ECLI:NL:TADRSGR:2026:166 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-714/DH/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:166
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 31-07-2026
Zaaknummer(s): 25-714/DH/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet gegrond. Klager is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.  Verweerder heeft zich onvoldoende ingezet voor zijn cliënte en ook de inhoud van zijn werk was onder de maat. Hij heeft geen zicht gehouden op de afspraken uit de schikking en de termijn die daarbij gold. Evenmin heeft hij actie ondernomen nadat deze termijn was verstreken. Schending kernwaarde deskundigheid. Belangrijke afspraken en informatie zijn door verweerder niet schriftelijk vastgelegd, waardoor bij klaagster verwarring is ontstaan over de voortgang van haar zaak. Berisping.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 juni 2026
in de zaak 25-714/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 17 december 2025 op de klacht van:

klaagster

en 

klager
hierna samen te noemen: klagers

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 7 april 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 20 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K077 2025 van de deken ontvangen. 
1.3    Bij beslissing van 17 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht, voor zover mede ingediend namens klager, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond verklaard.
1.4    Op 17 december 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.5    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 18 mei 2026. Klaagster heeft digitaal aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door klager. Verweerder heeft fysiek aan de zitting deelgenomen. 
1.6    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de schriftelijke toelichting van klaagster van 4 mei 2026.


2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2    De beslissing gaat eraan voorbij dat er na de zitting sprake was van een structureel gebrek aan bereikbaarheid van verweerder. Ook was sprake van onvoldoende informatievoorziening, ondanks herhaalde pogingen om contact met verweerder te krijgen. Hierdoor was niet duidelijk welke vervolgstappen na de zitting genomen moesten worden. Door verweerder is het proces-verbaal van de zitting nooit opgevraagd en aan klaagster toegestuurd. Het ontbreekt ook aan duidelijke schriftelijke uitleg van de advocaat; juist vanwege de taalbarrière was dat nodig;
2.3    Er ontbreekt verifieerbaar bewijs van een correcte overdracht van het dossier aan de opvolgend gemachtigde en ook klaagster zelf heeft tot op heden geen dossier ontvangen;
2.4    Klaagster heeft bewijsstukken aangeleverd die in de Nederlandse taal zijn vertaald, te weten bijlagen A tot en met D, maar deze lijken door de voorzitter niet (volledig) te zijn meegewogen.
2.5    Tegen de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.

3    BEOORDELING VAN HET VERZET
3.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
3.2    In de voorzittersbeslissing heeft de voorzitter het volgende overwogen:
“4.1 De voorzitter stelt voorop dat de voertaal in tuchtrechtprocedures als de onderhavige het Nederlands is. Dit betekent dat de voorzitter bij de beoordeling van de klacht geen rekening kan houden met de in het Pools opgestelde e-mails die bij de klacht zijn gevoegd en die niet in het Nederlands zijn vertaald.”
3.3    De raad stelt vast dat klaagster op 6 oktober 2025 Nederlandse vertalingen van de in het Pools opgestelde e-mails heeft aangeleverd bij de deken (door klaagster aangeduid als bijlagen A tot en met D). Anders dan de voorzitter heeft overwogen, zijn de e-mails dus wel in het Nederlands vertaald. De voorzitter heeft deze vertaalde e-mails kennelijk niet meegewogen in de beoordeling, zodat de beslissing is gebaseerd op onvolledige feiten. Het verzet is dan ook gegrond. De raad zal de voorzittersbeslissing van 17 december 2025 vernietigen en hierna opnieuw op de klacht beslissen.

