ECLI:NL:TADRSGR:2026:165 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-672/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:165 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-672/DH/RO |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzetbeslissing. Geen aanleiding om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing te twijfelen. Binnen de tuchtprocedure heeft de tuchtrechter geen ruimte om de door verweerder namens de verhuurder ingenomen standpunten inhoudelijk op juistheid te toetsen en/of te verifiëren. De tuchtrechter toetst het handelen van verweerder aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en in dat verband heeft de voorzitter bij de beoordeling van de klachtonderdelen de juiste toetsingskaders toegepast. Ook heeft de voorzitter rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval zoals die uit het klachtdossier blijken. Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 juni 2026
in de zaak 25-672/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de
plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 3 december 2025
op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 2 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/091
van de deken ontvangen.
1.3 Op 3 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de klacht over het handelen van verweerder in het huurgeschil
tussen klager en Rijnland in alle onderdelen kennelijk ongegrond en de klacht over
de visserskwestie kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.4 Op 2 januari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de
voorzitter.
1.5 De raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 20 april 2026. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd,
waaronder de op 17 oktober 2025 door klager ingediende aanvullende stukken, en van
het verzetschrift met bijlagen.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager het
niet eens is met de beslissing van de voorzitter. In dat verband heeft klager gesteld
dat (1) de voorzitter een onjuiste maatstaf ‘kennelijk ongegrond’ heeft toegepast,
(2) de voorzitter de feitelijk onjuiste stelling van verweerder dat de bodemverontreiniging
‘inmiddels is gesaneerd’ niet heeft geverifieerd, (3) de voorzitter de ‘rol- en hoedanigheidsambiguïteit’
van verweerder tijdens het gesprek van 18 december 2024 niet inhoudelijk heeft getoetst,
(4) de voorzitter niet inhoudelijk heeft getoetst of de door verweerder gebruikte
diskwalificerende framing en procesgewicht toelaatbaar is en (5) de voorzitter niet
inhoudelijk heeft beoordeeld of het door verweerder gebruikte ‘suggestief frame in
belangrijke mate bedrijfsmatig’ proportioneel en feitelijk onderbouwd is.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHTOMSCHRIJVING
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing
te twijfelen. De voorzitter heeft terecht opgemerkt dat het verweerder vrijstond om
in het huurgeschil namens de verhuurder standpunten in te nemen waar klager het niet
mee eens is. Klager heeft in de civiele procedure bij de kantonrechter te Haarlem
de gelegenheid gehad om op de standpunten van de verhuurder te reageren. Tijdens de
zitting bleek dat de kantonrechter daar inmiddels bij (onherroepelijk geworden) vonnis
van 10 december 2025 inhoudelijk over heeft geoordeeld. Binnen de tuchtprocedure heeft
de tuchtrechter geen ruimte om de door verweerder namens de verhuurder ingenomen standpunten
inhoudelijk op juistheid te toetsen en/of te verifiëren. De tuchtrechter toetst het
handelen van verweerder aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en in
dat verband heeft de voorzitter bij de beoordeling van de klachtonderdelen de juiste
toetsingskaders toegepast. Ook heeft de voorzitter rekening gehouden met alle relevante
feiten en omstandigheden van het geval zoals die uit het klachtdossier blijken. Het
verzet slaagt dan ook niet.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. A.T. Bol, A. Schaberg,
A.B. Baumgarten en H. Warendorp Torringa, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
Griffier
Verzonden op: 29 juni 2026