ECLI:NL:TADRSGR:2026:173 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-734/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:173 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-734/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat bij de teruggeleiding van het (minderjarige) kind naar Nederland. Kernverwijt is dat verweerder geen teruggeleidingsprocedure is gestart. Klager en verweerder waren nog in gesprek over de te voeren strategie en de vraag welke procedure zou worden gestart. Niet onbegrijpelijk dat toen nog geen opdrachtbevestiging is gestuurd. De keuze van verweerder om de teruggeleiding te willen bewerkstelligen via een echtscheidingsprocedure met voorlopige voorzieningen is een reële en te verdedigen strategie. De opdracht om een teruggeleidingsprocedure te starten heeft verweerder nooit aangenomen Klacht daarom ongegrond. Geen sprake van (grove) foute in de procedure over vervangende toestemming paspoort. Van een strafrechtelijke procedure was (bij aanvang) nog geen sprake en verweerder heeft de opdracht voor een strafrechtelijke procedure ook nooit aanvaard. Klacht over de toevoegingsaanvraag, de procedure bij de RvR en einde bijstand eveneens ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 juli 2026
in de zaak 25-734/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
gemachtigde: mr. B.D.W. Martens
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 6 juli 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 24 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K143 2023
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 juni 2026. Daarbij
waren klager en verweerder en zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen
van:
- de e-mail (met bijlage) van verweerder van 5 februari 2026;
- de e-mail (met bijlagen) van klager van 16 februari 2026;
- ‘akte houdende een wrakingsverzoek’ van verweerder van 18 februari 2026;
- de e-mail (met bijlagen) van klager van 27 mei 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is getrouwd (geweest). Hij en zijn vrouw (hierna: de vrouw) hebben
samen een minderjarig kind. In juli 2021 heeft de vrouw het kind (met toestemming
van klager) meegenomen naar Azerbeidzjan, waarbij de man toestemming heeft gegeven
voor het reizen en verblijven tot uiterlijk 31 december 2021. De vrouw is niet voor
deze datum teruggekomen, maar met het kind in Azerbeidzjan gebleven.
2.3 In december 2022/januari 2023 heeft klager verweerder benaderd voor bijstand.
Op 2 januari 2023 heeft een intakegesprek plaatsgevonden tussen klager en verweerder.
2.4 Op 9 januari 2023 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven:
“Tijdens dit gesprek kwam onder meer aan de orde dat u denkt dat er een procedure
in Azerbaijan loopt. Maar u bent niet zeker. Wij bespraken dat de Nederlandse rechter
zijn procedure moet aanhouden of zelfs niet ontvankelijk kan verklaren als er een
voor erkenning vatbare beslissing genomen gaat worden in het buiteland. Juist in die
voor erkenning vatbare procedure zie ik in dit geval ruimte voor interpretatie. U
heeft geen oproep, kennisgeving of exploot ontvangen. En dat betekent naar mijn idee
dat er geen rechtsgeldige procedure is waar ik melding van moet maken.”
2.5 Op 11 januari 2023 heeft klager aan verweerder onder meer geschreven dat
de procedure in Azerbeidzjan geen eerlijke procedure is, dat hij geen officiële papieren,
dagvaarding of verzoekschrift heeft gekregen en dat de rechtbank in Bakoe hem ook
geen berichten stuurt. Klager heeft geen idee wat de stand van zaken is.
2.6 Op 19 januari 2023 heeft klager per e-mail aan verweerder laten weten dat
de paspoortaanvraag (vervangende toestemming) de absolute topprioriteit is, omdat
de vrouw en klagers zoon binnenkort uit klagers adres uitgeschreven worden.
2.7 Op 20 januari 2023 heeft verweerder aan klager laten weten dat hij het verzoekschrift
wil afmaken en indienen, maar dat hij nog (adres)gegevens van de vrouw nodig heeft.
Klager heeft diezelfde dag gereageerd en aan verweerder onder meer geschreven dat
hij niet weet waar de vrouw woont. Klager heeft verweerder verder gevraagd of het
klopt dat het kind aanwezig moet zijn bij de paspoortaanvraag in Nederland.
2.8 Op 31 januari 2023 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven:
“Wij bespraken uw zorgen laatst met het videobellen, dus ik was in de veronderstelling
dat de vragen waren beantwoord. Blijkbaar is dat niet zo overgekomen en dat betreuren
wij.
Wat betreft de paspoortkwestie, u vraagt vervangende toestemming voor de aanvraag.
Of uw zoon daar uiteindelijk wel of niet bij kan/gaat zijn, lijkt mij een kwestie
tussen u en de ambtenaar. (…)
Dan de litispendentie: u, en dus ik, moet de rechter informeren over de juiste stand
van zaken. (…) Welnu, als er in Azerbaijan een procedure aanhangig is waar u op rechtsgeldige
wijze procespartij bij bent, en ik heb daar kennis van… dan moet ik dat vermelden.
In zo’n geval kan ik wel motiveren dat u geen eerlijk proces toekomt in dat land.
In uw concrete situatie zou er mogelijk een procedure zijn. U denkt dat. U bent,
naar ik begrijp, niet opgeroepen, u heeft geen exploot ontvangen, u heeft geen onafhankelijke
rechter of rechtsbijstand en u bent niet veilig in Azerbaijan. U weet derhalve niets
en u kunt ook niets aldaar.
Alles bij elkaar genomen, meen ik derhalve dat er op basis van deze informatie geen
beroep gedaan kan worden op litispendentie EN hoef ik niets te vermelden. MAAR ik
heb geen enkel bewijs ontvangen waar ik mij op kan baseren. En die stukken zou ik
wel graag ontvangen.
