ECLI:NL:TADRSGR:2026:172 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-477/DH/RO 26-478/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:172
Datum uitspraak: 15-07-2026
Datum publicatie: 31-07-2026
Zaaknummer(s):
  • 26-477/DH/RO
  • 26-478/DH/RO
Onderwerp:
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Overige gronden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klaagster kennelijk niet-ontvankelijk omdat zij geen bestaande rechtspersoon is.  Klager kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan een eigen, rechtstreeks belang.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 15 juli 2026
in de zaken 26-477/DH/RO en 26-478/DH/RO

naar aanleiding van de klachten van:

klaagster
gemachtigde: [klager]

en

klager

over:

verweerster
(zaaknummer: 26-477/DH/RO)

en

verweerder
(zaaknummer: 26-478/DH/RO)

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brieven van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 8 juni 2026 met kenmerk R 2026/048 (zaaknummer: 26-477/DH/RO) en van 9 juni met kenmerk R 2026/049 (zaaknummer: 26-478/DH/RO) en van de op de inventarissen genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de nagekomen stukken van klaagster en klager (hierna: klagers) van 22 juni 2026.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klachten gaat de voorzitter, gelet op de klachtdossiers, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerster en verweerder (hierna: verweerders) zijn de advocaten van mevrouw B in een civiele procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De gedaagde partij is de heer P. Verweerders hebben in de procedure een ‘intern testament’ van de heer P ingebracht als productie.
1.2    Klager heeft eerder aangifte bij de politie gedaan tegen mevrouw B wegens diefstal van documenten uit zijn woning, waaronder het ‘intern testament’.
1.3    Op 16 februari 2026 heeft klager bij de deken klachten ingediend over verweerders.
1.4    Op 22 juni 2026 heeft klager een aanvullend stuk ingediend, waarin onder meer staat dat de klachten primair moeten worden gelezen en beoordeeld als klachten namens hem persoonlijk en dat deze subsidiair worden gehandhaafd namens [naam klaagster]. 

2    KLACHTEN
2.1    De klachten zijn gelijkluidend en houden, zakelijk weergegeven, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten hen het volgende.
a)    Verweerders hebben een ongeanonimiseerd en hoogstpersoonlijk intern testament als productie ingebracht en benut, terwijl zij kenbaar op de hoogte waren dat de herkomst/verkrijging van [naam klaagster]-archiefstukken door mevrouw B door [naam klaagster] wordt betwist in een onttrekkings-/ontvreemdingscontext, het gaat om een vertrouwelijk archiefdomein met contractuele geheimhouding en minder ingrijpende, procesconforme alternatieven voor de hand lagen (uittreksel, anonimisering of beperkte kennisneming/verzegeling).

3    VERWEER
3.1    Verweerders hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Ontvankelijkheid klaagster / [naam klaagster]
4.1    [Naam klager] klaagt (aanvankelijk) namens [naam klaagster] (klaagster). De voorzitter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klaagster kan worden ontvangen in haar klacht. De tuchtrechter dient immers ambtshalve te toetsen of de klacht ontvankelijk is (vgl. HvD 3 februari 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:67). Het spreekt voor zich dat alleen door of namens bestaande (rechts)personen klachten kunnen worden ingediend (ECLI:NL:TAHVD:2024:28). [Naam klaagster] staat niet ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en ook anderszins is onvoldoende onderbouwd of gebleken dat [naam klaagster] een bestaande niet-natuurlijke persoon is, al dan niet in de vorm van een rechtspersoon of een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid. De stukken die daaromtrent zijn aangeleverd zijn daarvoor onvoldoende, alleen al nu daaruit niet volgt wat de juridische status (rechtsvorm) van [naam klaagster] zou zijn.
4.2    Het voorgaande brengt met zich dat naar het oordeel van de voorzitter de klachten zijn ingediend namens een niet bestaande niet-natuurlijke persoon. Dat betekent dat klaagster niet in haar klachten kan worden ontvangen.
Ontvankelijkheid klager / [naam klager]
4.3    Nadat de deken zijn visie op de klachten heeft gegeven, waarin hij uitspreekt van mening te zijn dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden bevonden, heeft [naam klager] in een schrijven van 21 juni 2026 aan de raad bericht dat de klachten zo moeten worden opgevat dat deze primair door hem zelf en subsidiair door [naam klaagster] zijn ingediend. De voorzitter stelt voorop dat het wijzigen van de identiteit van degene die een tuchtklacht indient op gespannen voet staat met de Advocatenwet en met de beginselen van een behoorlijk (tucht)procesrecht. Desalniettemin zal de voorzitter, mede uit praktische overwegingen, de klacht ook beoordelen vanuit de gedachte dat [naam klager] de klager is.
4.4    Alleen degene die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. De kern van de klachten is dat verweerders een ‘intern testament’ hebben ingebracht in een civiele procedure. Vaststaat dat klager niet betrokken was in deze procedure en dat het ook niet zijn testament betrof, waardoor hij niet op die gronden als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ook anderszins is onvoldoende onderbouwd of gebleken wat het eigen en rechtstreekse belang van klager bij de klachten zou zijn. Indien en voor zover klager aanvoert dat dit erin gelegen is dat de cliënte van verweerders het testament van [naam klaagster] heeft gestolen, wat er ook zij van deze stelling, geldt dat dit in een tuchtprocedure nog geen eigen, rechtstreeks belang oplevert. Het voorgaande maakt dat ook [naam klager] niet kan worden ontvangen in de klacht.
Conclusie
4.5    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klachten, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klachten, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. A.L. Pöll, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 15 juli 2026