ECLI:NL:TADRSGR:2026:168 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-009/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:168 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-009/DH/RO |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen (letselschade)advocaat. Verweerder heeft klager terecht verwijzen naar een arbeidsrechtadvocaat omdat hij geen verstand had van het arbeidsrecht. Ook mocht hij proberen om te klacht onderling met klager op te lossen. Verweerder heeft wel tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door klager onder druk te zetten om op betalende basis verder te werken, terwijl klager in aanmerking kwam voor een toevoeging. Omdat verweerder zijn voorstel niet heeft herhaald en hij helder heeft gemaakt te weten dat toevoegingszaken de aandacht moeten krijgen die zij verdienen, gaat de raad ervan uit dat verweerder in het vervolg anders zal handelen. Gegrond zonder oplegging van maatregel. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 juni 2026
in de zaak 26-009/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 23 september 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 8 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/118
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 14.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft op 16 april 2025 een bedrijfsongeval gehad. Hij heeft zich daarna
bij zijn werkgever ziek gemeld. Op 2 mei 2025 heeft klager zich beter gemeld. Zijn
arbeidsovereenkomst is vervolgens niet verlengd. Klager heeft een WW-uitkering ontvangen.
2.3 Klager heeft zich in juli 2025 tot verweerders kantoor gewend voor rechtsbijstand
bij het verkrijgen van een letselschadevergoeding van zijn werkgever. Op 24 juli 2025
heeft verweerders medewerker berekend dat op basis van een richtlijn letselschade
€ 800,- kon worden gevorderd. Klager en verweerder hebben vervolgens ook gecorrespondeerd
over het onderbouwen van het verlies aan arbeidsvermogen, aan de hand van klagers
loonstroken. Verweerder is uitgekomen op een bedrag van € 359,20 verlies aan arbeidsvermogen.
2.4 Op 30 juli 2025 heeft verweerders medewerker aan klager een concept-regelingsvoorstel
toegezonden met daarin een namens klager te vorderen bedrag van € 1.159,20. Klager
is diezelfde dag akkoord gegaan met het concept.
2.5 Op 1 augustus 2025 heeft klager aan verweerders medewerker gevraagd of hij
het verschil tussen zijn oude salaris en (lagere) WW-uitkering kon verhalen op zijn
voormalige werkgever. Ook zou de arbeidsovereenkomst volgens klager niet op tijd zijn
opgezegd waardoor hij vier weken doorbetaald zou moeten krijgen. De medewerker van
verweerder heeft daarop gereageerd dat niet te verwachten dat dit mogelijk is in een
letselschadezaak en dat klager hiervoor een arbeidsrechtadvocaat zou moeten benaderen.
Verder is wel toegezegd dat een herberekening zal worden uitgevoerd om te kijken of
er vier extra weken van verlies aan arbeidsvermogen kon worden gevorderd van de werkgever.
Voordat deze herberekening is uitgevoerd, heeft klager op 5 augustus 2025 laten weten
een arbeidsrechtadvocaat te hebben benaderd. Op 7 augustus 2025 heeft klager laten
weten dat de arbeidsrechtadvocaat hem niet kon bijstaan en dat hij het Juridisch Loket
heeft benaderd voor een doorverwijzing.
2.6 Op 7 augustus 2025 heeft verweerder het regelingsvoorstel, met daarin een
vordering van € 1.159,20, verzonden aan de werkgever.
2.7 Klager en verweerder hebben vervolgens gecorrespondeerd over de toevoeging
en de eigen bijdrage. Verweerder heeft ingestemd met klagers verzoek om uitstel voor
het betalen van de eigen bijdrage.
2.8 Op 11 augustus 2025 heeft verweerder aan klager geschreven:
“(…) Bij een toevoeging dient er rekening mee gehouden worden dat een advocaat binnen
een zeer beperkt aantal uren een zaak dient te behandelen. Denk daarbij aan contactmomenten
van 1 keer per maand. Indien u een voorkeur heeft om wekelijks met ons te bellen of
te mailen, dan kan ik u niet bijstaan op basis van een toevoeging. In dat geval kunt
u ervoor kiezen om ons per uur te betalen. Mijn uurloon bedraagt € 336,59 inclusief
BTW. Indien u wenst dat u ik meer tijd aan uw zaak besteed om bijvoorbeeld wekelijks
contact te hebben, dan verneem ik dit graag van u. In dat geval ontvang ik graag uw
akkoord dat ik de toevoeging kan intrekken en u op uurbasis kan bijstaan. Ik zal u
dan pas een voorschotnota van € 2.000,- sturen. Daarna zult u maandelijks een factuur
van ons ontvangen afhankelijk van de uren die gewerkt zijn in uw zaak.
