op 24 januari 2023 heeft een viergesprek plaatsgevonden. Daarbij waren klaagster,
verweerster, de man en PH aanwezig.
2.32 Op 25 januari 2023 heeft verweerster een e-mail aan PH (en cc aan klaagster
en de advocaat van de man) gestuurd naar aanleiding van het viergesprek. Verweerster
schrijft daarin dat klaagster erover denkt in hoger beroep te gaan, maar hoopt dat
dit niet nodig is als partijen met elkaar afspraken kunnen maken. Verweerster heeft
in de mail de behoeftes zoals in die het viergesprek naar voren zijn gekomen en de
gemaakte uitgangspunten en werkafspraken op een rijtje gezet. Verweerster heeft daarbij
vermeld dat er voor 1 februari 2023 duidelijk moet komen over een regeling om hoger
beroep te voorkomen.
2.33 Tijdens het viergesprek hebben klaagster en de man beide een makelaar gekozen
voor de taxatie van de (bedrijfs)woning. De door klaagster gekozen makelaar K heeft
op 27 januari 2023 een marktwaarde van € 825.000,- genoemd. De door de man gekozen
makelaar B heeft bij brief van 30 januari 2023 een richtprijs van € 975.000,- genoemd.
2.34 Op 27 januari 2023 heeft verweerster aan PH (en cc aan klaagster) geschreven
dat zij volgende week opnieuw met elkaar in gesprek gaan en dat verweerster, hoewel
nog niet alle gegevens bekend zijn en nog knopen doorgehakt moeten worden, al een
eerste opzet heeft gemaakt van de nog te maken afspraken. Verweerster schrijft daarbij
dat het voor klaagster van belang is dat zij zicht heeft op financiële zekerheid voor
de toekomst, zodat zij met een gerust hart kan gaan bieden op huizen.
2.35 Eind januari 2023 heeft de man aangegeven dat hij de woning zelf wil overnemen.
2.36 Op 3 februari 2023 heeft verweerster per e-mail aan klaagster en PH de ‘vermogensstaat
+ plaatje van inkomsten per maand’ gestuurd. In het bijgevoegde overzicht wordt voor
de waarde van de woning uitgegaan van € 825.000,-.
2.37 Op 5 februari 2023 heeft klaagster aan verweerster laten weten dat ze de
vermogensstaat heeft gecontroleerd, maar dat ze het er op bepaalde punten niet mee
eens is.
2.38 Op 6 februari 2023 heeft verweerster gereageerd en aan klaagster onder meer
geschreven dat vrijdag de laatste bijeenkomst met zijn vieren is en dat, als het niet
lukt om tot definitieve afspraken te komen, zij klaagster wil wijzen op het tijdig
indienden van hoger beroep. Verweerster heeft verder onder meer geschreven:
“Jij geeft aan het niet eens te zijn met de prijs van de woning, maar dit is wat
[makelaar K] heeft gezegd en waarvan iedereen tijdens de bespreking heeft gezegd [makelaar
K] het meest betrouwbaar te vinden. Uiteindelijk bepaalt de markt de prijs. Dit kan
hoger zijn dan eur 825.000,00, maar ook lager. Ik begrijp dat je meer wil, maar je
moet wel reëel blijven kijken naar de markt op dit moment. (…) [Makelaar B] kan je
kiezen, die heeft de prijs van [makelaar R] overgenomen. Die sprak ik vandaag (belde
mij na) en gaf aan dit bedrag te kunnen vragen. Ik weet niet of dat waar is, maar
ik heb er geen goed gevoel bij. Als jij dat wel hebt, dan moet je hem ook kiezen.
Als de prijs eur 975.000,00 wordt dan heb je natuurlijk meer, maar in de verdeelstaat
ga ik uit van een zo’n realistisch mogelijke prijs. Dit om jezelf niet rijk te rekenen.
Zoals je uit de vermogensstaat kan opmaken, is meer dan € 400.000,00 nodig om ook
lang nog te kunnen blijven leven. Een krediethypotheek en een stukje eigen vermogen
van biedt daar de oplossing voor, maar de vraag is of dat genoeg is. (…) Wil je lang
in een woning kunnen blijven die ook voor jou, […] dan is een goedkopere woning, bijvoorbeeld
een […] appartement met lift wellicht beter. Je zal dan m.i. meer (financiële) rust
gaan ervaren als je goedkoper gaat wonen of toch gaan huren. (…)
Uiteraard kan ik die beslissing niet voor je maken, maar ik wil dat je dit met de
kinderen bespreekt en daar over nadenkt. Indien je je daar van bewust bent en je wil
nu snel gaan kopen en gebruik wil maken van snelle financiering via P H], dan moet
je nu echt knopen doorhakken en niet meer uitstellen of dingen uit te zoeken. [PH]
is namelijk straks op weg en mijn werk houdt ook op.”