Van uw kant heb ik het derhalve nodig dat u mij de opdracht bevestigt, dat u uw
adresgegevens met mij deelt opdat ik een toevoeging voor zowel de paspoort als de
echtscheiding kan aanvragen en dan zal ik u vragen om een voorschot op de eigen bijdragen
te betalen, waarna ik echt aan het werk kan.”
2.9 Op 31 januari 2023 heeft klager aangifte gedaan bij de politie van ontvoering
van zijn kind door de vrouw.
2.10 Op 31 januari 2023 heeft klager in een e-mail aan verweerder onder meer
geschreven:
“Fijn dat er eindelijk duidelijkheid is wat betreft litispendentie en dat u ook
van mening bent dat dit vermeld hoeft te worden. (…)
Maar ik moet de procedure van ongeldig verklaring van mijn huwelijk on hold zetten
(en er hoeft geen echtscheiding aangevraagd worden op dit moment) dus deze opdracht
trek ik voorlopig terug tot nader order.
Wel is t belangrijk om mij momenteel bij te staan met paspoortaanvraag en het teruggeleidingsverzoek
z.s.m in te dienen!
Vandaag heb ik aangifte gedaan van internationale kinderontvoering. Deze aangifte
moet ook bij teruggeleidingsverzoek ingediend worden. Zie bijlage. (…)
Ik vertrek naar Bakoe voor een weekje hoewel het gevaarlijk is…
Wel vraag ik u eind deze week met afdeling recherche (…) contact op te nemen en
aan hen vragen om z.s.m. Interpol in te schakelen.”
2.11 Kort daarna diezelfde dag heeft klager nog aan verweerder gestuurd:
“rectificatie – fijn dat litispendentie niet vermeld hoeft te worden bij de rechter
ook omdat mijn huwelijk simpelweg in feite nietig verklaard te woorden en er moet
dus überhaupt echtscheidingsprocedure komen”
2.12 Klager is vervolgens naar Azerbeidzjan gereisd.
2.13 Op 6 februari 2023 (om 5:42 uur) heeft klager per e-mail aan verweerder
gevraagd of verweerder de e-mail van de week ervoor heeft gelezen, of verweerder ondertussen
contact heeft opgenomen met de recherche over klagers aangifte kinderontvoering en
of de paspoortaanvraag en teruggeleidingsverzoek zijn afgehandeld.
2.14 Op 7 februari 2023 (om 19:51 uur) heeft een jurist van verweerders kantoor
(hierna: de jurist) gereageerd en geschreven dat zij druk bezig zijn met de zaak,
dat het verzoekschrift aanvraag vervangende toestemming zo goed als klaar is en uiterlijk
de volgende dag wordt ingediend. De jurist heeft verder geschreven dat zij aan de
slag zullen gaan met het contact met de politie.
2.15 Klager heeft diezelfde dag (om 17:09 uur) gereageerd en geschreven dat het
teruggeleidingsverzoek nu echt de prioriteit is. Klager heeft verweerder gevraagd
dit de komende dagen af te handelen in verband met het naderende uitschrijven van
klagers zoon op het adres.
2.16 Het dossier bevat een factuur van verweerder aan klager, gedateerd op 8
februari 2023. De factuur betreft de eigen bijdrage, verschotten en griffierecht in
de paspoortzaak, totaal € 294,99. Op de factuur is vermeld dat deze uiterlijk binnen
15 dagen voldaan moet worden.
2.17 Op 10 februari 2023 (om 16:34 uur) heeft de jurist aan klager geschreven:
“Ik heb met [verweerder] overlegd en heb van hem begrepen dat de opdracht in beginsel
is gegeven voor het aanvragen van vervangende toestemming voor een paspoort. Niet
voor het nietig verklaren van de echtscheiding en de teruggeleiding. Als u die opdracht
alsnog wilt geven, dan horen wij dat graag. Wij zullen dan een toevoeging voor die
kwestie aanvragen.
Wij kunnen daarna verzoeken dat het hoofdverblijf bij u komt in een voorlopige voorziening,
maar dat kan niet bij de paspoortkwestie.”
2.18 Op 10 februari 2023 heeft verweerder het verzoekschrift vervangende toestemming
aanvraag paspoort ingediend bij de rechtbank.
In punt 4 van het verzoek is vermeld dat de vrouw op 17 juli 2022 met het kind naar
Azerbeidzjan is vertrokken.
2.19 Op 13 februari 2023 heeft klager hierop gereageerd en aan verweerder geschreven:
“we hebben altijd over het teruggeleidingsverzoek gehad, dien het svp z.s.m. in
i.v.m. het uitschrijven van mijn zoontje!”
2.20 Op 14 februari 2023 heeft de jurist van verweerders kantoor aan klager onder
meer bericht dat er contact is geweest met de Politie [X]. De politie heeft gemeld
dat de aangifte is doorgezet naar de recherche, dat zij gaan kijken wat er mogelijk
is en dat de zaak waarschijnlijk bij een speciale afdeling van het Openbaar Ministerie
zal worden aangeboden.
2.21 Op 20 februari 2023 (om 6:54 uur) heeft klager in een e-mail aan (de jurist
van) verweerder onder meer geschreven:
“Het is inmiddels DRIE WEKEN sinds ik jullie de aangifte internationale kinderontvoering
opstuurde en naar Bakoe vertrok.
Helaas blijf ik nog steeds dit soort email krijgen en ik zie geen acties van [verweerder]
(paspoortaanvraag is geen prioriteit op dit moment (…)
Ik zit bijna 3 weken in Bakoe (…) en wacht op de acties van [verweerder] – voornamelijk
– het indienen van teruggeleidingsverzoek en bij de rechtbank Den Haag en contact
opnemen met de recherche van [X] over mijn aangifte (ontvoering van mijn kind), die
z.sm. Interpol moeten inschakelen n.a.v. mijn aangifte!
