ECLI:NL:TADRSGR:2026:167 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-724/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:167 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-724/DH/DH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 juni 2026
in de zaak 25-724/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 3 december 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 21 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K117 2025
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 3 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Ook is
opgemerkt dat klager er rekening mee moet houden dat nieuwe klachten over verweerster
die gaan of raken aan de echtscheidingsprocedure tussen klager en zijn ex-partner
niet meer in behandeling zullen worden genomen door de deken en/of de raad vanwege
misbruik van recht.
1.4 Op 2 januari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Klager
is niet verschenen, zonder bericht van verhindering. Verweerster is niet verschenen,
met bericht van verhindering.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 De voorzitter heeft in overweging 4.4 een tal van omstandigheden genoemd
die niet relevant zijn voor de beoordeling. De voorzitter overweegt dat verweerster
met ‘rigide’ doelde op het feit dat klager haar mailde, maar die koppeling heeft verweerster
niet gemaakt. De voorzieningenrechter noemde klagers opstelling rigide. Verweerster
heeft de overweging van de voorzieningenrechter overgenomen, maar niet zelf klagers
gedrag als rigide, ook niet in relatie aangemerkt. Klagers klacht was dat verweerster
triomfantelijk deed door te schrijven “De inhoud van het vonnis is glashelder en onderstreept
de visie van cliënte en mij dat uw verweren omtrent … onterecht waren.”. Dat klopt
niet, want de rechtbank heeft niet geoordeeld dat klagers verweren onterecht waren.
Er staat nergens in het vonnis dat klagers verweren ronduit, 100%, totaal onterecht
waren. Het was dus geheel onnodig om victorie te kraaien. De gedragsregel wordt zo
een papieren tijger. De voorzitter heeft ten onrechte geoordeeld dat het in een context
wel mag, terwijl het gewoon helemaal niet mag.
2.3 Over overweging 4.5 herhaalt klager dat verweerster zich niet met terugwerkende
kracht kon beroepen op een dwangsom uit een vonnis. Hij heeft daarbij een kopie van
een e-mail overgelegd van verweerster van 17.23 uur waarin zij heeft geschreven dat
klager met zijn e-mail van 12.54 uur het contactverbod had overtreden. Ook heeft hij
een e-mail overgelegd waaruit volgt dat de rechtbank die dag pas om 13.59 uur een
afschrift van het vonnis had verstuurd. Het was verweerster dus bekend dat klager
het vonnis pas toen een ruim uur later had ontvangen. Dit is juridisch agressief en
niet wat een fatsoenlijk advocaat betaamt.
2.4 In overweging 4.6 heeft de voorzitter geoordeeld dat het een advocaat vrij
staat te bepalen hoe zij zich verweert, wat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Ook in een verweer dient zij zich te gedragen in lijn met de gedragsregels, wat zij
niet heeft gedaan.
2.5 De voorzitter heeft in overweging 4.9 een onjuist, ondeugdelijk gemotiveerd
en principieel onaanvaardbaar oordeel gegeven dat klager misbruik van recht zou maken.
Daarvoor is geen enkele feitelijke of juridische grondslag. Klager wijst op de hoge
eisen uit het Weespersluis-arrest (ECL:NL:HR:2025:560). Klager acht het onjuist als
hij niet meer kan klagen over de advocaten van zijn ex-partner als deze klachtwaardig
handelen. Dat zou betekenen dat zij daarmee bij voorbaat absolute immuniteit zullen
genieten, terwijl zijn kind pas zeven jaar oud is en het einde van rechtszaken nog
zeker tien jaar niet in zicht is. De paar algemene argumenten die de voorzitter heeft
gegeven zijn bij lange na niet toereikend om tot de zware beschuldigingen van misbruik
van recht te komen. Klagers vertrouwen in het tuchtrecht heeft een ernstige deuk opgelopen
omdat lukraak, gratuite en ook nog eens geheel niet onderbouwd wordt gesteld dat sprake
is van louter klagen ter voortzetting van een persoonlijke vete nu ‘de deur richting
zijn ex-partner is gesloten’. Klager wijst erop dat deze deur niet is gesloten, omdat
klager en zijn ex-partner hebben afgesproken dat zij elkaar niet meer dan één wekelijkse
e-mail van maximaal 600 woorden sturen louter over de minderjarige dochter. Het eerder
opgelegde contactverbod is daarmee komen te vervallen. Klagers ex-partner heeft die
afspraak bovendien van begin af aan royaal overtreden, maar klager heeft ervoor gekozen
om niet te vragen daar dwangsommen aan te verbinden. Het ligt dus genuanceerder dan
de voorzitter oordeelt. Klager acht het ook onduidelijk op welke wijze hij er rekening
mee moet houden of er sprake is van misbruik van recht.
2.6 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Wat betreft
de verzetgrond met betrekking tot overweging 4.5, constateert de raad dat de e-mails
die klager daarbij noemt niet eerder door hem zijn ingebracht in de procedure, zodat
de voorzitter daarover op juiste grond heeft geoordeeld dat de onderbouwing van dat
klachtonderdeel ontbrak. Er hoeft dan ook in redelijkheid niet te worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Omdat het verzet tegen de beslissing
van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats
voor nader onderzoek naar de klacht.
4.3 Voor zover klager opkomt tegen overweging 4.9 (misbruik van recht- overweging).
Dit houdt niet in dat verweerster daarmee absolute immuniteit geniet. Bij eventuele
nieuwe klachten van klager over verweersters handelen zal per geval moeten worden
beoordeeld of sprake is van misbruik van recht. Indien geconcludeerd wordt dat dit
niet het geval is, zal klagers klacht in behandeling worden genomen.
4.4 Ambtshalve overweegt de raad nog wel het volgende. In het toetsingskader
(overweging 4.3) benoemt de voorzitter twee gedragscodes. De voorzitter overweegt
dat verweerster zich tuchtrechtelijk aan deze gedragscodes dient te houden. Naar het
oordeel van de raad is dat onjuist. Deze gedragscodes zien immers op de inschrijving
bij de Raad voor Rechtsbijstand. In het tuchtrecht gelden de gedragsregels die van
belang zijn bij de invulling van de wettelijke norm uit de Advocatenwet. Omdat de
voorzitter zijn beslissing niet heeft gebaseerd op de gedragscodes, maar op het in
overweging 4.1 en 4.2 genoemde toetsingskader, roept deze onjuiste overweging bij
de raad geen twijfel op over de juistheid van zijn besluit.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 29 juni 2026