ECLI:NL:TADRSGR:2026:170 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-430/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:170
Datum uitspraak: 15-07-2026
Datum publicatie: 31-07-2026
Zaaknummer(s): 26-430/DH/RO
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over een klachtenfunctionaris. Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur niet geschonden bij de klachtbehandeling. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en deels kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 15 juli 2026
in de zaak 26-430/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 19 mei 2026 met kenmerk R 2026/043 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 21. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 9 juni 2026.

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager is door een kantoorgenoot van verweerder bijgestaan in een arbeidsrechtelijke procedure. Er is een vaststellingsovereenkomst van € 21.000,- gesloten. Klager is niet tevreden geweest over het optreden van deze kantoorgenoot. Klager heeft zich op 20 oktober 2025 bij verweerder beklaagd over de kwaliteit van de dienstverlening van zijn kantoorgenoot en verzocht om een schadevergoeding. Diezelfde dag heeft verweerder een melding gemaakt bij de tussenpersoon van zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering. 
1.2    Op 31 oktober 2025 heeft verweerder de ontvangst van de aansprakelijkstelling aan klager bevestigd, medegedeeld deze aan de verzekeraar te hebben gestuurd en dat klager binnen twee weken bericht krijgt.
1.3    Op 2 november 2025 heeft klager zijn klacht toegelicht en gemeld dat er informatie van derden in zijn dossier is opgenomen en dat hij daarvoor een schadevergoeding wil.
1.4    Op 4 november 2025 heeft verweerder de reactie van zijn kantoorgenoot op de klacht doorgestuurd aan klager. Klager heeft hierop schriftelijk gereageerd.
1.5    Op 7 november 2025 heeft verweerder de reactie van zijn kantoorgenoot en de reactie van klager daarop doorgestuurd aan de tussenpersoon.
1.6    Op 17 november 2025 heeft verweerder klager uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op 1 december 2025. Klager heeft de uitnodiging diezelfde dag geaccepteerd.
1.7    Op 18 november 2025 heeft klager verzocht om de gegevens te verstrekken van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.
1.8    Op 26 november 2025 heeft klager het gesprek geannuleerd en verweerder gesommeerd om de gegevens van de verzekeraar te verstrekken.
1.9    Op 27 november 2025 heeft verweerder klager gevraagd om te heroverwegen om met hem in gesprek te gaan. Ook heeft verweerder opgemerkt om in afwachting van het gesprek nog te wachten met het communiceren ten aanzien van de verzekeraar, maar dat klager binnen een week nader zal vernemen.
1.10    De afspraak heeft daarna alsnog plaatsgevonden op 1 december 2025.
1.11    Op 1 december 2025 heeft de verzekeraar aan verweerder medegedeeld geen reden te zien om aansprakelijkheid te erkennen. Op 2 december 2025 heeft verweerder het bericht van de verzekeraar doorgestuurd aan klager, waarbij ook de contactgegevens en het schadenummer van de verzekeraar vermeld staan.
1.12    Op 5 december 2025 heeft verweerder gereageerd op berichten van klager van 3 en 5 december 2025 en bevestigd wat er tijdens het gesprek van 1 december 2025 is besproken. Verweerder heeft klager vervolgens verwezen naar de verzekeraar voor verdere correspondentie.
1.13    Op 22 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. 
a)    Verweerder heeft zijn onderzoek als klachtenfunctionaris niet zorgvuldig, transparant, controleerbaar en volledig uitgevoerd;
b)    Verweerder heeft geen opvolging gegeven aan klagers melding dat hij persoonsgegevens van een derde heeft aangetroffen in zijn dossier;
c)    Verweerder heeft geen inzicht gegeven in de onderbouwing van € 21.000,-.
d)    Verweerder heeft herhaaldelijk geweigerd om de gegevens van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar te delen;
e)    Verweerder heeft als leidinggevende nagelaten om in te grijpen in het foutieve handelen van zijn kantoorgenoot.
2.2    In de aanvullende reactie van 9 juni 2026 heeft klager een nieuw klachtonderdeel naar voren gebracht over het onvolledig verstrekken van zijn dossier. Op grond van artikel 46c lid 1 van de Advocatenwet dienen klachten in te worden gediend bij de deken. Dit nieuwe klachtonderdeel kan daarom niet worden meegenomen in de beoordeling.