4    FEITEN
4.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
4.2    Klaagster heeft een arbeidsrechtelijk geschil met uitzendbureau X over onder meer achterstallig loon. Haar boekhoudster heeft haar verwezen naar verweerder. Verweerder heeft klaagster vervolgens bijgestaan in het geschil. De communicatie verliep via de boekhoudster, mevrouw S. Klaagster spreekt geen Nederlands.
4.3    Op 12 maart 2024 heeft een kortgedingzitting plaatsgevonden bij de rechtbank Den Haag. Klaagster en verweerder zijn bij deze zitting aanwezig geweest. Ook waren een niet-beëdigde tolk en een beëdigde tolk aanwezig voor klaagster. De voorzieningenrechter heeft de mondelinge behandeling geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om tot een schikking te komen. Uit het proces-verbaal blijkt dat er een schikking tot stand is gekomen. Deze schikking hield in dat het uitzendbureau aan klaagster een bedrag van € 5.000,- betaalt bij wijze van voorschot op het achterstallig loon, dat de gemachtigde van klaagster van de gemachtigde van het uitzendbureau binnen twee weken een berekening zal krijgen van het sinds 6 mei 2022 verschuldigde brutoloon en dat partijen vervolgens met elkaar in overleg treden.
4.4    Klaagster heeft vanaf 18 maart 2024 via de e-mail gecorrespondeerd met mevrouw S. In deze e-mails is te lezen dat klaagster denkt dat er nog een volgende zitting moet komen, maar het misschien niet goed begrepen heeft; dat het uitzendbureau en de advocaat een verkeerde berekening zouden hebben gemaakt van het verschuldigde salaris aan klaagster en dat zij het opnieuw moesten berekenen; dat klaagster nog niet de helft heeft gekregen van waar ze recht op heeft en het uitzendbureau mensen van uren beroofd. Ook stuurt klaagster bewijzen van gewerkte uren naar mevrouw S. en zegt ze niet te weten hoe het met de zaak verder gaat. De reactie van mevrouw S. is dat zij niet weet hoe het verder gaat met de zaak. Ze verwijst naar de advocaat en zegt dat ze ene K. zal vragen hoe de situatie eruit ziet. 
4.5    Uit de WhatsApp correspondentie tussen klaagster en mevrouw S. blijkt dat er eind april 2024 een bespreking met verweerder was ingepland. 
4.6    Vanaf 24 mei 2024 heeft klaagster zich er via WhatsApp en e-mail bij mevrouw S. over beklaagd dat de zaak al lang sleept en dat ze een afspraak met de advocaat wil. Op 24 mei 2024 schrijft zij dat de advocaat na de laatste bijeenkomst zei dat ze tot het einde van de maand moest werken en dat hij hen zou schrijven over het achterstallige geld. Klaagster vraagt of de advocaat de arbeidsinspectie heeft ingelicht en ze wil het proces versneld hebben. Uit de hierop volgende communicatie blijkt dat klaagster geen afspraak met de advocaat heeft gehad.
4.7    Op 23 juni 2024 heeft klaagster aan mevrouw S. bericht dat zij heeft besloten te wisselen van advocaat.
4.8    Op 7 april 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder. Op 27 april 2025 hebben klagers de klacht verder toegelicht.

5    KLACHT
5.1    Klaagster heeft in haar verzetschrift niet gesteld dat de voorzitter van een onjuiste klachtomschrijving is uitgegaan in de beslissing van 17 december 2025. De raad zal daarom aansluiten bij die klachtomschrijving.
5.2    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende.
a)    Verweerder heeft klagers niet geïnformeerd over de uitkomst van de rechtszaak;
b)    Verweerder heeft gerechtelijke documentatie niet aan klagers overgedragen, waaronder het vonnis;
c)    Verweerder heeft de zaak van klagers opzettelijk verlengd en verdere juridische stappen belemmerd;
d)    Verweerder heeft het contact met klagers verbroken na het uitspreken van het vonnis door de rechtbank.

6    VERWEER 
6.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat klaagster en uitzendbureau X op de zitting van 12 maart 2024 hebben afgesproken dat klaagster € 5.000,- zou ontvangen en dat er dus geen uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter. Daarbij merkt verweerder op dat dit klaagster duidelijk moet zijn geweest, omdat zij op de zitting aanwezig was en is bijgestaan door een tolk Pools. Volgens verweerder heeft de griffie van de rechtbank hem bevestigd dat er geen uitspraak is gedaan in de zaak van klaagster en heeft de rechtbank hem nooit het proces-verbaal van de zitting toegezonden.
6.2    Verder voert verweerder aan dat hij na de zitting nog een of twee besprekingen met klaagster heeft gehad en dat hij daarna per e-mail werd geïnformeerd dat klaagster zich tot een andere gemachtigde had gewend. Volgens verweerder heeft hij het dossier op diens verzoek aan de nieuwe gemachtigde overhandigd.
6.3    Tot slot voert verweerder aan dat contact met klaagster alleen mogelijk was met tussenkomst van een tolk. Volgens verweerder heeft hij in april 2024 uitvoerig met klaagster over de zaak gesproken. Hij heeft nooit van klaagster vernomen dat zij behoefte had aan nog een bespreking of dat zij het te lang vond duren.     