2.39 Op 8 februari 2023 heeft verweerster aan klaagster geschreven dat zo veel
mogelijk in overeenstemming met de beschikking is gehandeld en zelfs in klaagsters
voordeel (langer in de woning kunnen blijven wonen indien noodzakelijk en woning in
Spanje anders verdelen). Verweerster schrijft:
“Nu staan wij op een t-splitsing in het maken van keuzes. (…) De keuze is simpel:
1. Komen tot afspraken: maak een keuze van een makelaar: [K] of [B] en maken
de vaststellingsovereenkomst definitief. (…) Een opbrengst uit scheiding van +/- eur
400.000,00 is vooralsnog de ondergrens. Met dat geld zal jij het moeten gaan doen.
Of je dat leuk vindt of niet. [PH] kan je nog helpen om je vermogen te vergroten door
het regelen van krediethypotheek, waardoor je meer mogelijkheden hebt bij het verkrijgen
van een woning en dat ook eerder dan bij een normale verkoop. (…)
2. Komen niet tot afspraken. Alsdan houdt het op en zal je zelf de beschikking
uit moeten voeren naar eigen inzicht. Je zal dan op zoek moeten gaan naar een andere
advocaat die je in hoger beroep kan en wil bijstaan en wil helpen bij het afdwingen
van de uitvoering van de beschikking zoals jij die juist acht. (…)
Het maakt mij niet uit wat je kiest, maar je zal wel een keuze moeten maken. Mijns
inziens is het voor jou het beste om tot afspraken te komen. Lukt het vrijdag niet
om tot een definitief akkoord te komen, zie ik mij genoodzaakt terug te trekken.”
2.40 Op 8 februari 2023 heeft verweerster aan PH (en cc aan klaagster) onder
meer geschreven dat klaagster makelaar B de opdracht wil geven de woning te verkopen
en dat klaagster vrijdag tot definitieve afspraken wil komen. Verweerster heeft daarbij
geschreven:
“Cliënte heeft behoefte aan begeleiding bij financiering/regeling van een woning.
U had aangeboden cliënte hierbij te willen en kunnen helpen, daar u een netwerk heeft.
Zou u cliënte a.s. vrijdag duidelijk kunnen maken onder welke voorwaarden u uw diensten
kan aanbieden?”
In de e-mail verwijst verweerster naar “het concept waarin het een en ander is overgenomen
als eerste aanzet”. Verweerster heeft haar bericht afgesloten met de vermelden dat
zij ervanuit gaat dat partijen vrijdag tot het tekenen van de overeenkomst over kunnen
gaan, alsmede tot het tekenen van de verkoopopdracht.
2.41 Op 10 februari 2023 hebben klaagster en de man een VSO gesloten. Diezelfde
dag heeft verweerster de VSO aan PH en klaagster gestuurd. In de VSO is onder meer
opgenomen dat klaagster en de man geen hoger beroep zullen instellen, dat de woning
aan de man wordt toebedeeld voor een bedrag van € 825.000,-, dat klaagster de auto
behoudt voor een bedrag van € 15.500,- en aan de man € 7.750,- vergoedt. Verder is
opgenomen dat partijen, in afwijking van het dictum van de rechtbank, overeenkomen
dat 50% eigendom van het appartement door de man zal worden verkocht en dat de netto
opbrengst bij helfte zal worden gedeeld. De totale overbedeling is vastgesteld op
een bedrag van € 427.297,03 en de man zal dit voor 1 mei 2023 via de notaris voldoen.
2.42 Op 15 februari 2023 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand.
2.43 Op 28 februari 2023 heeft verweerster een afsluitende brief en factuur met
specificatie aan klaagster gestuurd.
2.44 In april 2023 hebben klaagster en de man de notariële akte van verdeling
bij de notaris getekend. Het door klaagster te ontvangen bedrag is niet naar haar
overgemaakt, maar is bij de notaris achtergehouden in verband met de aankoop van een
woning door klaagster. De overdracht van de nieuwe woning aan klaagster heeft kort
daarna in april 2023 plaatsgevonden.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster het volgende:
1) Verweerster heeft klaagster onvoldoende geadviseerd.
2) Verweerster heeft klaagsters belangen onvoldoende behartigd.
3) Verweerster was niet partijdig: zij koos vaker voor het voordeel van de tegenpartij.