Indien u ervoor kiest om gebruik te blijven maken van de toevoeging, dan verzoek
ik u om er rekening mee te houden dat ik mijn uren dien te beperken. (…)”
Op dit bericht is door klager niet gereageerd. Klager heeft de eigen bijdrage nadien
betaald.
2.9 Op 11 september 2025 heeft de werkgever de aansprakelijkheid van de hand
gewezen.
2.10 Op 23 september 2025 hebben klager en verweerder elkaar telefonisch gesproken.
Klager heeft verweerder ook een WhatsApp-bericht gestuurd, waarin hij zegt dat hij
de eigen bijdrage alleen heeft betaald omdat hij in de veronderstelling was dat verweerder
het verlies aan arbeidsvermogen tot en met 27 mei 2025 zouden berekenen.
2.11 Op 23 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2.12 Op 24 september 2025 heeft verweerder medegedeeld zijn werkzaamheden neer
te leggen, omdat er volgens hem sprake is van een onoverbrugbaar verschil van inzicht
over de zaak. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat het verlies van arbeidsvermogen
over de periode 3 mei 2025 tot en met 27 mei 2025 niet kon worden gezien als een schade
die is voortgevloeid uit het bedrijfsongeval, omdat klager zich al op 2 mei 2025 beter
had gemeld.
2.13 Op 26 september 2025 heeft verweerder per WhatsApp-bericht aan klager voorgesteld
om de eigen bijdrage terug te betalen als klager zijn klacht zou intrekken. Klager
en verweerder hebben daar vervolgens over gediscussieerd. Verweerder heeft daarbij
benadrukt dat het klager vrij staat om niet akkoord te gaan met zijn voorstel en verder
te gaan met de klachtbehandeling bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen voor klagers belangen, omdat
hij onvoldoende deskundig was en ten onrechte de bewijslast bij klager heeft gelegd
om aan te tonen dat hij letsel had opgelopen;
b) Verweerder heeft geprobeerd een bedrag van € 2.000,- in rekening te brengen
bij klager, onder het mom dat klager te veel contact zou zoeken, terwijl dat niet
het geval was. Verweerder weet bovendien dat klager geen budget heeft en genoodzaakt
is gebruik te maken van een toevoeging;
c) Verweerder heeft klager willen chanteren door aan te bieden om de eigen bijdrage
terug te betalen als klager zijn klacht zou intrekken.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter
bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat
verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven
normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen
of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet
bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid
en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen
te nemen.
5.2 De klacht gaat mede over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.3 Het is de raad niet gebleken dat verweerder niet te werk is gegaan zoals
van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Verweerder
heeft aan klager uitgelegd dat hij alleen maar letselschadezaken doet en dat hij geen
verstand heeft van het arbeidsrecht. Hij heeft klager daarom geadviseerd om een advocaat
te zoeken die wel gespecialiseerd is in het arbeidsrecht. Advocaten moeten zich houden
aan de kernwaarde deskundigheid. Dat houdt in dat zij alleen zaken behandelen als
zij daarvoor voldoende kennis hebben. Verweerder heeft klager dus terecht verwezen.
5.4 Verder hebben verweerder en zijn kantoorgenoten in overleg met klager berekend
welke schade er gevorderd zou kunnen worden vanwege het letsel en verlies aan arbeidsvermogen
vanwege klagers ziekmelding. Klager is met het door verweerder gedane voorstel akkoord
gegaan. Nadat klager meende dat hij een extra vergoeding moest krijgen over de periode
van 3 mei 2025 tot en met 27 mei 2025, heeft verweerder ook nog bekeken of hij dat
juridisch kon onderbouwen. Verweerder heeft geconcludeerd dat dit niet het geval was,
zoals hij op 24 september 2025 aan klager heeft uitgelegd. Klager had zich op 2 mei
2025 namelijk al beter gemeld en daarom was verweerder van mening dat het geen schade
als gevolg van het bedrijfsongeval was. Dat acht de raad geen onredelijk standpunt.