Heeft [verweerder] al het teruggeleidingsverzoek ingediend bij de rechtbank Den
Haag en contact opgenomen met de recherche van [X] over de aangifte (ontvoering van
mijn kind)?
Ik heb hem zo vaak gewaarschuwd over het feit dat mijn kind in februari uitgeschreven
zou zijn uit mijn adres in [X]!
Ik ben hier in gesprek met de plaatselijke autoriteiten over de opsporing van mijn
kind. Ze doen niets totdat ze geen rechtelijk besluit vanuit NL krijgen over teruggeleiding
van het kind en officiële verzoek vanuit NL afdeling van Interpol! (…)
Wilt u daarom svp met essentiële dingen bezig zijn – Interpol (recherche [X] – internationale
opsporingsverzoek ook richting Bakoe) + teruggeleiding (Rechtbank Den Haag – Centrale
Autoriteit – Minbuza)”
2.22 Op 21 februari 2023 (16:49 uur) heeft de jurist aan klager onder meer bericht
dat er contact is geweest met de politie en het speciale rechercheteam en dat zij
in de loop van de week zullen terugbellen. Klager heeft diezelfde dag (om 20:15 uur)
gevraagd wanneer ze Interpol gaan inschakelen. Ook heeft hij vermeld dat hij nog wacht
op reactie met betrekking tot het teruggeleidingsverzoek dat van essentieel belang
is voor de nota van het Minbuza richting de autoriteiten van Azerbeidzjan.
2.23 Op 21 februari 2023 (om 18:07 uur) heeft verweerder aan klager onder meer
geschreven:
“De aanvullende opdracht, de nietigverklaring, is ontvangen en begrepen.
Eigenlijk had ik verwacht dat u de eigen bijdrage voor de paspoortkwestie al had
voldaan, dan kan ik sneller schakelen. (..)
Los daarvan ontvangt u naar alle waarschijnlijkheid morgen het verzoekschrift. De
recherche is al gebeld, maar daar kwamen wij vooralsnog niet veel verder. Ook daar
ben ik nog mee bezig in andere woorden.”
2.24 Klager heeft diezelfde dag (om 18:39 uur) gereageerd en aan verweerder onder
meer geschreven:
“Drie weken geleden voordat ik naar Bakoe vertrok, liet ik weten dat ik voorlopig
de nietigverklaring on hold zet (het is op dit moment geen prioriteit)
De prioriteit op dit moment is het teruggeleidingsverzoek dat van essentieel belang
is voor de nota van het Minbuza richting de autoriteiten van Azerbeidzjan.
Ook stuurde ik u mijn aangifte internationale kinderontvoering en liet ik weten
dat het echt de top prioriteit was dat de recherche (…) snel in actie komt en via
de Interpol verzoek indient bij de Interpol van Azerbeidzjan. (….)
m.b.t. recherche – wanneer gaan ze Interpol inschakelen? En waarom duurt het zo
lang terwijl het om veiligheid en gezondheid van het kind – Nederlandse staatsburger
– gaat??
Ik wacht ook op reactie mb.t. het teruggeleidingsverzoek”
2.25 Op 21 februari 2023 (om 21:19 uur) heeft klager stukken voor het teruggeleidingsverzoek
aan verweerder gestuurd. Klager heeft verweerder verzocht het aanvraagformulierverzoek
snel in te dienen.
2.26 Op 28 februari 2023 heeft klager aan verweerder gevraagd te reageren op
zijn laatste e-mail en waarom het zo lang duurt. Klager heeft gevraagd of er een probleem
is en aangegeven dat hij nog steeds in Bakoe is en wacht op verweerders hulp met betrekking
tot het teruggeleidingsverzoek en Interpol. Ook heeft hij gevraagd of verweerder een
toevoeging heeft aangevraagd voor het afhandelen van het teruggeleidingsverzoek en
recherche.
2.27 Op 28 februari 2023 is een betalingsherinnering voor de factuur van 8 februari
2023 aan klager gestuurd. In het bericht is vermeld dat het kantoor genoodzaakt is
de werkzaamheden in klagers zaak op te schorten totdat betaling heeft plaatsgevonden.
2.28 Op 28 februari 2023 heeft de jurist aan klager laten weten dat de politie
heeft gebeld en heeft laten weten dat ze nog met de zaak bezig zijn en hopen binnenkort
Interpol te contacteren.
2.29 Op 1 maart 2023 heeft verweerder aan klager laten weten dat het verzoekschrift
paspoort is ingediend. Verweerder schrijft verder dat de echtscheiding zo ingediend
kan worden, maar dat verweerder nog wacht op klagers betaling. Verweerder heeft klager
gevraagd of hij het verzoek mag indienen of dat klager het eerst wil lezen.
2.30 Op 1 maart 2023 heeft verweerder bij de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) een
aanvraag voor een toevoeging ingediend voor rechtsbijstand in een echtscheiding met
nevenvorderingen. Bij besluit van 2 maart 2023 (verzonden op 6 maart 2023) heeft de
RvR de toevoeging verstrekt onder oplegging van een eigen bijdrage van € 321,-.
2.31 Op 2 maart 2023 (om 6:28 uur) heeft klager aan verweerder geschreven dat
verweerder de opdracht en afspraken met betrekking tot het teruggeleidingsverzoek
volledig negeert en dat klager meerdere malen heeft gevraagd de nietigverklaring van
het huwelijk on hold te zetten. Klager heeft verder geschreven dat de prioriteit nu
ligt bij het indienen van het teruggeleidingsverzoek en dat hij van de recherche een
schriftelijke bevestiging nodig heeft dat de zaak is overgedragen aan Interpol.