3    VERWEER
3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris en leidinggevende. Het tuchtrecht zoals geregeld in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet is ook van toepassing als een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid. Dit betekent dat een advocaat zich bij de vervulling van haar taak van klachtenfunctionaris of leidinggevende dient te gedragen op een wijze die een behoorlijk advocaat betaamt en die het vertrouwen in de advocatuur niet schaadt. 
4.2    Daarbij houdt de voorzitter er rekening mee dat een klachtenfunctionaris een grote mate van vrijheid heeft om te bepalen hoe hij de afhandeling van een klacht inricht en hoe hij op de ingediende klacht beslist.
Klachtonderdeel a)
4.3    De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder bij de behandeling van de klacht van klager over de kantoorgenoot tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft klager steeds tijdig van reactie voorzien en geïnformeerd wanneer hij een reactie kon verwachten. Klager is in de gelegenheid geweest om te kunnen reageren op de reactie van de kantoorgenoot. Ook heeft juist verweerder zich ervoor ingespannen dat er een gesprek plaatsvond om de klacht met klager te bespreken, ook nadat klager dit gesprek had afgezegd. Voor zover klager betoogt dat onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, kan dat dus niet worden gevolgd. De voorzitter benadrukt verder dat de interne klachtenprocedure bij een advocatenkantoor bedoeld is om laagdrempelig te zijn, zodat gekeken kan worden of de lucht geklaard kan worden. Voor een diepgaand onderzoek, waarop klager controle wenst uit te voeren, bestaat in beginsel geen ruimte. Ook stond het verweerder vrij om, al dan niet in overleg met de verzekeraar, de aansprakelijkheid af te wijzen. Als klager het niet eens was met de uitkomst van de interne klachtprocedure of de afwijzing van de aansprakelijkstelling, dan stond het hem vrij andere mogelijkheden aan te wenden, zoals het indienen van een tuchtklacht of het procederen over de gestelde aansprakelijkheid. Verweerder heeft echter niet klachtwaardig gehandeld. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.4    Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Volgens klager heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de melding over een AVG-schending niet goed op te pakken. De voorzitter stelt vast dat het gaat om een mogelijke AVG-schending jegens een derde. Klager heeft dan ook geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij dit klachtonderdeel. De voorzitter zal klager daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel c)
4.5    De voorzitter ziet niet in waarom verweerder gehouden zou zijn om de onderbouwing van het bedrag van € 21.000,- inzichtelijk te maken. Verweerder heeft de zaak van klager niet behandeld, zodat dat niet op zijn weg lag. Evenmin was verweerder daartoe verplicht als klachtenfunctionaris. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.6    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder heeft geweigerd om de gegevens van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar met klager te delen. Dat heeft verweerder op 2 december 2025 gedaan. Verweerder heeft daar voorafgaand ook al aan klager toegelicht dat hij het gesprek van 1 december 2025 had willen afwachten voordat hij de gegevens zou delen. Daarmee is het vertrouwen in de advocatuur niet geschonden. Datzelfde geldt voor zover verweerder kennelijk een typefout heeft gemaakt in het schadenummer van de verzekeraar, hetgeen klager hem verwijt. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e)
4.7    Het uitgangspunt in het tuchtrecht is dat advocaten verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Voor zover al sprake zou zijn van foutief handelen door de kantoorgenoot, dan kan dit verweerder als leidinggevende niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.

BESLISSING
De voorzitter: 
-    verklaart klachtonderdelen a), c), d) en e), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
-    verklaart klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.


Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 15 juli 2026