4) Verweerster voerde opdrachten uit na overleg met adviseurs van de tegenpartij.
5) Verweerster gaf geen gedegen uitleg bij lastige formuleringen.
6) Verweerster dwong klaagster meermaals akkoord te gaan tegen klaagsters zin.
7) Verweerster schonk klaagster geen vertrouwen meer tijdens overleggesprekken.
8) Verweerster liet niet toe dat klaagster een andere advocaat koos toen het
vertrouwen er niet meer was.
9) ‘Ongewenste vermelding van bedragen, waaronder verschillende keren veranderingen
zonder toe te lichten waarom dat nodig was, terwijl duidelijk was dat met een bepaalde
ongewenste bedoeling werd gedaan.’
3.2 Klaagster heeft toegelicht dat de kern van haar klacht is dat verweerster
haar bij de totstandkoming van de VSO van 10 februari 2023 niet onafhankelijk, niet
zorgvuldig en niet beschermend heeft bijgestaan. Het gaat klaagster om de manier waarop
verweerster haar heeft begeleid bij de totstandkoming van de VSO. Klaagster noemt
concreet dat er voorafgaand aan de ondertekening geen afzonderlijk overleg heeft plaatsgevonden
tussen klaagster en verweerster. Ook kreeg klaagster geen bescherming van verweerster
toen zij aangaf dat zij niet wilde tekenen. De adviseur van de man (PH) nam feitelijk
de leiding in het gesprek, terwijl verweerster zich daarbij aansloot zonder klaagsters
positie zelfstandig te bewaken. Klaagster bevond zich daardoor op dat beslissende
moment in een ongelijke en kwetsbare positie. Toen klaagster aangaf dat zij niet wilde
tekenen, werd de druk opgevoerd en klaagster heeft uiteindelijk onder druk de VSO
getekend.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerster heeft het
verloop van het echtscheidingsproces toegelicht. Verweerster stelt dat klaagster uitdrukkelijk,
weloverwogen en zonder enige druk van verweersters kant heeft ingestemd met het sluiten
van de VSO. Verweerster heeft klaagster gewezen op de nadelen van het niet ondertekenen
van bepaalde afspraken en haar geïnformeerd over de mogelijke consequenties van het
niet accepteren van voorstellen. Ook heeft verweerster klaagster gewezen op de haalbaarheid
van haar wensen, waarvan er meerdere niet realistisch waren. Ter zitting heeft verweerster
verder toegelicht dat er twee keuzes waren die klaagster allebei ongelukkig vond.
Verweerster heeft dat meermalen aan klaagster uitgelegd. Klaagsters wens voor een
hogere prijs voor de woning was duidelijk en verweerster heeft die wens ook voorgelegd,
maar de ruimte was er niet. Uiteindelijk is er een package-deal tot stand gekomen.
Het alternatief was opnieuw beginnen, maar dat is ook een risico.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Beoordeling klachten
5.2 De klachten zien er in de kern (met name) op dat verweerster klaagster in
de aanloop naar de VSO van 10 februari 2023 niet goed heeft bijgestaan en dat klaagster
onder druk is gezet om de VSO te tekenen.
5.3 De raad overweegt dat de rechtbank op 22 november 2022 een beschikking heeft
gewezen, waar klaagster het op onderdelen niet mee eens was. Ook moesten partijen
naar aanleiding van de beschikking in overleg over onder meer de verkoop van de (bedrijfs)woning.
De beschikking kon namelijk niet worden uitgevoerd zonder nadere afspraken tussen
partijen. Uit de in het klachtdossier aanwezige e-mailcorrespondentie volgt dat verweerster
heeft uitgelegd dat klaagster het beste eerst een viergesprek kan doen (zie e-mail
8 december 2022). Klaagster heeft toen ook laten weten dat ze openstond voor een viergesprek.
Klaagster heeft vervolgens ook aangegeven in hoger beroep te willen gaan. Verweerster
heeft klaagster toen uitgelegd dat het hoger beroep los staat van het viergesprek
en dat als het viergesprek geen oplossing geeft, klaagster via hoger beroep haar recht
kan halen (zie e-mail van 21 december 2022). Verweerster is steeds duidelijk geweest
dat zij nog wel een viergesprek voor klaagster wilde voeren, maar dat zij het hoger
beroep niet zou doen.