2.32 Op 2 maart 2023 (om 12:03 uur) heeft verweerder aan klager onder meer geschreven
dat hij zojuist met de politie heeft gesproken en dat het plaatsen van een naam op
de lijst van Interpol niet met één telefoontje kan worden geregeld. Verweerder heeft
aangegeven dat de politie duidelijkheid van klager wil over het doel van zijn verzoek:
vervolging van de vrouw of alleen het terugkrijgen van het kind?
2.33 Op 2 maart 2023 (om 17:56 uur) heeft verweerder aan klager onder meer geschreven:
“Wat betreft de duidelijkheid, in mijn beleving had ik die al gegeven, maar nogmaals:
Uw aanvullende opdracht staat klaar, alles kan zo ingediend worden. Ik wacht alleen
op de betaling van uw eigen bijdragen, het griffierecht en de vaste vergoeding voor
de verschotten in de procedure die reeds op uw verzoek aanhangig was gemaakt. Daarnaast
moet ik u nog de eigen bijdrage etc. sturen voor de nietigverklaring huwelijk procedure.
Die krijgt u deze week.
Wat betreft de echtscheidingsprocedure, lees dat als een verzoek om nietigverklaring
van het huwelijk, omdat uw ex-partner naar uw bevindingen al gehuwd was in [Y]. (…)
In die procedure kan ik om toevertrouwing van uw kind vragen, bij wijze van indirect
teruggeleidingsverzoek. De reden dat ik dit zo wil doen, is de simpele reden dat een
teruggeleidingsverzoek op grond van het HKOV’80 moet worden ingediend in het land
waar uw kind verblijft. In het land van de gewone verblijfplaats kunnen gezagsbeslissingen
worden genomen, die een teruggeleidingsverzoek kunnen ondersteunen. (…) Ik kan de
rechter in Nederland echter niet vragen om een beslissing tot teruggeleiding vanuit
Baku. (…)
Daarnaast zou ik ook in kort geding kunnen vorderen dat uw ex uw kind weer binnen
de landsgrenzen brengt en wordt verboden om weer te verhuizen op laste van een dwangsom,
dan wel wordt verboden om de verblijfplaats van uw kind te wijzigen (…). Ik kies nu
voor de voorlopige voorziening in een echtscheidingsprocedure, waaronder nietigverklaring
huwelijk valt, omdat dit een snelle procedure is.”
2.34 Op 2 maart 2023 (om 19:24 uur uur) heeft klager daarop gereageerd en aan
verweerder onder meer geschreven:
“Volgens mij hebben we het meerdere keren uitgebreid gehad over het corrupt rechtssysteem.
Daarom vind ik u voorstel om het teruggeleidingsverzoek in Azerbeidzjan in te dienen
onbegrijpelijk.
Zoals u weet heb ik uitgebreid contact gehad met de juristen van de Centrale Autoriteit
van het Ministerie van Justitie en ze hebben de route reeds uitgestippeld – 1. eerst
aangifte doen van internationale kinderontvoering 2. Het teruggeleidingsverzoek moet
ingediend worden zoals afgesproken bij de rechtbank van Den Haag en afgehandeld worden
door de Nederlandse rechter. Z.s.m. Svp 3. Vervolgens gaat de CA het rechtelijk besluit
tot teruggeleiding van [kind] doorzetten naar het Minbuza. Deze procedure gaat gepaard
met Interpol-procedure. Ik heb met u van te voren afspraken hierover gemaakt. Dus
ik verzoek u om onze afspraken te honoreren. (…)
Wat betreft niet verklaren van het huwelijk – nogmaals het is geen prioriteit –
ik begrijp dat u al een toevoeging daarvoor heeft gekregen – is t mogelijk om het
om te wisselen naar het teruggeleidingsverzoek? Zo niet moet u dan nieuwe toevoeging
aanvragen? (…)
Overigens over een paar dagen kom ik terug. (…) Zodra ik terug ben in NL maak ik
het verschuldigde bedrag over. Ik kan helaas hier niet mijn bank app gebruiken.”
2.35 Op 7 maart 2023 (om 8:48 uur) heeft verweerder aan de politie laten weten
dat klager, in reactie op de vraag naar zijn doel, heeft laten weten dat er twee doelen
zijn: het vinden en terugbrengen van het kind naar Nederland en strafrechtelijke vervolging
van de vrouw.
2.36 Op 9 maart 2023 is nogmaals een betalingsherinnering voor de factuur van
8 februari 2023 aan klager gestuurd. In het bericht is vermeld dat het kantoor genoodzaakt
is de werkzaamheden in klagers zaak op te schorten totdat betaling heeft plaatsgevonden.
Diezelfde dag heeft de jurist aan klager onder meer laten weten dat zij betaling
van de factuur verlangen, voordat de werkzaamheden kunnen worden voortgezet.
2.37 Op 9 maart 2023 heeft klager gereageerd en aan de jurist laten weten dat
hij over een paar dagen hoopt te vertrekken en dat zijn Nederlandse mobiele telefoon
geblokkeerd is, waardoor hij niet bij zijn bankapp kan.
2.38 Op 13 maart 2023 uur heeft verweerder aan klager laten weten dat de factuur
voor de paspoortkwestie nog niet is voldaan en dat verweerder zijn werkzaamheden opschort
tot de factuur is voldaan.
2.39 Op 14 maart 2023 heeft verweerder aan klager geschreven dat er meermalen
is verzocht om betaling van de nota, dat deze nog steeds niet is betaald en dat verweerder
zijn opdracht voor klager daarom staakt. Verweerder heeft daarbij vermeld dat hij
niet naar de zitting zal gaan en geen nieuwe zaken aanhangig zal maken.