Verweerder heeft zijn werkzaamheden ook kunnen neerleggen, omdat volgens hem sprake
was van een onoverbrugbaar verschil van inzicht over de zaak. Dat is in lijn met gedragsregel
14 lid 2. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Klachtonderdeel
a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.5 Zoals onder overweging 2.8 is weergegeven, heeft verweerder klager gevraagd
om hem, in afwijking van de verleende toevoeging, op betalende basis bij te gaan staan
omdat klager te vaak contact met hem zou opzoeken. Hierbij heeft verweerder een bedrag
van € 2.000,- genoemd. De raad volgt klager in zijn klacht dat hij met het voorstel
van verweerder onder druk is gezet om in te stemmen met rechtsbijstand op betalende
wijze. Verweerder heeft immers aan klager weliswaar de optie geboden om verder te
gaan op basis van de toevoeging, maar heeft daaraan de voorwaarde verbonden dat klager
in dat geval slechts eenmaal per maand contact met hem mocht zoeken. Door de voorwaarde
die verweerder aan zijn rechtsbijstand op basis van een toevoeging heeft verbonden,
is klager voor het blok gezet om te kiezen tussen wat hij van zijn advocaat verwachtte
en zijn portemonnee. Die keuze hoefde hij echter niet te maken, omdat hij in aanmerking
kwam voor een toevoeging. De raad zal klachtonderdeel b) dan ook gegrond verklaren.
Klachtonderdeel c)
5.6 Verweerder heeft geprobeerd om de klacht onderling met klager op te lossen,
door hem aan te bieden om de eigen bijdrage terug te betalen. Dat is niet klachtwaardig.
Verweerder heeft ook benadrukt dat de klachtbehandeling bij de deken verder zou gaan
als klager niet zou instemmen met zijn voorstel. Er is op dit punt geen sprake van
ongeoorloofde druk. Klachtonderdeel c) is ongegrond.
Conclusie
5.7 De raad zal klachtonderdelen a) en c) ongegrond verklaren. Klachtonderdeel
b) is wel gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij efficiënt te werk wilde gaan
voor klager, maar dat klager vaak en intensief contact zocht onder meer om verweerder
ervan te proberen te overtuigen om toch de arbeidsrechtelijke kwestie op te pakken.
Pogingen om klager minder vaak te laten bellen waren niet gelukt. Een toevoeging is
niet toereikend om dermate intensief contact met een cliënt te hebben. Dat is de reden
dat hij klager heeft voorgesteld om hem op betalende basis bij te staan. Op die manier
zou klager wel intensief contact met verweerder kunnen hebben.
6.2 Hoewel verweerder klager daarmee onder druk heeft gezet om hem op betalende
basis bij te staan, heeft hij het voorstel niet herhaald of daarop aangedrongen bij
klager, maar is hij doorgegaan op basis van de toevoeging nadat hij geen antwoord
van klager ontving. Ter zitting heeft verweerder ook helder gemaakt dat hij weet dat
toevoegingszaken de aandacht moeten krijgen die zij verdienen, ook als deze bovengemiddeld
veel uren kosten. Het betrof volgens hem een voor hem unieke situatie dat een cliënt
zo vaak contact zocht; hij heeft daarom dit voorstel gedaan. De raad acht dat onvoldoende
doordacht, maar gaat ervan uit dat verweerder in het vervolg anders zal handelen en
zo nodig op voorhand afspraken met zijn cliënt zal maken over de contactmomenten.
De raad ziet daarom af van het opleggen van een maatregel.
7 GRIFFIERECHT
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door. Omdat er geen maatregel wordt opgelegd, bestaat
er op grond van artikel 48ac, eerste lid en onder a, van de Advocatenwet geen ruimte
om verweerder te veroordelen tot betaling van een reiskostenvergoeding (van een forfaitair
bedrag van € 25,-) aan klager. Het zou verweerder wel sieren om daartoe uit eigen
beweging over te gaan, nu klagers klacht gegrond is verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a) en c) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en G. Sarier,
leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 29 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 29 juni 2026