5.4 Partijen zijn in januari en februari 2023 in overleg gegaan, zowel per e-mail
als tijdens het viergesprek op 24 januari 2023. Daarbij was met name de waarde van
de woning een punt van discussie c.q. onderhandeling, mede omdat de waarde (c.q. richtprijs)
door de ene makelaar was begroot op € 825.000,- en door de ander op € 975.000,-. Klaagster
wilde vanzelfsprekend een zo hoog mogelijke waarde. De man wilde de woning zelf overnemen
en kon of wilde blijkbaar niet meer betalen dan € 825.000,-. Het was aan klaagster
om op dat moment de keuze te maken of zij daarmee akkoord wilde gaan of niet. Verweerster
heeft klaagster in ieder geval op 6 en 8 februari 2023 per e-mail duidelijk voorgehouden
wat de opties waren en dat het aan klaagster was om te kiezen. Klaagster wist dan
ook wat haar opties waren en heeft ervoor gekozen om de VSO te ondertekenen, waardoor
de woning naar de man ging voor een prijs die klaagster te laag vond, maar waardoor
zij wel direct de financiële mogelijkheid had om zelf een woning te kopen. Hoewel
voorstelbaar is dat klaagster druk heeft gevoeld om akkoord te gaan met de VSO en/of
een keuze te maken, blijkt niet dat verweerster klaagster onder druk heeft gezet.
Verweerster heeft klaagster juist duidelijk geadviseerd en haar de opties voorgelegd,
waarbij zij klaagster erop heeft gewezen dat het klaagster is die de keuze moet maken.
5.5 De raad is dan ook niet gebleken dat verweerster klaagster onvoldoende heeft
geadviseerd, dat zij geen goede uitleg heeft gegeven of dat zij klaagsters belangen
onvoldoende heeft behartigd. Ook is de raad niet gebleken dat verweerster klaagster
heeft gedwongen om akkoord te gaan tegen haar zin. De raad kan niet beoordelen of
verweerster klaagster wel of geen vertrouwen schonk tijdens overleggesprekken. Verweerster
heeft in de onderhandelingen vanzelfsprekend steeds contact gehad met de adviseur
van de man. Het is de raad niet gebleken dat verweerster daarbij klachtwaardig heeft
gehandeld.
5.6 De raad is dan ook van oordeel dat verweerster in de onderhandelingen naar
aanleiding van de beschikking, die hebben geleid tot de VSO van 10 februari 2023,
klaagsters belangen voldoende heeft behartigd en haar voldoende heeft geadviseerd.
Van onder druk zetten is niet gebleken. De klachten zijn in zoverre ongegrond.
5.7 Voor zover de klachten ook zien op verweersters bijstand in aanloop naar
de beschikking van 22 november 2022, is de raad evenmin van oordeel dat verweerster
klachtwaardig heeft gehandeld. Ook in de 2021 en 2022 heeft verweerster overleg gehad
met de wederpartij, onder meer over de waarde van de auto. De raad kan niet vaststellen
dat klaagster het toen niet eens was met de voorstellen die verweerster namens haar
gedaan heeft. Daarvan blijkt niet in de correspondentie tussen klaagster en verweerster.
Verweerster heeft gesteld dat klaagster uiteindelijk telefonisch heeft ingestemd met
de waarde van de auto. Die waarde is later ook overgenomen in de VSO. De raad is van
oordeel dat niet gebleken is van onvoldoende advisering of onvoldoende belangenbehartiging
door verweerster in 2021/2022.
5.8 Klaagster verwijt verweerster verder dat zij niet toeliet dat klaagster een
andere advocaat koos. Klaagster lijkt te stellen dat advocaten haar, nadat verweerster
contact met hen had gehad, niet meer wilden bijstaan. De raad kan klaagster niet volgen
in dit verwijt. Waarom advocaten klaagster niet wilden bijstaan, kan de raad niet
vaststellen. Niet blijkt dat dat door toedoen van verweerster is geweest. Van klachtwaardig
handelen door verweerster op dit punt is niet gebleken. Dit verwijt is daarom ongegrond.
5.9 De strekking van klaagsters laatste klachtonderdeel (onder 9) is de raad
niet duidelijk. Klaagster verwijst in haar nagekomen brief naar diverse bewijzen,
maar ook daarmee blijft onduidelijk wat klaagster verweerster hier precies verwijt.
Deze klacht is daarom ongegrond.
5.10 De raad heeft de indruk dat klaagster achteraf bezien niet tevreden is met
de uitkomst van het geschil. Mogelijk was klaagster ook in de aanloop naar de VSO
al niet gelukkig met de opties die er lagen, zoals verweerster heeft toegelicht. Dat
kan, maar dat betekent niet dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld. De klacht
is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek, D.M. de Knijff, M. van Eck en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 juli 2026