2.40 Klager heeft diezelfde dag gereageerd en onder meer aangegeven dat hij het
jammer vindt en dat hij het idee heeft dat het verweerder helemaal niet interesseert.
Klager schijft:
“Dan is het onderling vertrouwensbasis weg, hoe ik het ook jammer en onbegrijpelijk
vind.”
2.41 Bij brief van 15 maart 2023 heeft de rechtbank verweerder gevraagd zich
voorafgaand aan de zitting nader uit te laten over het belang van klager bij het gedane
verzoek.
2.42 Op 21 maart 2023 heeft een medewerker van verweerders kantoor aan de politie
laten weten dat verweerder klager niet langer bijstaat, met het verzoek aan de politie
direct met klager te communiceren.
2.43 Op 23 maart 2023 heeft een zitting plaatsgevonden waar het verzoek vervangende
toestemming voor het aanvragen van een Nederlands paspoort is behandeld. Hier is klager
verschenen, zonder verweerder.
2.44 Op 16 april 2023 heeft klager bij de RvR bezwaar aangetekend tegen de toekenning
van een toevoeging (echtscheiding met nevenvorderingen) aan verweerder.
2.45 Op 1 mei 2023 heeft verweerder aan de RvR een reactie gestuurd op het bezwaar
van klager. In zijn reactie heeft verweerder onder meer geschreven:
“Bij het intakegesprek en in de e-mails daarna heb ik hem duidelijk gemaakt dat
een teruggeleiding moet worden verzocht in het land waar het kind verblijft. Wel kon
een nietigverklaring/beëindiging huwelijk ervoor zorgen dat er een indirecte teruggeleiding
van het kind gevraagd kon worden. (…) De teruggeleiding op basis van het Verdrag moest
hij zelf in Azerbaijan vragen. (…)
Voor een aanvraag voor een toevoeging in verband met een internationale kinderontvoering
was onvoldoende grondslag, omdat meneer deze procedure in Azerbaijan moet voeren.”
2.46 Klagers nieuwe advocaat (mr. H) is op 5 juli 2023 een teruggeleidingsprocedure
gestart bij de rechtbank Den Haag. Bij beschikking van 15 september 2023 heeft de
rechtbank de terugkeer van het kind naar Nederland gelast.
2.47 Bij brief van 21 november 2023 heeft de RvR aan klager bericht dat zijn
bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2023 (waarbij een toevoeging is verstrekt) gegrond
is verklaard en dat de verstrekte toevoeging en vergoeding wordt ingetrokken. In het
bij het besluit gevoegde (en overgenomen) advies is onder meer vermeld dat uit de
mailwisseling blijkt dat klager aan verweerder heeft meegedeeld dat hij de echtscheidingsprocedure
on hold zet en de opdracht tot nader order intrekt en dat niet kan worden gezegd dat
de toevoeging voor een verzoek tot echtscheiding van klager met toestemming van klager
is aangevraagd.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij klagers belangen en die van zijn minderjarige kind doelbewust heeft
gesaboteerd, klager heeft misleid en de klachtencommissie van de Raad voor de Rechtsbijstand
heeft misleid en misbruik heeft gemaakt van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand.
Klager verwijt verweerder het volgende :
1) Verweerder is ten onrechte geen teruggeleidingsprocedure in Nederland gestart;
2) Verweerder heeft een verzoekschrift vervangende toestemming paspoort bij de
rechtbank ingediend zonder dit op voorhand aan klager voor te leggen;
3) Verweerder heeft ondanks een verzoek daartoe belangrijke documenten (bewijsstukken)
niet naar de rechtbank gestuurd in het kader van de procedure betreffende het paspoort;
4) Verweerder heeft een grove fout gemaakt in het verzoekschrift vervangende
toestemming paspoort;
5) Verweerder heeft ten onrechte geen toevoeging aangevraagd voor de strafrechtelijke
procedure en de e-mailwisseling met de politie (in het kader van de strafrechtelijke
procedure) gedeclareerd in het kader van de aangevraagde toevoeging voor een echtscheiding;
6) Verweerder heeft zich niet of nauwelijks ingezet voor de strafrechtelijke
procedure (opsporing via Interpol);
7) Verweerder heeft ten onrechte wel een toevoeging aangevraagd voor een echtscheidingsprocedure
ondanks klagers expliciete bezwaren en protesten;
8) Verweerder heeft zich een week voor de zitting van 23 maart 2023 als advocaat
onttrokken in de procedure betreffende vervangende toestemming paspoort;
9) Verweerder heeft klager geen opdrachtbevestiging gestuurd.
10) Verweerder heeft in het bezwaarschrift (in de procedure bij de Raad voor
Rechtsbijstand) onjuistheden, onwaarheden en gaslighting opgenomen. Klager heeft in
dat verband genoemd dat verweerder ten onrechte heeft gezegd dat alleen een teruggeleiding
kan worden verzocht in het land waar het kind verblijft.
3.2 Klager stelt dat zijn (minderjarige) kind is ontvoerd naar het buitenland.
De voornaamste reden waarom klager verweerder benaderde was voor de teruggeleidingsprocedure
in verband met internationale kinderontvoering. Daarnaast heeft klager verweerder
zocht om te helpen met de procedure vervangende toestemming paspoortaanvraag. Klager
stelt dat verweerder als alternatief voor de teruggeleidingsprocedure heeft voorgesteld
om binnen de echtscheidingsprocedure een beroep te doen op een voorlopige voorziening/kort
geding. Klager is hier nooit mee akkoord gegaan en heeft nooit opdracht gegeven voor
de echtscheiding/nietigverklaring huwelijk. Klager heeft wel opdracht gegeven voor
de vervangende toestemming paspoortaanvraag en de teruggeleidingsprocedure, plus bijstand
bij de strafrechtelijke procedure (opsporen via Interpol/contact met de politie).