7    BEOORDELING
Ontvankelijkheid
7.1    Alleen de persoon of rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Uit het dossier volgt niet dat de gemachtigde van klaagster ook door verweerder is bijgestaan als advocaat. De gemachtigde van klaagster heeft dan ook geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij de klacht over verweerders handelen ten behoeve van de zaak van klaagster. De raad zal de gemachtigde van klaagster niet-ontvankelijk verklaren.
Toetsingskader
7.2    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals deskundigheid, onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.
7.3    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
7.4    Dit klachtonderdeel gaat erover dat verweerder klaagster niet zou hebben geïnformeerd over de uitkomst van de rechtszaak. Verweerder heeft toegelicht dat klaagster zelf aanwezig was bij de totstandkoming van de schikking en dat hij zich ervan verzekerd heeft dat klaagster begreep waarmee zij akkoord ging, door dit tijdens de schorsing van de zitting via de tolk(en) uit te leggen. Niet gebleken is echter dat verweerder na de zitting schriftelijk heeft vastgelegd aan klaagster dat er een schikking is getroffen, wat daarin is opgenomen en welke gevolgen dat heeft. Dat had verweerder wel moeten doen, gelet op gedragsregel 16 lid 1. De raad ziet in de e-mails van klaagster aan mevrouw S ook de bevestiging dat het voor klaagster niet duidelijk was wat de schikking inhield. Zo verkeerde zij kennelijk in de veronderstelling dat er een uitspraak was gedaan of nog zou komen, wat niet het geval was. De raad is van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht Klachtonderdeel a) is gegrond.
Klachtonderdeel b)
7.5    Verweerder heeft toegelicht dat hij geen proces-verbaal van de schikking heeft ontvangen van de rechtbank. Deze heeft verweerder dan ook niet kunnen doorsturen aan klaagster. Ook anderszins is niet gebleken dat verweerder gerechtelijke documentatie niet aan klaagster heeft verstrekt. Omdat er geen vonnis is gewezen, kon verweerder dat ook niet aan klaagster doorsturen. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Klachtonderdeel c) 
7.5.    De raad is op grond van het klachtdossier niet van oordeel dat verweerder de zaak van klaagster bewust heeft willen vertragen en verdere stappen heeft willen belemmeren. Klachtonderdeel c) wordt daarom ongegrond verklaard. 
Wel is de raad van oordeel dat verweerder grote steken heeft laten vallen in zijn bijstand aan klager.
Daartoe overweegt de raad als volgt.
Klachtonderdeel d)
7.6    Ter zitting bij de voorzieningenrechter is de afspraak gemaakt dat er binnen twee weken een berekening zou komen van het uitzendbureau over het achterstallig brutoloon dat klaagster nog moest ontvangen. Die berekening is er volgens verweerder en klaagster nooit gekomen. Verweerder heeft namelijk geen actie ondernomen. Daarmee heeft verweerder niet gehandeld zoals van een professioneel en deskundig advocaat mag worden verwacht. Als een termijn wordt afgesproken bij een schikking, dan wordt van verweerder verwacht dat hij er ook op toeziet dat die termijn wordt gehaald en/of een vervolgstrategie bepaalt. Dit is niet gebeurd. 
7.7    Daarnaast is de raad gebleken dat verweerder onvoldoende met klaagster heeft gecommuniceerd. Uit de door klaagster overgelegde communicatie met haar tussenpersoon blijkt dat klaagster niets ontvangt van verweerder en niet weet waar zij aan toe is. Er is ook geen enkel schriftelijk stuk door verweerder ingebracht in de klachtprocedure. Ook van de bespreking in april 2024 heeft verweerder niets schriftelijk bevestigd aan klaagster. Verweerder heeft toegelicht dat hij weinig schriftelijk heeft vastgelegd en vanwege de taalbarrière niet kon bellen met klaagster.  Dat mocht wel van verweerder worden verwacht. Dat klaagster kennelijk via een tussenpersoon bij hem terecht was gekomen en alleen Pools sprak, doet daar niet aan af. Verweerder draagt zelf de verantwoordelijkheid voor een zaak die hij aanneemt en het kan niet zo zijn dat hij alle contact in handen legt van een tussenpersoon, waarmee hij zelf kennelijk ook niet in goed contact stond. Verweerder heeft dus niet gehandeld zoals dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Voor zover verweerder nog naar voren heeft gebracht dat hij in april 2024 ziek is geweest, wijst de raad erop dat dat hem niet verontschuldigd en voor die situatie de waarnemersregeling bedoeld is.
7.8    Klachtonderdeel d) is daarom gegrond.
Conclusie
7.9    De raad zal klachtonderdelen a) en d) gegrond verklaren. Klachtonderdelen b) en c) zijn ongegrond.

8    MAATREGEL
8.1    De raad is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende heeft ingezet voor zijn cliënte en ook de inhoud van zijn werk onder de maat was. Verweerder heeft geen zicht gehouden op de afspraken uit de schikking en de termijn die hierbij gold. Evenmin heeft hij actie ondernomen voor klaagster nadat deze termijn was verstreken. Verweerder heeft hierdoor in strijd gehandeld met de kernwaarde deskundigheid. Ook zijn belangrijke afspraken en informatie niet door hem schriftelijk bevestigd, waardoor er verwarring is ontstaan bij klaagster over de voortgang van haar zaak. Daarmee is verweerder herhaald te kort geschoten in zijn zorgplicht richting zijn cliënte. Alles bij elkaar genomen acht de raad de maatregel van berisping passend en geboden.

9    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
9.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 
9.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet gegrond;
- vernietigt de beslissing van de voorzitter van 17 december 2025;
- verklaart klachtonderdelen a) en d) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen b) en c) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 29 juni 2026