3.3 Klager stelt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de adviezen en
visie van de juristen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Verweerder heeft
geweigerd het teruggeleidingsverzoek te ondersteunen door middel van een teruggeleidingsprocedure
bij de rechtbank. Daardoor had het teruggeleidingsverzoek zoals voorgelegd aan de
autoriteiten van Azerbeidzjan een vrijblijvend (in plaats van een bindend) karakter.
Verweerder heeft het verzoek daarmee doelbewust gesaboteerd.
3.4 Klager heeft verzocht om toepassing te geven aan artikel 48b Advocatenwet
en – naast een passende maatregel – als bijzondere voorwaarde op te leggen dat verweerder
wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding tot het wettelijk maximum
van € 5.000,- in verband met de door klager geleden directe schade voortvloeiend uit
de internationale kinderontvoeringszaak betreffende zijn kind.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Verweerder stelt dat klager
zich tot verweerder heeft gewend in het kader van een familierechtelijke procedure
die toezag op het verkrijgen van een paspoort en de terugkeer van zijn kind uit Azerbeidzjan.
Klager heeft initieel bijstand gevraagd bij en opdracht gegeven voor een procedure
vervangende toestemming paspoort en een nietigverklaring van het huwelijk. De teruggeleidingsprocedure
is daarbij onderdeel geweest van het gesprek, maar niet bevestigd als een opdracht
die verweerder bij aanvang had aanvaard. Klager gaf op 19 januari 2023 per e-mail
ook aan dat de paspoortkwestie absolute topprioriteit had.
4.2 Verweerder stelt dat hij twijfels had bij een teruggeleidingsverzoek, omdat
het kind al langer dan een jaar ongeoorloofd werd achtergehouden in Azerbeidzjan en
daar al een procedure liep. Een teruggeleiding kan immers worden geweigerd als het
kind langer dan een jaar in het andere land heeft verbleven en daar geworteld is.
Omdat het kind nog jong is en omdat verweerder de rechtbank naar waarheid dient te
informeren, achtte verweerder een teruggeleiding weinig kansrijk. Verweerder was van
mening dat een echtscheidingsprocedure (lees: nietigverklaring huwelijk) met het verzoek
om een voorlopige voorziening of een kort geding terugverhuizing meer kansrijk was.
Dit is blijkens vaste jurisprudentie een volledig erkend en gelijkwaardig middel om
terugkeer te bewerkstelligen. Dit heeft hij meerdere keren met klager overlegd en
voorgesteld. Op deze wijze zou eveneens een teruggeleiding kunnen worden bewerkstelligd.
Verweerder is dominus litus en bepaalt wat voor procedure hij wel en niet gaat instellen.
4.3 In februari 2023 gaf klager per e-mail aan dat het indienen van een teruggeleidingsverzoek
prioriteit had. Er was op dat moment al discussie over de reikwijdte van de opdracht,
ook omdat klager de opdracht voor de nietigverklaring van het huwelijk on hold had
gezet. Verweerder wijst op de e-mail van 10 februari 2023, waarin aan klager is bericht
dat de opdracht is gegeven voor het aanvragen van vervangende toestemming van een
paspoort en niet voor het nietig verklaren van de echtscheiding en de teruggeleiding.
Vervolgens is discussie ontstaan over de (wan)betaling van de eigen bijdrage in de
paspoortkwestie en is de aanvullende opdracht (de teruggeleidingsprocedure) niet verder
bevestigd/opgepakt.
4.4 Wat betreft het verzoekschrift vervangende toestemming paspoort (klachtonderdelen
2 t/m 4), heeft verweerder betwist dat een grove fout is gemaakt. De gemaakte verschrijving
was eenvoudig te herstellen en leidt niet tot een niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing.
4.5 Wat betreft de strafrechtelijke procedure (klachtonderdelen 5 en 6), heeft
verweerder toegelicht dat hij niet gespecialiseerd is in slachtofferrecht en geen
toevoeging kan aanvragen voor slachtofferzaken. De advieswerkzaamheden die zijn uitgevoerd
(navraag doen bij de politie), vielen volgens verweerder onder de familierechtelijke
opdracht. Er is vanuit verweerder en zijn collega’s meermaals contact geweest met
de recherche/politie, met als uitkomst dat het kind op de Interpollijst kwam te staan.
4.6 Wat betreft de klacht over het misleiden van de RvR (klachtonderdeel 7),
stelt verweerder dat de RvR hierop heeft beslist en dat dit dan ook buiten beschouwing
moet worden gelaten. Verweerder betwist dat hij de RvR doelbewust heeft misleid (klachtonderdeel
10). Hij heeft slechts zijn visie op de zaak gegeven.
4.7 Wat betreft het staken van de opdracht (klachtonderdeel 8), heeft verweerder
aangevoerd dat klager ondanks herhaald verzoek niet heeft betaald. De staking van
de opdracht was negen dagen voor de geplande zitting in de procedure vervangende toestemming
aanvraag paspoort. Verweerder stelt dat hij niet klachtwaardig heeft gehandeld: hij
had daarvoor zijn werkzaamheden al opgeschorst en klager wist of kon weten dat de
opdracht zou worden gestaakt als hij niet tijdig zou betalen. Ook kan in een paspoortkwestie
zonder advocaat worden geprocedeerd. Bovendien heeft klager zelf ook aangegeven dat
de onderlinge vertrouwensbasis weg was.
4.8 Verweerder heeft verzocht klagers schadeclaim niet-ontvankelijk te verklaren
dan wel af te wijzen. Verweerster stelt dat de claim juridische grondslag en feitelijk
fundament mist.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdelen 1) en 9) – teruggeleiding en opdracht
5.2 Klager verwijt verweerder dat hij (ten onrechte) geen teruggeleidingsprocedure
in Nederland is gestart. De raad overweegt dat klager bij verweerder is gekomen omdat
hij – kort gezegd – zijn zoon terug wilde en een paspoort voor zijn zoon wilde. Begin
januari 2023 hebben klager en verweerder een intakegesprek gehad, waarbij (zo blijkt
uit de verklaringen van klager en verweerder) ook de route van de echtscheiding/nietigverklaring
huwelijk met een voorlopige voorziening (toevertrouwing van het kind aan klager) als
mogelijkheid is besproken om het kind terug bij klager te krijgen. Kennelijk is op
dat moment nog geen concrete keuze gemaakt welke strategie zou worden gevolgd en welke
procedure zou worden gestart, omdat verweerder eerst meer duidelijkheid wenste te
krijgen, onder meer over de eventuele lopende procedure(s) in Azerbeidzjan. Klager
en verweerder waren dus nog in gesprek over de te voeren strategie en de vraag welke
procedure zou worden gestart om het kind terug te krijgen. Gelet daarop acht de raad
het niet onbegrijpelijk dat in januari 2023 nog geen opdrachtbevestiging is gestuurd.
Alleen over de procedure rondom het paspoort bestond geen discussie en die is ook
in gang gezet. Op 10 februari 2023 is duidelijk aan klager bericht dat alleen voor
die procedure een opdracht was aanvaard en dat hij voor een andere procedure eerst
concreet de opdracht diende te geven. Dat (nog) geen opdrachtbevestiging is gestuurd,
acht de raad gelet op die omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.3 Verweerder heeft toegelicht dat en waarom hij twijfels had bij de mogelijkheid
c.q. het concrete succes van een teruggeleidingsprocedure. Ook heeft hij gemotiveerd
en onder verwijzing naar jurisprudentie toegelicht dat en waarom een echtscheidingsprocedure
(dan wel nietigverklaring huwelijk) met voorlopige voorzieningen ook tot het gewenste
resultaat kon leiden. De raad is van oordeel dat de keuze voor een echtscheiding met
voorlopige voorzieningen (in plaats van een teruggeleidingsprocedure) een reële en
te verdedigen strategie is. Verweerders keuze om in te zetten op die strategie valt
daarmee naar het oordeel van de raad binnen de vrijheid die een advocaat heeft om
een zaak te behandelen. Klagers stelling dat al een route was uitgestippeld door de
juristen van de Centrale Autoriteit en/of het Ministerie, wordt niet met stukken onderbouwd.
De raad kan niet vaststellen dat sprake was van een teruggeleidingsverzoek dat ondersteund
moest worden.
5.4 Het is de raad duidelijk dat klager (desondanks) een teruggeleidingsprocedure
wenste. Hij heeft dit voor het eerst op 31 januari 2023 concreet aan verweerder gemeld,
op het moment dat hij naar Azerbeidzjan af reisde. Vervolgens is klager blijven aandringen
op het inzetten van de teruggeleidingsprocedure. Uit de e-mailwisseling volgt echter
dat op dat moment alleen de opdracht voor de vervangende toestemming voor het paspoort
door verweerder was aanvaard (zie e-mail 10 februari 2023). Klager had op dat moment
de echtscheiding/nietigverklaring huwelijk ‘on hold’ gezet (zie e-mail 31 januari
2023). Verweerder heeft de opdracht om een teruggeleidingsprocedure te starten nooit
geaccepteerd. Verweerder heeft duidelijk gemaakt dat hij de teruggeleiding via de
echtscheidingsprocedure met voorlopige voorzieningen wilde bewerkstelligen. Als klager
het daar niet mee eens was, had hij bijstand van een andere advocaat moeten zoeken
die wel een teruggeleidingsprocedure wilde starten. Dat heeft klager later ook gedaan.
Dat deze advocaat wel een verzoek tot teruggeleiding heeft ingediend, dat vervolgens
ook door de rechtbank is toegewezen, maakt de door verweerder gekozen strategie niet
onjuist. De raad is dan ook van oordeel dat geen sprake is van klachtwaardig handelen.
De klachten zijn ongegrond.
Klachtonderdelen 2), 3) en 4) – procedure vervangende toestemming paspoort
5.5 Klager verwijt verweerder allereerst dat hij het verzoekschrift voor deze
procedure niet aan klager heeft voorgelegd. Verweerder heeft dit niet betwist. Hoewel
een advocaat in zijn algemeenheid een conceptstuk eerst aan de cliënt dient voor te
leggen, acht de raad in dit geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder
dat niet heeft gedaan. Relevant daarbij is dat een verzoekschrift vervangende toestemming
paspoort een vrij kort en eenvoudig verzoek is en het verzoek zo snel mogelijk moest
worden ingediend. Het is verder duidelijk dat het verzoekschrift een fout bevatte:
in het verzoekschrift is vermeld dat de vrouw op 17 juli 2022 met het kind naar Azerbeidzjan
is gegaan, terwijl dit 2021 moest zijn. Dit is slordig, maar verweerder heeft terecht
opgemerkt dat dit ter zitting eenvoudig hersteld kan worden. Dat er verder (grove)
fouten zijn gemaakt, is niet gebleken. Het is de raad verder niet duidelijk welke
belangrijke documenten c.q. bewijsstukken verweerder aan de rechtbank had moeten toesturen.
Klager had bovendien tot aan de zitting de mogelijkheid om nog stukken in te dienen.
Van een verplichte procesvertegenwoordiging is in deze procedure geen sprake, zodat
klager dat zelf kon doen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken.
Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdelen 5) en 6) strafrechtelijke procedure/Interpol
5.6 De raad herhaalt dat klager bij verweerder is gekomen omdat hij zijn zoon
terug wilde en een paspoort voor zijn zoon. Van een strafrechtelijke procedure was
(op dat moment) geen sprake. Verweerder heeft (op geen enkel moment) een opdracht
voor een strafrechtelijke procedure aanvaard, zodat alleen al om die reden geen sprake
kon zijn van het aanvragen van een toevoeging voor een strafrechtelijke procedure.
Ook nadat klager op 31 januari 2023 aangifte had gedaan tegen de vrouw van kinderontvoering
was nog niet direct sprake van een strafrechtelijke procedure. De aangifte was immers
evengoed relevant voor de procedure om het kind terug te krijgen. In dat kader heeft
verweerder op meerdere momenten contact met de politie gehad, onder meer om de zaak
onder de aandacht te brengen bij politie en Interpol. Niet gezegd kan worden dat verweerder
zich daarvoor niet of nauwelijks heeft ingezet. De raad kan verweerder volgen in zijn
stelling dat al deze werkzaamheden verband hielden met de familierechtelijke kwestie
(echtscheiding) waarvoor hij de toevoeging had aangevraagd en die gericht was op het
terugbrengen van het kind naar Nederland. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
is de raad niet gebleken. Deze klachten zijn ongegrond.
Klachtonderdeel 7) – toevoeging echtscheidingsprocedure
5.7 Klager verwijt verweerder dat hij ten onrechte een toevoeging heeft aangevraagd
voor een echtscheidingsprocedure. De raad kan klager niet volgen in zijn stelling
dat hij nooit opdracht heeft gegeven voor de echtscheiding. Alleen als hij die opdracht
heeft gegeven, kan hij die later (op 31 januari 2023) ook ‘on hold’ zetten. De raad
verwijs naar wat hiervoor bij klachtonderdeel 1) is overwogen: verweerder heeft de
keuze gemaakt om de terugkeer van het kind via een echtscheiding en voorlopige voorziening
te bewerkstelligen. Om die reden heeft hij een toevoeging voor een echtscheidingsprocedure
aangevraagd. Hoewel klager die echtscheidingsprocedure al op 31 januari 2023 ‘on hold’
had gezet, heeft verweerder begin maart 2023 daarvoor een toevoeging aangevraagd,
omdat voor die procedure weldegelijk werkzaamheden waren verricht. Verweerder schrijft
op 2 maart 2023 immers aan klager dat alles gereed is voor indiening. Het is duidelijk
dat klager achteraf bezwaar heeft gemaakt bij de RvR en dat de RvR de toevoeging uiteindelijk
heeft ingetrokken. Dat betekent echter niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Omdat klager op enig moment de opdracht heeft gegeven voor de echtscheiding
en verweerder ook werkzaamheden heeft verricht, is de raad van oordeel dat verweerder
hiermee niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 8) – einde bijstand
5.8 Verweerder heeft zich op 14 maart 2023 aan de zaak onttrokken, omdat klager
de factuur van 8 februari 2023, ook na diverse herinneringen, niet had betaald. In
de week daarvoor is door en namens verweerder al aan klager bericht dat de werkzaamheden
werden opgeschort en dat klager de factuur diende te betalen. Het kan voor klager
dan ook niet als een verrassing zijn gekomen dat verweerder zijn werkzaamheden beëindigde.
Hoewel op dat moment nog maar een ruime week resteerde tot de zitting van 23 maart
2023 (in de paspoortzaak), acht de raad de onttrekking op dit moment niet klachtwaardig,
nu geen sprake was van verplichte procesvertegenwoordiging. Klager kon ook zonder
advocaat naar de zitting van 23 maart 2023, zoals hij ook heeft gedaan. Niet gebleken
is dat verweerder zijn bijstand op onzorgvuldige wijze heeft beëindigd. Dit klachtonderdeel
is ongegrond.
Klachtonderdeel 10) – procedure RvR
5.9 Klager verwijt verweerder dat hij in de reactie op het bezwaarschrift bij
de RvR onjuistheden, onwaarheden en gaslighting heeft opgenomen. Klager heeft in dat
verband (alleen) genoemd dat verweerder ten onrechte heeft gezegd dat alleen een teruggeleiding
kan worden verzocht in het land waar het kind verblijft. De raad stelt vast dat verweerder
in zijn reactie inderdaad heeft gesteld dat de teruggeleiding c.q. procedure kinderontvoering
in Azerbeidzjan moest worden aangevraagd. Die opmerking is onjuist, omdat de Nederlandse
rechter zich in sommige situaties toch bevoegd kan verklaren. De raad acht klager
daardoor echter niet in zijn belangen geschaad, omdat deze opmerking in de bezwaarprocedure
bij de RvR in relatie tot de verstrekte toevoeging voor de echtscheidingsprocedure
is gedaan en van ondergeschikt belang is. De klacht is daarom ongegrond.
Tot slot
5.10 Omdat de raad de klacht in al zijn onderdelen ongegrond verklaard, is er
geen grond voor toewijzing van de door klager gevorderde schade. De raad wijst het
verzoek om vergoeding van schade dan ook af.
5.11 Voor zover klager in zijn aanvullingen van 16 februari 2026 en 29 mei 2026
nieuwe klachten heeft geformuleerd, geldt dat dit op gespannen voet staat met artikel
46c Advocatenwet. Daarin is bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en
dat die daarnaar onderzoek doet. De raad laat eventuele aanvullende klachten daarom
verder buiten beschouwing.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.N. Kampherbeek, D.M. de Knijff,
M. van Eck en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 juli 2026